Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.6.4.3:16.6.4.3 Verkrijging van eigen aandelen
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.6.4.3
16.6.4.3 Verkrijging van eigen aandelen
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS408005:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een berucht twistpunt onder het (oude) WvK van 1838 betrof de vraag in hoeverre het de NV was toegestaan aandelen in haar eigen kapitaal te kopen. Indien een vennootschap eigen aandelen inkoopt, wordt haar vermogen verminderd ten bate van de aandeelhouder die zijn aandelen aan de vennootschap overdraagt. Het vermogen waarop de crediteuren zich kunnen verhalen wordt afgeroomd; tegenover het aandeel staat niet langer een deelname van een derde in het kapitaal. De inkoop van aandelen werd dan ook “een stap terug” genoemd.1 Volgens Kist/Visser had onder de oude wet “meer dan eens het verwerven van eigen aandelen tot misbruiken aanleiding gegeven”.2
Art. 41a WvK 1928 voorzag daarom in een regeling voor inkoop. Het artikel bepaalde dat de overdracht aan de NV van niet-volgestorte aandelen in haar maatschappelijk kapitaal nietig was. Het was de vennootschap wél toegestaan onder bepaalde voorwaarden volgestorte aandelen in haar vermogen te verkrijgen. De vennootschap mocht deze te allen tijde om niet verkrijgen; dit had immers geen effect op het eigen vermogen van de vennootschap. Ook de verkrijging van eigen aandelen onder bezwarende titel was niet geheel verboden. Wegens behoeften van de praktijk had de wetgever de vennootschap deze mogelijkheid niet willen onthouden. Volgestorte aandelen in haar maatschappelijke kapitaal mocht de NV voor eigen rekening onder bezwarende titel slechts verkrijgen tot het bedrag dat in de akte van oprichting was bepaald. Een akte van oprichting die voorzag in de mogelijkheid nagenoeg het gehele kapitaal weer in te kopen, werd geacht in strijd te zijn met de openbare orde en de goed zeden, zodat de ministeriële verklaring van geen bezwaar kon worden geweigerd.3 Aan het vereiste dat de bevoegdheid tot verwerving van eigen aandelen vastgelegd diende te worden in de akte van oprichting, lag de gedachte ten grondslag dat het publiek voor deze mogelijkheid moest worden gewaarschuwd. Een “heimelijke uitholling” van het vermogen werd zo voorkomen.
Indien de prijs voor de verworven aandelen de werkelijke waarde van deze aandelen te boven ging en de vennootschap hierdoor zou worden benadeeld, was het bestuur hiervoor aansprakelijk. Ook door het overschrijden van de wettelijk vastgelegde voorwaarden liepen bestuurders het risico verantwoordelijk te worden gehouden voor de daaruit voortvoeiende schade. Overschrijding van deze normen impliceerde echter niet zonder meer dat de vennootschap niet gebonden was aan de overdracht. Alleen indien de vervreemder niet te goeder trouw was kon de nietigheid van de overdracht aan hem worden tegengeworpen.
Na de verkrijging van eigen aandelen had de vennootschap twee opties: zij kon de aandelen intrekken en daarmee haar kapitaal met het bedrag van die aandelen verminderen. Ook kon zij de aandelen aanhouden als een vermogensbestanddeel en de waarde daarvan onder haar activa opnemen.