FED 2025/68
Elementen van misbruik; bewijslastverdeling; relevantie feiten en omstandigheden van vóór de toestand ten tijde van uitdeling.
HR 25-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:668, m.nt. Prof. mr. O.C.R. Marres
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 april 2025
- Magistraten
Mrs. Van Hilten, Van Eijsden, Feteris, Fierstra, Faase
- Zaaknummer
22/04506
22/04508
- Noot
Prof. mr. O.C.R. Marres
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD15218:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:669, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑04‑2025
ECLI:NL:HR:2025:668, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑04‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑04‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:701, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑07‑2023
- Wetingang
Art. 17 lid 3 onderdeel b Wet Vpb 1969; art. 10 lid 2 en 8 Belastingregeling Nederland-Curaçao
Essentie
Elementen van misbruik; bewijslastverdeling; relevantie feiten en omstandigheden van vóór de toestand ten tijde van uitdeling.
Samenvatting
Het is op grond van de rechtspraak van het HvJ aan de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat de bestanddelen van misbruik van recht (in dit geval: van de Moeder-dochterrichtlijn) aanwezig zijn. Uit de rechtspraak van het HvJ volgt verder dat de belastingplichtige daartegenover de gelegenheid moet hebben om bewijs te leveren dat meebrengt dat van misbruik geen sprake is. Die gelegenheid moet betrekking hebben op zowel de bedoeling ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.