Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/10.4.5.2
10.4.5.2 Recht op toegang tot de rechter
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS510885:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ktg. Zierikzee 19 februari 1988, Prg. 1988, blz. 268, TvA 1988, blz. 147, m.nt. P. SANDERS.
Aldus het genoemde Ktg. Zierikzee 19 februari 1988, Prg. 1988, blz. 268, TvA 1988, blz. 147, m.nt. P. SANDERS.
Zie ook Arbitragerecht (SmiDERs), 2.3 in fine.
In het buitenland komt men op dezelfde uitkomsten; zo was ook in Duitsland het beroep op een arbitraal beding in strijd met 'Treu und Glauben' op de grond dat een partij niet de middelen had een arbitraal geding te volgen en aldus een executoriale titel te verwerven (zie bijvoorbeeld BGH 12 november 1987, NJW 1988, 1215; waaromtrent HESSELINK, blz. 391-392).
Zie P. SANDERS met betrekking tot het Nederlands Arbitrage Instituut in zijn noot bij Ktg. Zierikzee 19 februari 1988, Prg. 1988, blz. 268, TvA 1988, blz. 147.
Zie bijvoorbeeld de Raad van Arbitrage voor de Bouw (www.raadvanarbitrage.nl).
Zo blijkt uit Ktg. Zierikzee 19 februari 1988, Prg. 1988, blz. 268, TvA 1988, blz. 147, m.nt. P. SANDERS. Vgl. ook Arbitragerecht (SNuDERs), 2.3.11.
Aldus P. SANDERS in zijn noot bij Ktg. Zierikzee 19 februari 1988, Prg. 1988, blz. 268, TvA 1988, blz. 147; Geschillencommissies van de Stichting Geschillencommissies Consumentenzaken - die meestal bij wege van bindend advies beslissen - hebben bijvoorbeeld wel subsidies ontvangen van het Ministerie van Justitie.
Ktg. Zierikzee 19 februari 1988, Prg. 1988, blz. 268, TvA 1988, blz. 147, m.nt. P. SANDERS.
Het betreft een referte aan Ktr. Zierikzee 19 februari 1988, Prg. 1988, blz. 268, TvA 1988, blz. 147, m.nt. P. SANDERS en Rb. Haarlem 11 mei 1993, TvA 1993, blz. 238 en P. Sanders, Het nieuwe arbitragerecht, derde druk, Deventer 1996, art. 1020, aant. 14 en Burg. Rv (SNIJDERS), art. 1022, aant. 1.
Een markant voorbeeld van de toepassing van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid vormt de zaak Van Hoeve/Mechanisatiecentrum Tholen.1Eiser maakt een geding bij de kantonrechter aanhangig ondanks het bestaan van een arbitraal beding in de partijen bindende Algemene Handelsvoorwaarden Landbouwwerktuigen 1980. Hij vordert van gedaagde betaling van f 4.500. De zaak zal bij het scheidsgerecht niet in behandeling kunnen worden genomen voordat hij f 5.000 als voorschot op de kosten van de arbitrage (de kosten van het arbitrageinstituut alsmede het honorarium en de verschotten van arbiters) heeft betaald. Probleem is evenwel dat eiser het voorschot niet kan betalen, terwijl hij bij de kantonrechter met een toevoeging (tegen een bescheiden eigen bijdrage van slechts f 110 en indebetstelling van een belangrijk deel van het vast recht) kan procederen. Procederen tegen verminderd tarief bij het arbitrage-instituut, zo is de kantonrechter ambtshalve bekend, is niet mogelijk. Aldus is het eiser onmogelijk zijn geschil in rechte in arbitrage te doen beoordelen. De kantonrechter acht het beroep op het arbitraal beding mitsdien in strijd met redelijkheid in billijkheid en verklaart zich bevoegd van het geschil kennis te nemen:
’5. (...) Tevens is betwist dat alvorens de arbitragecommissie de behandeling aanvangt door eiser als klager een voorschot in de kosten van arbitrage groot je 5.000 dient te worden betaald.
6. De kantonrechter stelt vast dat betaling van een dergelijk bedrag niet in de macht van de eiser ligt. Zijn fmanciële omstandigheden zijn zodanig dat hij naar wettelijk vastgestelde maatstaven in aanmerking is gekomen om tegen betaling van je 110 als eigen bijdrage voor de burgerlijke rechter een proces te voeren.
7. Het is de kantonrechter voorts ambtshalve bekend dat noch wettelijke regelingen voorzien in een bijdrage aan of ten behoeve van eiser ingeval deze gedwongen zou zijn een arbitrale procedure te voeren noch het Arbitrage-instituut te Wageningen of enig daarmee gelieerde instelling deze kosten geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening neemt. Evenmin kent het Arbitrage-instituut een kosteloze behandeling of een behandeling tegen verminderd tarief.
8. Dit betekent dat eiser volgens overeenkomst van partijen en met name op grond van hem door gedaagde opgelegde voorwaarden niet in staat zou zijn klachten, grieven, vorderingen of welk verschil van mening tussen partijen ook, te doen beslechten.
9. Nu gedaagde vasthoudt aan het arbitragebeding van artikel 13 en daarmede aan eiser elke weg afsnijdt om het geschil te doen beslechten gaat gedaagde zozeer in tegen de redelijkheid en billijkheid dat zij in strijd handelt met de goede trouw door eiser aan het beding te houden."2
Ofschoon de kantonrechter zulks niet uitdrukkelijk overweegt zal, dunkt mij, ook van belang zijn geweest dat de vordering slechts f 4.500 beliep en als voorschot zelfs nog f 500 meer dan de totale vordering moest worden betaald.3 Al met al betreft het eigenlijk een beroep op het recht op toegang tot de rechter.4
Voor een vergelijking van de kosten van arbitrage en de kosten van gewone rechtspraak moeten wij voor de gewone rechter denken aan het vast recht en voor arbitrage aan de administratiekosten van het arbitrage-instituut en het honorarium en de verschotten van arbiters. Voor beide zullen wij de kosten van rechtsbijstand in de beschouwingen moeten betrekken.
Wij moeten bedenken dat de kosten van arbitrage voor een belangrijk deel zullen bestaan uit het honorarium en de verschotten van arbiters (vgl. bijvoorbeeld art. 56 NAI Reglement jo. art. 58 NAI Reglement). Voorts kennen we bij institutionele arbitrage meestal nog de zogenaamde administratiekosten (vlg. art. 56 NAI Reglement en art. 57 NAI Reglement). Partijen zullen deze kosten zelf moeten opbrengen. Overigens kan de partij die in het ongelijk wordt gesteld in genoemde kosten worden veroordeeld (vgl. art. 61 NAI Reglement). Draagkrachtproblemen worden overigens wel binnenskamers opgelost in die zin dat de desbetreffende minvermogende partij slechts een gering bedrag aan administratiekosten in rekening wordt gebracht, arbiters wordt gevraagd of zij "gratis" willen optreden en het instituut de verschotten van arbiters vergoeden.5
Bij gewone rechtspraak betaalt de Staat het honorarium van rechters. Partijen zijn slechts griffierecht verschuldigd, zij het dat dit - zeker met de huidige kabinetsplannen terzake toch nog wel kan oplopen (zie art. 2 Wet griffierechten burgerlijke zaken en de Regeling indexering griffierechten burgerlijke zaken 2010, Stcmt. 2010, 20111; vgl. wel ook art. 16 Wet griffierechten burgerlijke zaken).
Kosten van rechtshulpverleners zullen partijen, ongeacht of het rechtsbijstand in procedures bij overheidsrechters of arbiters betreft, in beginsel zelf moeten betalen. De in het ongelijk gestelde partij kan in de kosten van rechtshulpverlening van de wederpartij worden veroordeeld (vgl. art. 237 Rv, art. 238-239 Rv en art. 241 Rv respectievelijk art. 60 NAI Reglement en art. 61 NAI Reglement). Als het een procedure bij de overheidsrechter betreft kan een partij met onvoldoende fmanciële draagkracht in aanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand (art. 12 lid 1 Wet op de rechtsbijstand), doch óók in arbitrage zullen minvermogenden voor gefmancierde rechtshulp in aanmerking komen. Zulks kan worden afgeleid uit (het vrijwel onbekende) art. 1 sub b (7°) Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 dat expliciet gewag maakt van rechtsbijstand voor zaken bij arbitrale instanties; een aantal instituten lijkt hiermee rekening te houden.6 In de praktijk worden toevoegingen voor rechtsbijstand overigens inderdaad verleend als het arbitrages betreft.7
Ofschoon dit op het eerste oog wellicht buiten de orde lijkt, kan worden verdedigd dat voor partijen met onvoldoende draagkracht in arbitrage, naast de zojuist genoemde gefinancierde rechtsbijstand, ook voor (een gedeelte van) de honoraria en verschotten van de arbiters van Staatswege enige fmanciering moet bestaan (vgl. ook art. 18 Grondwet).8 Met arbitrage wordt de rechterlijke macht immers in niet geringe mate ontlast. Hierbij zij bedacht dat bij gebrek aan voldoende financiering partijen, als zij daarmee (beiden) instemmen, hun geschil alsnog aan de gewone rechter kunnen voorleggen. Voorts leert de zojuist behandelde zaak Van Hoeve/Mechanisatiecentrum Tholen dat een beroep op de overeenkomst tot arbitrage jegens een minvermogende partij in strijd met redelijkheid en billijkheid kan komen en de gewone rechter het geschil zal moeten beslechten.
In de zaak Meer/OTM beroept eiser zich erop dat het beroep van gedaagde op het arbitraal beding in de FENEX-voorwaarden — die op de overeenkomst van partijen van toepassing zijn — in strijd komt met redelijkheid en billijkheid, dit op de grond van de stelling dat arbitrage in de regel uitermate kostbaar is en dat inschakeling van arbiters voor de eenvoudige vordering van geringe omvang (die eiser heeft ingesteld) niet nodig is. De Hoge Raad oordeelt dienaangaande dat deze stelling van eiser niet voldoende is om aan te nemen dat het beroep op de arbitrageovereenkomst in het onderhavige geval in strijd komt met redelijkheid en billijkheid:
’3.5. (...).
Zowel Schenker in eerste aanleg, als OTM in hoger beroep, heeft zich op het standpunt gesteld dat Jacob Meijer misbruik van recht maakt c.q. handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door zich op de arbitrageclausule te beroepen. Dit standpunt moet worden verworpen. Hetgeen door Schenker c.q. OTM in dat verband is aangevoerd, te weten — samengevat — dat arbitrage in de regel uitermate kostbaar is en dat inschakeling van arbiters voor deze eenvoudige vordering van geringe omvang niet nodig is, is onvoldoende om aan te nemen dat het in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat Jacob Meijer een beroep doet op de arbitrageclausule of dat zulks misbruik van recht zou opleveren."9 (zie ook 10.2.2.6 voor de vraag of het recht om te kiezen voor arbitrage of de gewone rechter, dat slechts één van de partijen in deze zaak toekwam, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is).
De overwegingen van de Hoge Raad sluiten op zich fraai aan bij de zaak Van Hoeve/Mechanisatiecentrum Tholen.10 Het beroep op redelijkheid en billijkheid kon daarin wel slagen omdat het niet slechts de vraag betrof of de kostbare arbitrage voor een eenvoudige vordering van geringe waarde niet noodzakelijk was, doch of zulks voor de — noodlijdende — eiser het recht op toegang tot de gewone rechter in de weg stond.
Verdedigd wordt niettemin wel dat een wanverhouding tussen (1) het gevorderde bedrag enerzijds en (2) de proceskostenprognose anderzijds, toereikend is voor een succesvol beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, zulks kennelijk ook afgezien van omstandigheden als zojuist genoemd dat een partij die kosten niet kan betalen en dus zijn recht op toegang in het gedrang komt:
’Aangevoerd was slechts (...) dat arbitrage "in de regel" uitermate kostbaar is en dat inschakeling van arbiters voor deze vordering van geringe omvang niet nodig is. (...). Ik ga er dan wel van uit dat zo'n wanverhouding een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid rechtvaardigt. Enige steun hiervoor bestaat in de lagere rechtspraak en literatuur. (...). [11] Gezegd moet worden dat in beide aangehaalde uitspraken bijkomende omstandigheden het beroep op de redelijkheid en billijkheid mede ondersteunden. Zo ging het in het eerste geval om een eiser die de arbitrage niet kon betalen. Toch zou ik, ook afgezien van dergelijke omstandigheden, een echte wanverhouding tussen de mogelijke rendementen en de proceskostenprognose toereikend achten voor een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Ik denk echter niet dat zich in casu zo'n wanverhouding voordoet, nu het om een onbetwiste althans uiteindelijk gemakkelijk vast te stellen vordering lijkt te gaan."12 [tekst en cursief toegevoegd]
Ofschoon bij een buitenproportionele wanverhouding wellicht geen bijkomende omstandigheden nodig zijn (hetgeen eigenlijk betekent dat de administratiekosten van het arbitrage-instituut en/of de honoraria van de arbiters excessief hoog moeten zijn), meen ik dat uit het arrest Meijer/OTM kan worden afgeleid dat voor een succesvol beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid "in de regel" bijkomende omstandigheden nodig zullen zijn: "(...). In wezen is immers enkel aangevoerd dat de hoogte van de vordering de verwachte kosten van een arbitrale procedure niet rechtvaardigt. Dat lijkt me hoe dan ook onvoldoende om het inroepen van een arbitrale clausule te blokkeren.13 [cursief toegevoegd] (zie over de kosten van arbitrage ook 10.3.2 en 10.4.2.4 sub b).