Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/220
220 Vaststelling van de bezoldiging van bestuurders
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370204:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Stcie art. 84. Memorie van Toelichting. Stcie blz 107. Ontw. Art. 49a, Memorie van Toelichting blz. 88. Gew. Ontw. Art. 48c. Verslag T.K., blz. 215.
De bezoldiging kon in de statuten zelf worden verankerd. In een dergelijk geval bleef de mogelijkheid bestaan dat een lagere bezoldiging werd afgesproken dan die in de statuten was bepaald. De overeenkomst waarin een zwaardere verplichting aan de zijde van de vennootschap werd opgenomen, verbond de vennootschap niet. Zie onder andere Rechtbank Den Haag 6 november 1919, W. 10496, M.v.H. 30, Völlmar 1936, p. 62. Kantongerecht Rotterdam 13 november 1922, W. 11100. Zie HR 20 november 1925, W. 11451 over het geval, dat het loon niet uitdrukkelijk is vastgesteld. Polak, 5e druk 1935 (402/403).
Handelingen Tweede Kamer 1924-1925, 69, 1, Wijziging en aanvulling van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel omtrent de naamlooze vennootschap van koophandel, enz., p. 29.
Van der Heijden 1929; Kist-Visser 1929; Polak 1935 p. 402 en 403
Van der Heijden/van der Grinten 1946, p. 398.
Van der Heijden/van der Grinten 1950, p. 409; Dorhout Mees 1964, p. 295. In 1968 wordt nogmaals benadrukt dat ook indien de benoeming van bestuurders door de raad van commissarissen geschiedt, de wettelijke regel dat de bezoldiging wordt vastgesteld door de algemene vergadering nog steeds van toepassing was, zie Van der Heijden/van der Grinten 1971, p. 108. De bevoegdheid om de bezoldiging van de bestuurder vast te stellen moet dus uitdrukkelijk worden gedelegeerd aan de raad van commissarissen. Ik zal nog nader ingaan op de discussie die later is gaan woeden over deze bepaling, zie randnummer 336 e.v.
De vaststelling van de bezoldiging van bestuurders wordt in art. 48c WvK geregeld:
“Voorzover bij de akte van oprichting niet anders is bepaald, wordt de bezoldiging van bestuurders door de algemeene vergadering vastgesteld.”1
Daarmee wordt in art. 48c WvK de dan heersende gedachte verankerd, dat de aandeelhouders in beginsel eenzijdig de bezoldiging van bestuurders vaststellen. De aandeelhouders kunnen dit doen door een bezoldigingsbepaling op te nemen bij de akte van oprichting.2 Indien bij de akte van oprichting niets is bepaald, wordt de bezoldiging van bestuurders vastgesteld door de AVA. Art. 48c WvK is regelend recht.3 In de statuten kan de vaststelling van de bezoldiging overgelaten worden aan anderen, zoals de raad van commissarissen of preferente aandeelhouders.4
De formulering van art. 48c WvK zorgt voor enige discussie over de vraag of de bezoldiging deel kan uitmaken van de overeenkomst met de bestuurder. Van der Grinten meent dat, aangezien de bezoldiging van bestuurders eenzijdig vastgesteld wordt door de algemene vergadering van aandeelhouders, de wetgever niet heeft voorzien in deze mogelijkheid.
“De bezoldiging van den bestuurder kan, doch behoeft niet, deel uit te maken van de overeenkomst met den bestuurder. De wetgever heeft klaarblijkelijk alleen aan het laatste geval gedacht. Immers wordt de bezoldiging bij de overeenkomst geregeld, dan wordt zij door beide partijen bij de overeenkomst vastgesteld. In dit geval treedt voor de n.v. de algemeene vergadering op, daar deze de n.v. bij het aangaan van de overeenkomst met den bestuurder vertegenwoordigt.”5
De bepaling van art. 48c WvK wordt uiteindelijk zo uitgelegd dat, behoudens afwijking bij de statuten, de vennootschap slechts door de AVA aan een bepaalde bezoldiging kan worden gebonden.6