Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/8.2:8.2 De uitleg van de eed en de belofte
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/8.2
8.2 De uitleg van de eed en de belofte
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS458841:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Soeharno 2013, p. 14.
De Vries, TvRRB 2012-1, p. 13.
HR 25 mei 1910, W. 9000; HR 29 december 1913, W. 9574.
Annotatie ’t Hart bij HR 19 april 1988, NJ 1989, 140
NRC Handelsblad 14 juni 1968; De Volkskrant 17 juni 1968.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eedsaflegging heeft een religieus object: men zweert op God (zie voor de precieze vorm paragraaf 8.3). Vanouds bestond er een uitzondering voor doopsgezinden en quakers (twee protestantse denominaties) voor de plicht tot het afleggen van de eed. Doopsgezinden en quakers mochten de belofte afleggen omdat zij op grond van de verklaringen van Jezus, zoals die zijn terug te vinden in het Nieuwe Testament, de gevolgtrekking maakten dat zij niet mochten zweren op God.1 Deze uitzondering voor doopsgezinden en quakers was echter eeuwenlang een discussiepunt. Sommige critici stelden dat een belofte die niet was afgelegd op God als hogere macht dan de mens zelf, eigenlijk geen waarde had omdat de betrouwbaarheid daarvan slechts rustte op de persoon zelf. Bij de eed zette men immers de verhouding tot God op het spel. Anderen gingen nog verder en stelden dat het doen van een belofte vals was of moest worden gezien als een vorm van afgoderij.2
Men zou kunnen stellen dat de eed en de belofte in vroegere tijden waren geobjectiveerd. De eed gold voor de gelovige (christelijke) meerderheid van de bevolking en de belofte voor doopsgezinden en quakers. Eind 19e eeuw ontstonden er binnen de maatschappij meer groepen die in plaats van de eed de belofte wilden afleggen. In 1910 constateerde de Hoge Raad ten aanzien van hen een leemte in de wet. Voor hen bestond geen uitzondering.3 In de Eedswet van 1916 werd daarom bepaald dat ook ten aanzien van deze groepen de (christelijke) eed verplicht was. Deze lijn werd lange tijd vastgehouden.4
Langzamerhand veranderden echter de inzichten. Met de Eedswet van 1971 werd het voor niet-gelovigen mogelijk in plaats van een eed een belofte af te leggen.5 De Memorie van Toelichting bij de Eedswet 1971 stelt dat het geen zin heeft een eed te eisen van hen door wie die eed niet in geloof wordt afgelegd. Bovendien stelde de wetgever dat geen motivering mag worden gevraagd van de keuze voor de eed of voor de belofte. Volgens de wetgever moeten verklaringen omtrent het niet hebben van een geloof in God, of geloofsopvattingen waaruit bezwaren tegen het leggen van eden voortspruiten, worden begrepen als een formaliteit. Als regel geldt dat de waarde van een dergelijke verklaring niet hoeft te worden toegelicht en onderzocht.6
Geconcludeerd kan worden dat er zich in de wetgeving een ontwikkeling heeft voltrokken waarbij de eed en de belofte hun objectieve karakter hebben verloren. Zij werden niet meer automatisch aan bepaalde godsdienstige gezindten in de samenleving gekoppeld. In plaats daarvan is het begrip van de eed en de belofte gesubjectiveerd. Deze ontwikkeling had ook zijn neerslag in de jurisprudentie. Kon een kantonrechter in 1968 nog oordelen dat een getuige de eed moest afleggen hoewel hij verklaard had geen geloofsovertuiging te hebben, vanaf de inwerkingtreding van de Eedswet van 1971 moest de rechter de niet-gelovige getuige de mogelijkheid bieden om de belofte af te leggen.7