Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/5.5:5.5 De evaluatie van de Wet Boeten
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/5.5
5.5 De evaluatie van de Wet Boeten
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258905:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kieviet, Arbeidsrecht 1996/73.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Wet Boeten bracht een grote verandering in en uitbreiding van het sanctiesysteem met zich mee. Het kabinet had daarom bij de invoering een evaluatie van de wet aangekondigd. Per brief d.d. 31 januari 20011 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de voorzitter van de Tweede Kamer geïnformeerd over die evaluatie van de Wet Boeten. De cijfers in 1997 en 1998 lieten een stijging zien van het aantal opgelegde boeten. Per 1 januari 1999 werd de mogelijkheid ingevoerd om een waarschuwing te geven in gevallen waarin de overtreding leidt tot zelfbenadeling of niet tot een financieel nadeel voor de uitvoerder. Dit werd zichtbaar in een dalende lijn van boeten in de WW. Daarnaast was er een afname van het aantal WW-gerechtigden, hetgeen ook de dalende lijn van boeten kon verklaren.
De Wet Boeten had waarschijnlijk ook een preventief effect op het gedrag van de uitkeringsgerechtigden. Er werd tijdiger aan informatieverzoeken voldaan, waardoor het aantal sanctioneerbare feiten afnam. Ook Kievit2 geeft aan dat vooral de angst voor een zware sanctie tot extra alertheid en inspanningen van de werknemer hadden geleid en daarmee tot risicomijdend gedrag, welk effect nauw aansloot bij de bedoeling van het kabinet. De Wet Boeten had echter niet alleen de bedoelde gevolgen. Uit de evaluatie bleek ook dat veel overtredingen niet formeel werden geconstateerd vanwege enerzijds de werkdruk bij het uitvoeringsorgaan en anderzijds de opvatting van medewerkers van het uitvoeringsorgaan dat overtredingen die het werkproces niet verstoren (zoals een week te laat inleveren van een werkbriefje) geen overtredingen zijn die moeten worden bestraft.3 Naar aanleiding van deze evaluatie heeft het ministerie de mogelijkheid van een waarschuwing ingevoerd per 1999, een boetebesluit op 1 februari 2001 ingevoerd om de zwaarte van de boete meer evenredig te maken met de ernst van de overtreding en ten behoeve van de uniformiteit en de afstemming op het strafrechtelijk sanctiebeleid en het budget vanaf 2001 vergroot om de uitvoering meer capaciteit te geven.4
Bij de evaluatie van de Wet Boeten werd de staatssecretaris de vraag gesteld of sancties bij mensen met te veel schulden wel zouden helpen of effectief zijn. De boete zou zich stapelen bovenop al aanwezige terugvorderingen. Het antwoord was niet bevredigend. De vermindering van inkomen als gevolg van een opgelegde maatregel zou een direct effect hebben bij mensen met en zonder schulden, omdat hun betalingscapaciteit daardoor vermindert. Bij maatregelen zou uit onderzoek al bekend zijn dat dit leidt tot snellere werkhervatting (de staatssecretaris noemt geen specifieke onderzoeken). Bij boeten zou het zich voor kunnen doen dat invordering niet mogelijk is vanwege andere schulden.5 Er is dus waarschijnlijk een groep WW’ers met een hoge schuldenlast waar de boete geen effect heeft en een boeteoplegging in feite alleen leidt tot een verslechtering van de inkomenspositie zonder een inbare vordering op te leveren. Aan deze groep, en de benadelende werking van de verscherpte sancties, werd door het kabinet geen aandacht besteed.