Einde inhoudsopgave
Exoneraties in (ICT-) contracten tussen professionele partijen (R&P nr. 141) 2006/4.1.0
4.1.0 Introductie
Mr. T.J. de Graaf, datum 15-05-2006
- Datum
15-05-2006
- Auteur
Mr. T.J. de Graaf
- JCDI
JCDI:ADS402422:1
- Vakgebied(en)
Informatierecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Tjittes 1994, p. 210.
Tjittes 1994, p. 210 verwijst naar Rijken 1983, p. 158.
Rijken 1983, p. 158.
Rijken 1983, p. 158, 177 en 195; Rijken 1998, p. 369; Rijken 2001, p. 350.
HR 7 mei 1982, NI 1983, 509 (concl. A-G Biegman-Hartogh; Van Dijk/Bedaux; m.nt. Brunner).
HR 20 februari 1976, NJ 1976, 486 (concl. A-G ten Kate; Van der Laan/Top of Pseudo-vogelpest; m.nt. G.J. Scholten).
Rijken 1998, p. 369.
Rijken 1998, p. 369.
Hof Arnhem 8 maart 1994, NJ 1996, 701 (CARD/CCV).
HR 30 september 1994, NJ 1995, 45 (concl. A-G Hartkamp; Diepop Bossche Vrieshuizen/ Nouwens).
Het staat buiten kijf dat de deskundigheid van partijen relevant is bij het bepalen of een beroep op een exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW). Interessant wordt het zodra men zich afvraagt van wie welke mate van wat voor soort deskundigheid kan worden verwacht, hoe de deskundigheid van de één zich verhoudt tot die van de ander en wat de gevolgen daarvan zijn. Na een aantal inleidende opmerkingen zal ik achtereenvolgens bespreken: de deskundigheid van de leverancier, de deskundigheid van de afnemer en de relatieve deskundigheid van de leverancier ten opzichte van die van de afnemer. De aldus opgedane kennis pas ik vervolgens toe op de FENIT 2003, FENIT 1994 en BiZa-contracten.
Ik heb het in deze paragraaf uitsluitend over de deskundigheid op het gebied van de prestatie. Met Tjittes ben ik van mening dat de rechtspraak vooral belang hecht aan de deskundigheid op het terrein van de prestatie en niet zozeer aan de (juridische) deskundigheid op het terrein van exoneraties.1
Ik kan Tjittes echter niet volgen wanneer hij Rijken verwijt het tegenovergestelde te beweren.2 Als ik het goed zie, meent Rijken dat de (juridische) deskundigheid op het gebied van exoneraties, meer in het bijzonder de economische en juridische machtspositie van de leverancier, relevant is voor de waardering van de Saladin/HBu-omstandigheid 'de maatschappelijke positie van partijen'.3 Dat betekent echter niet dat Rijken geen belang toekent aan de deskundigheid op het gebied van de prestatie. Dat doet hij wel. Rijken meent dat deskundigheid op het gebied van de prestatie van belang is voor het inkleuren van de zwaarte van de schuld.4
Dat deskundigheid op het gebied van de prestatie van invloed is op de zwaarte van de schuld blijkt uit Van Dijk/Bedaux5 Daarin beslist de Hoge Raad over het volgende. De ingenieur/architect Bedaux brengt een ontwateringspomp aan onder zijn huis om wateroverlast tegen te gaan. Bedaux verkoopt zijn huis aan Van Dijk. De koopovereenkomst bevat een exoneratie voor verborgen gebreken. Later blijkt dat de ontwateringspomp ook het zand onder de fundering heeft weggezogen. Daardoor is de fundering over een lengte van drie meter niet meer dragend. Het Hof meent dat Bedaux niet aansprakelijk is voor deze schade omdat hij zich daarvoor heeft geëxonereerd en niet op de hoogte was van het gebrek. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op de stelling van Van Dijk 'dat Bedaux als ingenieur en architect een ernstig verwijt trof dat hij het ontzandingsgevolg van het gebruik van de ontwateringspomp niet voorzien had.' (cursivering TG). Als die stelling juist is en Bedaux Van Dijk niet op de hoogte heeft gesteld van het bestaan van de ontwateringspomp, dan kan Bedaux zich niet beroepen op zijn exoneratie, aldus de Hoge Raad. Uit dit arrest blijkt dat de Hoge Raad de deskundigheid van de leverancier ('als ingenieur en architect') in verband brengt met de zwaarte van de schuld ('ernstig verwijt').
Opvallend is vooral dat de Hoge Raad in dat arrest strenger is dan in het Pseudo-vogelpest arrest6 Uit het Pseudo-vogelpest arrest blijkt, kort gezegd, dat men zich niet op een exoneratie mag beroepen als men weet dat men een gebrekkige zaak verkoopt. Als men niet weet, maar wel behoort te weten, is het antwoord op de vraag of men zich op een exoneratie mag beroepen, volgens het Pseudo-vogelpest arrest afhankelijk van de waardering van tal van omstandigheden. In Van Dijk/Bedaux gaat de Hoge Raad een stap verder. Daar oordeelt de Hoge Raad dat als men niet weet dat men een gebrekkige zaak verkoopt, maar dit als deskundige wel behoort te weten, men zich niet op een exoneratie mag beroepen als men de koper niet op de hoogte stelt van dat gebrek. De overige omstandigheden van het geval hoeven dan niet meer te worden gewaardeerd.
Rijken meent dat gespecialiseerde bedrijven zoals nutsbedrijven, adviesbureaus, aannemers en computerfirma's zich niet alleen als deskundig presenteren, maar dit ook zijn.7 Dat leidt er volgens Rijken toe dat 'wanprestatie aan hun zijde niet zelden spoedig in de buurt komt van een ernstige mate van schuld ...' en 'menige zaak kan reeds op deze basis ten nadele van de exonerant worden beslist:8 Door de woorden 'niet zelden spoedig' en 'menige zaak' te gebruiken, lijkt Rijken te suggereren dat een deskundige leverancier vaak een ernstige mate van schuld te verwijten valt als er iets mis gaat omdat hij deskundig is en zijn exoneratie daarmee per definitie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voorzover Rijken dat suggereert, gaat hij mijns inziens te ver. Ik ben het in zoverre met Rijken eens dat een groot verschil in deskundigheid tussen leverancier en afnemer een belangrijke factor is in het bepalen van de zwaarte van de schuld aan de zijde van de leverancier. Echter, voorzover deze schuld niet is te kwalificeren als opzet of bewuste roekeloosheid van de leverancier of diens bedrijfsleiding, maar 'slechts' als een 'ernstige mate van schuld', is een beroep op de exoneratie niet per definitie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, maar blijven de overige Saladin/HBu-omstandigheden relevant.
Ook in het arrest CARD/CCV, dat overigens mede door Rijken is gewezen, wordt deskundigheid in verband gebracht met de zwaarte van de schuld.9 In dat arrest oordeelt het Hof Arnhem: 'ccv valt als deskundige — immers een gespecialiseerd computercentrum — een ernstig verwijt te maken van de bij CARD ontstane schade ...'.
Tot slot is relevant dat in het arrest Diepop Bossche Vrieshuizen/Nouwens de Hoge Raad een verband aanbrengt tussen de deskundigheid van de leverancier en de zwaarte van zijn schuld. De Hoge Raad schrijft: 'In het licht van dit een en ander ligt de conclusie voor de hand dat Diepop als professionele bewaarnemer zelf heeft gehandeld met een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld en derhalve grove schuld heeft aan het ontstaan van de Cor schade (cursiveringGT ).10