Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/5.5.2
5.5.2 Strafrechtelijke corrigerende interpretaties
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS357119:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Par. 5.2.2, a. Corrigerende interpretatie wordt uitgelegd in hoofdstuk 3, par. 3.5.1; par. 5.2.2, a.
Ook in die zin: Schaffmeister & Heider 1983, p. 444; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 344, 352; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 119; Kelk/De Jong 2013, p. 183. Ook in die zin over interpretatie als alternatief voor omw: Van Eikema Hommes 1980, p. 169; Van Veen 1980, p. 8, 16; De Waard 1985, p. 393; Wolswijk 1998, p. 245; De Hullu 2015, p. 191, 356-359. Over strafuitsluitingsgronden gaat par. 5.3.1.
HR 2 februari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB3474, NJ 1971/385, m.nt. C. Bronkhorst (Kraker). Het arrest wordt ook zo uitgelegd door Van Veen 1980, p. 15; Schaffmeister & Heijder 1983, p. 451; De Waard 1985, p. 393; Wolswijk 1998, p. 245; De Hullu 2015, p. 191, 358. Deze interpretatie is echter niet ‘corrigerend’ omdat ze niet in strijd is met de bewoordingen van de strafbepaling.
Conclusie P-G G.E. Langemeijer.
Over uitzonderingen in dergelijke gevallen gaat par. 5.3.2.
HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001/203, m.nt. J. de Hullu (Van Dijke). Vergelijkbaar is HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9367, NJ 2001/204, m.nt. J. de Hullu. De Hullu beschouwt deze arresten in zijn annotatie hierbij als ‘verdragsconforme interpretatie’ van art. 137c Sr.
De in par. 5.3.2 besproken Rb. Amsterdam 21 mei 2001, ECLI:NL:RBAMS:2001:AB1739, AB 2001/342, m.nt. B.P. Vermeulen; Hof Amsterdam 24 februari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6888; het arrest van het hof in HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5690; Rb. Amsterdam 21 november 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7866.
HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2776, NJ 2002/76, m.nt. J. de Hullu (Danslessen). Groepsbelediging is neergelegd art. 137c Sr, belediging in de artikelen 266 en 267 Sr. De zaak wordt ook besproken in hoofdstuk 3, par. 3.4 en par. 5.2.2.
Hij interpreteerde ‘beledigend’ verdragsconform.
Eerder werd al de plaats van corrigerende interpretaties in het beslissingsmodel van de artikelen 348 en 350 Sv weergegeven, en werd gesteld dat de behoefte van de strafrechter aan uitzonderingen door deze interpretaties beperkt is.1 In deze en de volgende subparagrafen wordt getoond hoe de theorie over corrigerende interpretatie in strafrechtelijke rechtspraak tot uiting komt. Verreweg de meeste voorbeelden komen uit het materiële strafrecht.
Als gezegd wordt corrigerende interpretatie in de doctrine genoemd als alternatief voor een uitzondering op basis van een strafuitsluitingsgrond.2
Interpretatie was volgens de literatuur een alternatief voor de toepassing van omw bij een vervolging voor het kraken van een woning die ‘bij een ander in gebruik’ was (art. 138 Sr).3 Het huis was niet bewoond toen de verdachte het betrad. De Hoge Raad legde het bestanddeel uit als ‘feitelijk als woning in gebruik’, waardoor niet veroordeeld had mogen worden. Artikel 138 Sr beoogt namelijk het huisrecht te beschermen. De verdachte had ook een beroep gedaan op omw (hij zou hebben gekraakt ‘om de overheid op dit gebied tot grotere activiteit te prikkelen’4) maar daarop ging de Hoge Raad niet in – wat hij wellicht ook wist te vermijden doordat zijn interpretatie al leidde tot een billijke beslissing.
Interpretatie is ook een alternatief voor strafrechtelijke uitzonderingen krachtens artikel 94 Gw juncto een grondrecht in een eenieder verbindende verdragsbepaling.5
Verdachte werd verweten toestemming te hebben gegeven tot publicatie van een interview met hem, waardoor hij zich ‘opzettelijk beledigend’ had uitgelaten over een groep mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid (art. 137c Sr).6 In het interview had hij onder meer gezegd: ‘waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?’ Het hof achtte het bestanddeel ‘beledigend’ niet bewezen en sprak vrij: hoewel de uitlating ‘op zichzelf, los van de context’ beledigend was in de zin van artikel 137c Sr omdat zij de waardigheid van een groep mensen miskende, was het hof van oordeel ‘dat de context waarin deze uitlating is geplaatst en de daaruit blijkende kennelijke bedoeling daarvan het beledigende karakter aan die uitlating ontneemt’. In de context van de godsdienstvrijheid werd ‘door de retorische vraag “waarom zou een praktiserende homoseksueel beter zijn dan een dief?” de waardigheid van praktiserende homoseksuelen niet aangetast’; vanwege dat recht, en de uitingsvrijheid mocht verdachte zijn opvatting uitdragen. De Hoge Raad liet het arrest in stand. Een andere optie was geweest het ten laste gelegde met tekstuele argumenten bewezen te verklaren, maar te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat het feit vanwege grondrechten niet strafbaar was, zoals eerder gebeurde.7
De Hoge Raad aanvaardde wel de kunstexceptie van een schrijver die in een reeds beschreven zaak werd verdacht van groepsbelediging en belediging door passages in zijn boek.8 De Hoge Raad noemde de vrijheid van artistieke expressie ‘een wezenlijk kenmerk van een democratische samenleving’ op grond van artikel 10 EVRM, en sprak de verdachte vrij.9