Open normen in het huurrecht
Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/6.2.3:6.2.3 Tussenconclusie
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/6.2.3
6.2.3 Tussenconclusie
Documentgegevens:
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS494987:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de gegeven voorbeelden blijkt dat de drempels die de wet zelf opwerpt (onder meer het feit dat artikel 6:236 BW in beginsel enkel van toepassing is op een natuurlijke, niet vanuit zijn professie handelende, persoon) de contractsvrijheid (en daarmee de ruimte van partijen) goeddeels in stand laat. Zodra de drempels genomen zijn en artikel 6:233 e.v. BW van toepassing moeten worden geacht, is een beding nog niet zonder meer vernietigbaar, ook al levert het de wederpartij (binnen een huurrelatie doorgaans de huurder) nadeel op. Bovendien wordt rekening gehouden met de belangen die een verhuurder heeft bij het beding in kwestie. Ook daar wordt enige mate van ruimte in stand gelaten. In beginsel hebben de (proces)partijen derhalve veel ruimte. Wordt echter voldaan aan artikel 6:236 of 6:237 BW, dan wordt er nagenoeg altijd ingegrepen door de rechter en is sprake van nog maar weinig tot minimale ruimte voor de partijen. ‘Nagenoeg’, omdat artikel 6:237 BW een bewijsvermoeden inhoudt, wat betekent dat de gebruiker van de algemene voorwaarden de rechter ervan zou kunnen overtuigen dat het in het voorliggende geval niet een onredelijk bezwarend beding betreft.
Het voornoemde ingrijpen moet ambtshalve, indien (kort gezegd) de rechter op grond van Nederlandse regels ambtshalve aan de regels van de openbare orde mag toetsen. Dit betreft de meest vergaande beperking van de ruimte van de (proces)partijen, omdat ingegrepen wordt op hun contractuele bepalingen, zelfs zonder dat een partij zich hier expliciet op beroept.