HR, 18-09-2026, nr. 25/02600
ECLI:NL:HR:2026:1491
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-09-2026
- Zaaknummer
25/02600
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:1491, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑09‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2025:1559
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑09‑2026
- Vindplaatsen
NLF 2026/1901 met annotatie van mr. J. van Poppel
Viditax (FutD) 2026091806
NDFR Nieuws 2026/1418
FutD 2026-1644
V-N 2026/41.17 met annotatie van Redactie
NTFR 2026/1626 met annotatie van mr. E.D. Postema
Uitspraak 18‑09‑2026
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02600
Datum 18 september 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 mei 2025, nr. 23/7361., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 21/283) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen en de daarbij geven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], als de Staat, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft conclusies van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.1
Voor het Hof spitste het geschil zich toe op de vragen of (i) de Inspecteur de plicht om belanghebbende in de bezwaarfase te horen heeft geschonden, (ii) de Inspecteur de naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd, (iii) belanghebbende aanspraak kan maken op wettelijke rente ter zake van de door de Rechtbank en het Hof geheven griffierechten die de Inspecteur aan belanghebbende moet vergoeden, en (iv) de door de Rechtbank toegekende vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand waartoe de Inspecteur respectievelijk de Staat zijn veroordeeld vanwege overschrijding van de voor de behandeling van het bezwaar en het beroep als redelijk aan te merken termijn, moet worden verhoogd.
2.1.2
Voor zover de door belanghebbende in dat kader aangevoerde grieven steunden op de door belanghebbende voorgestane uitleg van het Unierecht, heeft het Hof die uitleg verworpen met verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad waarin die uitleg is verworpen.Middel I stelt dat deze oordelen van het Hof kennelijk onjuist zijn, reeds omdat de Hoge Raad die rechtspraak heeft gewezen zonder eerst op de voet van artikel 267 VWEU aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen te stellen over de juiste uitleg van het in die rechtspraak toepasselijke Unierecht. Volgens het middel is het Hof van Justitie bij uitsluiting bevoegd om het Unierecht bindend uit te leggen en is de nationale rechter verplicht om het Unierecht toe te passen in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie. Het Hof mag het Unierecht niet uitleggen en toepassen volgens de rechtspraak van een rechter wiens beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, zoals de Hoge Raad, indien die rechter niet heeft voldaan aan de in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verplichting. Het Hof had daarom de hiervoor bedoelde grieven niet mogen verwerpen zonder eerst zelf op de voet van artikel 267 VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
2.1.3
Middel I faalt. Hetgeen de Hoge Raad onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie heeft geoordeeld in de rechtsoverwegingen 3.7.2 en 3.7.3 van zijn arrest van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, brengt buiten redelijke twijfel mee dat artikel 267, derde alinea, VWEU niet eraan in de weg staat dat het Hof, als nationale rechterlijke instantie tegen de beslissingen waarvan het rechtsmiddel van beroep in cassatie openstaat, de door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde grieven wat betreft de uitleg van het Unierecht verwerpt met inachtneming van de rechtspraak van de Hoge Raad daaromtrent, zelfs wanneer de Hoge Raad die rechtspraak heeft gewezen zonder prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te hebben gesteld.
2.2.1
In cassatie staat vast dat in deze procedure de voor de behandeling van het bezwaar en het beroep als redelijk aan te merken termijn met 26 maanden is overschreden. Het Hof heeft de door de Rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoeding van de in verband met die overschrijding geleden immateriële schade ten bedrage van € 2.500 in stand gelaten.
2.2.2
Middel II en middel III klagen erover dat deze vergoeding – in strijd met rechtspraak van het Hof van Justitie – beperkt is gebleven tot een vergoeding die op basis van rechtspraak van de Hoge Raad is berekend naar een vergoeding van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee die redelijke termijn is overschreden.
2.2.3
Middel II en middel III kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 2.3.1 tot en met 2.4.6 van het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1415, ziet de Hoge Raad geen aanleiding over dit geschilpunt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
2.3.1
Middel IV betoogt dat, gelet op de punten 63 tot en met 66 van het arrest van het Hof van Justitie van 29 april 2004, Commissie/Raad, C-338/01, ECLI:EU:C:2004:253, het in rekening brengen van belastingrente bij het naheffen van een nationale belasting zoals de bpm ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto in het Nederlandse kentekenregister, een betalingsmodaliteit inhoudt die onder het bereik van artikel 110 VWEU valt. De in geding zijnde beschikking inzake belastingrente is volgens het middel in strijd met artikel 110 VWEU gegeven. Bpm kan immers nooit van kopers van gelijksoortige, in Nederland geregistreerde motorvoertuigen worden ingevorderd nu deze deel uitmaakt van de koopprijs, en daarmee evenmin belastingrente.
2.3.2
Het middel berust op het standpunt dat bij het aankopen van reeds in Nederland geregistreerde gebruikte motorvoertuigen – anders dan bij soortgelijke gebruikte motorvoertuigen die nog niet in Nederland zijn geregistreerd – de mogelijkheid van het in rekening brengen van belastingrente bij de koper ervan is uitgesloten en dat dit verschil een door artikel 110 VWEU verboden discriminatie oplevert. Dit standpunt wordt verworpen op de hierna volgende gronden.
2.3.3
In rechtsoverweging 4.4.1 van het arrest van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244 (hierna: het arrest van 17 juli 2026) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het buiten redelijke twijfel is dat artikel 110 VWEU lidstaten ruimte laat om in hun rechtsorde voor de belastingautoriteiten de mogelijkheid te scheppen een door middel van voldoening op aangifte geheven bedrag aan belasting te corrigeren indien die autoriteiten vaststellen dat het door de belastingplichtige berekende en betaalde bedrag aan verschuldigde belasting te laag is geweest. Blijkens rechtsoverweging 4.4.2 van dat arrest is ook buiten redelijke twijfel dat het risico van naheffing van bpm dat kopers van een uit een andere lidstaat overgebracht, tweedehands motorvoertuig moeten dragen, niet kan worden beschouwd als een verboden verschil in heffingsmodaliteit zoals bedoeld in de in rechtsoverweging 4.3 van het arrest van 17 juli 2026 bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 110 VWEU.
2.3.4
Op grond van artikel 30h AWR wordt met betrekking tot naheffingsaanslagen ter zake van bpm rente – belastingrente – in rekening gebracht aan degene aan wie de naheffingsaanslag is opgelegd, ingeval de naheffingsaanslag is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. Het in rekening brengen van belastingrente vindt zijn grondslag in de vaststelling dat het opleggen van de naheffingsaanslag in de bpm door toedoen van de belastingplichtige te lang is uitgebleven.2.Van de belastingplichtige mag worden verlangd dat hij tijdig het verschuldigde belastingbedrag volgens de toepasselijke voorschriften voldoet. Het is buiten redelijke twijfel dat lidstaten aan het niet tijdig op aangifte voldoen van een nationale belasting zoals de bpm, het gevolg mogen verbinden dat bij het naheffen van die belasting rente in rekening wordt gebracht, voor zover de betaling van die rente niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van juiste inning van belasting en het voorkomen van fraude te bereiken.3.Het in rekening brengen van belastingrente bij niet-tijdige voldoening op aangifte van bpm kan dan ook niet worden aangemerkt als bescherming van binnenlands geregistreerde motorvoertuigen ten opzichte van uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuigen.
2.3.5
De stelling van middel IV dat bij aankopen van reeds in Nederland geregistreerde gebruikte motorvoertuigen – anders dan bij soortgelijke gebruikte motorvoertuigen die nog niet in Nederland zijn geregistreerd – de mogelijkheid van het in rekening brengen van belastingrente is uitgesloten, is juist. Evenals geldt voor het opleggen van de naheffingsaanslag in de bpm (zie rechtsoverweging 4.4.2 van het arrest van 17 juli 2026) wordt dit verschil veroorzaakt doordat ter zake van in Nederland geregistreerde gebruikte motorvoertuigen eventueel in rekening gebrachte belastingrente al is betaald door een ander dan de hiervoor bedoelde koper. Dat kopers van een uit een andere lidstaat overgebracht, tweedehands motorvoertuig bij naheffing van bpm op de voet van artikel 30ha, lid 1, AWR belastingrente moeten betalen, kan daarom niet worden beschouwd als een verboden verschil in heffingsmodaliteit zoals bedoeld in de in rechtsoverweging 4.3 van het arrest van 17 juli 2026 bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 110 VWEU.Middel IV faalt dus ook.
2.3.6
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.3 tot en met 2.3.5 is overwogen, roept middel IV over de uitlegging van artikel 110 VWEU geen vragen op die niet aan de hand van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie zonder ruimte voor redelijke twijfel kunnen worden beantwoord, dan wel is – voor zover rechtspraak daarover ontbreekt – de beantwoording van die vragen zo evident dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan.
2.4.1
Het Hof heeft belanghebbende met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) een vergoeding toegekend van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase, de fase van beroep en de fase van hoger beroep. In hetgeen belanghebbende daartoe heeft aangevoerd, heeft het Hof geen aanleiding gezien hem een volledige vergoeding van de hiervoor bedoelde kosten toe te kennen, laat staan volgens de bedragen waarop belanghebbende aanspraak maakte. Zowel middel V als middel IX klaagt over deze oordelen van het Hof.
2.4.2
Middel V en middel IX kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 4.8.2 tot en met 4.10.6 van het arrest van 17 juli 2026 ziet de Hoge Raad geen aanleiding over dit geschilpunt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
2.5
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst van deze beoordeling is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Hierbij verdient opmerking dat wat betreft deze overige klachten het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil in cassatie, dan wel voor zover het Unierecht dat wel is, al in voorgaande rechtsoverwegingen van dit arrest is uiteengezet waarom de Hoge Raad afziet van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑09‑2026
Vgl. Kamerstukken II 1986/87, 19 557, nr. 16, blz. 3.
Vgl. met betrekking van de inning van vertragingsrente wanneer btw niet binnen de dwingende termijnen wordt betaald, HvJ 13 oktober 2022, MC, C-1/21, ECLI:EU:C:2022:788, punten 88 tot en met 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Beroepschrift 18‑09‑2026
Hoge Raad der Nederlanden
Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
[…] 2 september 2025
Kenmerk verweerder; […]
Procedurenummer rechtbank; HAA 21/283 BPM WAL1
Procedurenummer gerechtshof; BK-AMS 23/00736
Procedurenummer Hoge Raad; 25/2600
Betreft; cassatieberoep
CASSATIEBEROEP
[…]
Gemachtigde: | A.F.M.J. Verhoeven |
Kantooradres Nederland: | […] |
Postadres: | […] |
optredende als gemachtigde voor:
Belanghebbende: | […] |
Wonende te: | […] |
Hierna te noemen; Belanghebbende of […]
In cassatie tegen de beslissing van de Inspecteur der Rijksbelastingen, in cassatie verte genwoordigd door:
De publiekrechtelijke rechtspersoon: | Staatssecretaris van Financiën |
Kantoorhoudende te: | Korte Voorhout 7, 2511 CW DEN HAAG; |
Hierna te noemen; Inspecteur of Staatssecretaris;
Edelhoogachtbaar college, geachte voorzitter,
Hierbij stuur ik Uw Raad de gronden van het cassatieberoep.
Feiten en totstandkoming van het geding.
1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag registratiebelasting (BPM) opgelegd voor een uit een 2-tal uit andere lidstaat afkomstige, gebruikte voertuigen van het merk Ford, type Kuga, Nederlands kenteken […] en BMW M135i, Nederlands kenteken […].
2.
Bij brieven van 10 mei 2019 legt de heffende autoriteit een naheffingsaanslag BPM op voor onderhavig voertuig ten bedrage van € 7.424,00, vermeerderd met € 316,00 belastingrente en € 741,00 boete, totaal € 8.481,00 omdat de voertuigen door de contractant van verweerder aan een (subjectieve) belastingcontrole zijn onderworpen.
3.
Belanghebbende is niet voorafgaande aan het opleggen van de naheffingsaanslag door verweerder in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten.
4.
Het gerechtshof in Amsterdam, ‘oordeelt’ kort gezegd dat belanghebbende vooral grieven van algemene aard aanvoert, die reeds door Uw Raad zijn uitgelegd en belanghebbende daarom ‘tegen beter weten in’ procedeert en om die reden de nahef fingsaanslag in stand blijft.
5.
Ook geeft dit gebleken, kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke gerechtshof in Amsterdam uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, zulks met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid (Hof van Justitie, 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72), waardoor reeds om die reden de gegeven zelfstandige oplossing a priori rechtsongeldig en onverbindend is en geen gezag van gewijsde kan krijgen en geen kracht van gewijsde kan krijgen.
6.
Het gerechtshof miskend geheel, zoals gebruikelijk in het Koninkrijk der Nederlanden, dat hij en Uw gebleken kennelijk partijdige en gebleken kennelijk afhankelijke Raad buiten elke mogelijke twijfel verheven, a priori niet bevoegd is die gegeven uit legging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie te geven en wanneer hij dat wel doet, zoals in casu, deze uitlegging a priori rechtsongeldig en onverbindend is.
7.
Het gerechtshof is de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitleg ging van het Unierecht en heeft tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof van Justitie geschonden.
8.
Door de zaak te beslissen met toepassing met voorrang van nationale bepalingen op het recht van de Unie is het gerechtshof Amsterdam, als onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.
9.
Gelet op het voorgaande lijdt het al met al geen enkel mogelijke twijfel dat het gerechtshof in Amsterdam niet kan worden aangemerkt als een onafhankelijk en onpartijdig ‘gerecht dat bij wet is ingesteld’, zoals vereist door artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en bevestigd door artikel 47 van het Handvest. Deze tekortkoming doet immers afbreuk aan het gewettigd vertrouwen van de justitiabelen in het vermogen van de nationale rechterlijke instanties om het Unierecht overeenkomstig de Europese normen toe te passen, en ondermijnt aldus de integriteit en de doeltreffendheid van de rechtsorde van de Unie.
10.
Vooraf.
11.
Het gerechtshof in Amsterdam — buiten elke redelijke twijfel verheven, gezien de wijze waarop hij uitspraak doet — geen onafhankelijk en onpartijdig ‘gerecht dat bij wet is ingesteld’, zoals vereist door artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en bevestigd door artikel 47 van het Handvest, legt uit dat de gevolgen van het niet eerbiedigen van de redelijke procestermijn, voor belastingzaken inzake de heffing van registratiebelasting, zoals gecodificeerd in artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, ongedaan gemaakt moeten worden en dat voor de uitlegging van de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, aangesloten moet worden bij de met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid, zonder enige wettelijke bevoegdheid gegeven uitlegging van de Hoge Raad der Nederlanden en dat het niet aanvaarden van die uiterst ernstige, zeer grootschalige, structurele en categorische schendingen van de meest fundamentele rechtsstaatbeginselen door de Hoge Raad der Nederlanden er toe leiden dat belanghebbende ‘tegen beter weten in’ procedeert en daarmee al zijn uit het Unierecht zelf voortkomende aanspraken komen te vervallen.
12.
Dat bevestigt niet alleen het intense gebrek aan enige onafhankelijkheid en onpartijdigheid, maar bevestigt tevens — buiten elke mogelijke twijfel verheven — dat de beslissing van het gerechtshof van dien aard is dat bij de justitiabelen legitieme twijfel kan ontstaan over de vraag of deze instantie niet gevoelig is voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of deze instantie onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen, en, derhalve, ertoe kunnen leiden dat deze instelling niet de indruk geeft onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving bij deze justitiabelen moet wekken.
13.
Het gerechtshof weet immers — zoals tot op heden altijd bevestigt door Uw Raad — die daarmee tevens vastgesteld zij geen onafhankelijk en onpartijdig ‘gerecht dat bij wet is ingesteld’, zoals vereist door artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU — dat er zoals in casu weer € 10.000,00 in de staatskas vloeit.
14.
Ik zal uw bewezen en aangetoond kennelijk partijdig en afhankelijk gebleken Raad — die 37 jaar lang in uiterst ernstige strijd met het recht van de Unie toepassing heeft gegeven aan artikel 81, lid 1 RO en zich daarmee volgens nationale bepalingen met voorrang toe te passen op het recht van de Unie ‘rechtmatig voor het oog van het kerkvolk’ onttrok aan zijn wettelijke verwijzingsplicht ex. artikel 267, derde alinea VWEU — even uiteenzetten hoe het had gemoeten en waarom Uw Raad — hoewel gebleken afhankelijk en gebleken partijdig, de zaak moet casseren en terug moet verwijzen voor inhoudelijke behandeling naar een ander gerechtshof, dat uiteraard ook buiten elke mogelijke twijfel verheven evenzeer afhankelijk en evenzeer partijdig is gebleken.
Nationale bepalingen.
15.
De nationale bepalingen die zijn toegepast door het kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijk gerechtshof in Amsterdam, zijn o.m. gelegen in de Wet BPM 1992, de Algemene wet bestuursrecht en met bij gebrek aan nationale wet- en regelgeving inzake de schadevergoeding als gevolg van de schending van de redelijke procestermijn ex. artikel 47 Handvest, de door Uw gebleken, kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Raad gegeven uitlegging met misbruik van bevoegdheid, zich onrecht matig onttrekkend aan zijn wettelijke verwijzingsplicht, daarmee tot uiting brengend de zeer zorgwekkende weigering over de toezegging van het Koninkrijk der Neder landen om de rechtsgevolgen van haar toetreding tot de Unie te aanvaarden.
Unierechtelijke bepalingen.
16.
In artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie wordt bevestigd dat eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
17.
Opgemerkt zij dat een door een lidstaat op de registratie van motorvoertuigen op zijn grondgebied met het oog op het in het verkeer brengen ervan geheven belasting, een binnenlandse belasting vormt en dus aan artikel 110 VWEU moet worden getoetst (zie in die zin arrest van 7 april 2011, Tatu, C-402/09, Jurispr. blz. 1-2711, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18.
Middels artikel 51, lid 1 Handvest kan belanghebbende succesvol een beroep doen op de rechtsbescherming van het Handvest.
19.
Verder heeft het Hof gepreciseerd dat artikel 47 van het Handvest op zichzelf volstaat en niet hoeft te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen [arresten van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 78, en 20 februari 2024, X (Geen motivering van de beëindiging), C-715/20, EU:C:2024:139, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
20.
Artikel 47 Handvest is weliswaar niet absoluut, maar kan slechts worden beperkt door de limitatieve bepalingen van artikel 52, lid 1 Handvest.
21.
Artikel 267, derde alinea VWEU bepaald dat wanneer Uw gebleken, kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Raad een vraag van Unierecht krijgt voorgelegd, het bestaan van een vraag van uitlegging moet worden erkend, telkens wanneer een aspect of een onderdeel van de materie in geding door gemeenschapsrecht wordt beheerst (ongeacht de ernst van de daardoor opgeroepen twijfel) en de rechter in laatste aanleg zich daarover moet uitspreken om zijn vonnis te kunnen wijzen, het geen verschil maakt of het probleem wordt opgeworpen door partijen dan wel wordt onderkend door de rechter, zoals ook het standpunt van partijen (overeenstemming of meningsverschil over het betrokken punt) geen rol speelt en het is uitgesloten dat de rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld.
22.
Uw Raad is daarvan slechts vrijgesteld wanneer wordt voldaan aan de (3) uitzonde ringen uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie sinds 6 oktober 1982, Cilfit, EU:C:1982:335, laatstelijk herhaald door het Hof van Justitie in zijn arrest van 15 oktober 2024, Kubera, EU:C:2024:881, r.o. 36 en 62.
De uitspraak op bezwaar.
23.
De uitspraak op bezwaar is gegrond verklaard, de boete van € 741,00 is vernietigd en er is een vergoeding toegekend van € 261,00 voor advisering, verdediging en vertegenwoordiging .
De uitspraak op het beroep.
24.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, kent een immateriële schadevergoeding toe van € 2.500,00 wegens het niet eerbiedigen van de redelijke proces termijn, een proceskostenvergoeding van € 837,00 en gelast een terugbetaling van griffierecht in beroep van € 181,00 (ook geheven).
De uitspraak op het hoger beroep.
25.
Het gerechtshof verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond, verminderd de aanslag tot € 6.789,00, kent een proceskostenvergoeding toe van € 1.407,50.
26.
Het gerechtshof gelast terugbetaling griffierecht € 274,00 zonder rentevergoeding. Dat bedrag is ook geheven.
Rechtspraak van het Hof van Justitie.
Met betrekking tot artikel 110 VWEU.
27.
Sinds het arrest van 16 juni 1966, Alphons Lütticke GmbH, 57/65, EU:C: 1966:34, is het vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat artikel 110 VWEU rechtstreeks en met voorrang doorwerkt in de nationale rechtsorden en niet hoeft te worden verduidelijkt door nationale bepalingen om voor justitiabelen (particulieren in 1966, red. JV) rechten doen ontstaan.
28.
In zijn arrest van 16 juni 1966, Alphons Lütticke, 57/65, EU:C: 1966:34 heeft het Hof van Justitie uitgelegd dat artikel 110 VWEU juridisch perfect is en alzo direct en rechtstreeks doorwerkt in de nationale rechtsorden en geen rechtvaardigingsgronden kent.
29.
Een door een lidstaat op de registratie van motorvoertuigen op zijn grondgebied met het oog op het in het verkeer brengen ervan geheven belasting, vormt een binnenlandse belasting en dus aan artikel 110 VWEU moet worden getoetst (zie in die zin arrest van 7 april 2011, Tatu, C-402/09, Jurispr. blz. 1-2711, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30.
Overwegende dat bij de toepassing van artikel 110 VWEU niet slechts moet worden gelet op het tarief van de binnenlandse belasting die al dan niet rechtstreeks op nationale en ingevoerde producten wordt geheven, doch ook op de grondslag en de hef fingsmodaliteiten ervan.
31.
Dat zodra verschillen in dit opzicht ertoe kunnen leiden dat het ingevoerde product in hetzelfde stadium van productie of verhandeling hoger wordt belast dan het gelijksoortige nationale product, inbreuk wordt gemaakt op het verbod van artikel 110 VWEU (Hof van Justitie, Ianelli/Volpi, 22 maart 1977, EU:C:1977:51).
32.
Het Hof van Justitie heeft deze rechtspraak later verfijnd en verder gepreciseerd en eraan toegevoegd dat er ook een schending van artikel 110 VWEU wordt vastgesteld bij verschillende betalingsmodaliteiten of toepassing van verschillende modaliteiten ten nadele van importvoertuigen die daardoor worden benadeeld, hetgeen een kennelijke schending van artikel 110 VWEU oplevert.
Met betrekking tot artikel 47 Handvest.
33.
In artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie wordt bevestigd dat eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
34.
Verder heeft het Hof gepreciseerd dat artikel 47 van het Handvest op zichzelf volstaat en niet hoeft te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen (arresten van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 78, en 20 februari 2024, X (Geen motivering van de beëindiging), C-715/20, EU:C:2024:139, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35.
Artikel 47 Handvest is weliswaar niet absoluut, maar kan slechts worden beperkt door de limitatieve bepalingen van artikel 52, lid 1 Handvest.
36.
In zijn arrest van 26 november 2013, Gascogne, EU:C:2013:770, r.o. 96 verklaart het Hof voor recht dat een schending van de redelijke procestermijn (ex. artikel 47, tweede alinea Handvest) een voldoende gekwalificeerde schending is;
- ‘96.
Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de voor het Gerecht gevoerde procedure schending van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest oplevert, doordat het in strijd heeft gehandeld met de vereisten rond de inachtneming van de redelijke procestermijn, hetgeen een voldoende gekwalificeerde schending vormt van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen (arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C 352/98P, Jurispr. blz. I 5291, punt 42).’
37.
Elke particulier die schade lijdt ten gevolge van een schending van het Unierecht, zodra is voldaan aan de drie Francovich-voorwaarden, recht op een volledige vergoeding. De toekenning van iets wat volledige vergoeding ten minste benadert, is immers noodzakelijk om de volstrekte doeltreffendheid van het Unierecht te garanderen, zoals het beginsel van voorrang van het Unierecht dat verlangt en gelet op het in artikel 47, lid 1, van het Handvest bepaalde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte.
Ten aanzien van de schadevergoeding wegens een voldoende gekwalificeerde schending.
38.
Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, in o.m. zijn zaken Factortame, Basserie du Pecheur e.a… dat wanneer sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van bepalingen van Unierecht, zoals bij het niet eerbiedigen van de redelijke procestermijn ex. artikel 47, tweede alinea, geen enkele (potentiële) schade kan worden uitgesloten. Zie o.m. Hof van Justitie, 5 maart 1996, Brasserie du Pêcheur, EU:C:1996:79;
- ‘79.
Hieruit volgt, dat de verplichting tot vergoeding van de aan particulieren veroorzaakte schade niet afhankelijk kan worden gesteld van een voorwaarde ontleend aan het schuldbegrip, die verder gaat dan de voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht. Werd immers een dergelijke bijkomende voorwaarde gesteld, dan zou het recht op schadevergoeding dat op de communautaire rechtsorde is gebaseerd, opnieuw ter discussie worden gesteld.
- 80.
Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat hij in het kader van de nationale wettelijke regeling die hij toepast, de schadevergoeding niet afhankelijk kan stellen van het bestaan van schuld (opzet of onzorgvuldigheid) bij het overheidsorgaan waaraan de schending is toe te rekenen, die verder gaat dan de voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht.’
39.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie kan de verplichting tot vergoeding van de aan particulieren veroorzaakte schade niet afhankelijk kan worden gesteld van een voorwaarde ontleend aan het schuldbegrip, die verder gaat dan de voldoen de gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht.
40.
Ook kan de verplichting tot vergoeding van de aan particulieren veroorzaakte schade niet afhankelijk kan worden gesteld middels de onverenigbaarheid van een nationale regel op grond waarvan die schade slechts kan worden vergoed bij overschrijding van een drempel van ernst van de ernst van de schade (Hof van Justitie, 4 mei 2023, Osterrecihische Post AG, EU:C:2023:370).
Bevoegdheidsverdeling tussen het Hof van Justitie en nationale rechterlijke instanties.
41.
Voor de hoedanigheid van lidstaat moet een staat zich aansluiten ‘bij een juridische constructie die berust op de fundamentele premisse dat elke lidstaat met alle andere lidstaten de in artikel 2 VEU bepaalde gemeenschappelijke waarden deelt waarop de Unie berust, en dat elke lidstaat erkent dat de andere lidstaten deze waarden met hem delen’.
42.
Uiteraard kan een staat niet worden gedwongen om tegen zijn wil tot de Unie toe te treden. Wanneer hij echter de soevereine keuze maakt om tot de Unie toe te treden, moet hij zich houden aan de ‘spelregels’ overeenkomstig artikel 49 VEU, dat de lid staten verplicht om de waarden van de Unie na hun toetreding te eerbiedigen — waarden die zij vrij en met volledige kennis van zaken hebben aanvaard.
Of, zoals de voltallige zitting — de meest plechtige formatie van het Hof — in herinnering heeft gebracht, ‘de eerbiediging door een lidstaat van de in artikel 2 VEU vermelde waarden [is] een voorwaarde […] voor het genot van alle rechten die voortvloeien uit de toepassing van de Verdragen op die lidstaat. De eerbiediging van die waarden kan immers niet worden gereduceerd tot een verplichting die een kandidaat-lidstaat enkel moet nakomen om tot de Unie toe te treden en die hij na zijn toetreding naast zich neer kan leggen’.
43.
Bij de toetreding tot de Unie hebben de lidstaten definitief en onomkeerbaar bevoegdheden overgedragen aan de Unie, ter bereiking van gemeenschappelijke doelen, waaronder de in artikel 267, eerste alinea, onder letter a VWEU gecodificeerde bevoegdheidsoverdracht aan het Hof van Justitie om exclusief en bij uitsluiting bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie.
44.
Het Hof heeft benadrukt dat het, aangezien het bij uitsluiting bevoegd is om het Unierecht bindend uit te leggen, bij de uitoefening van deze bevoegdheid de draag wijdte van het beginsel van voorrang van het Unierecht dient te verduidelijken in het licht van de relevante Unierechtelijke bepalingen, zodat deze draagwijdte niet kan afhangen van de uitlegging van nationale bepalingen of van de uitlegging die een nationale rechter aan Unierechtelijke bepalingen geeft en die niet strookt met die van het Hof (arrest RS (punt 52 en 72), en arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C-204/21, EU:C:2023:442, punt 79).
45.
De rechterlijke organisatie in de lidstaten valt immers weliswaar onder hun eigen bevoegdheid, maar neemt dit niet weg dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen in acht moeten nemen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht en, in het bijzonder, uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.
46.
Meer in het bijzonder merk ik op dat in de rechtspraak van het Hof een verband wordt gelegd tussen de vereisten van een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht en het beginsel van voorrang. Het juridische pad is welbekend: artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU legt de lidstaten een duidelijke en nauwkeurige resultaatsverplichting op waaraan geen enkele voorwaarde is verbonden, zodatiederenationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is aangezocht, verplicht is iedere nationale bepaling die strijdig is met een bepaling van het Unierecht met rechtstreekse werking, zoals voornoemd artikel 19, in het geschil dat aan hem is voorgelegd buiten toepassing te laten.
47.
In dat verband zij eraan herinnerd dat de algemene idee dat de toepassing van het beginsel van voorrang aanleiding kan geven tot een omkering van de nationale rechterlijke hiërarchie teruggaat tot het arrest Simmenthal en op het gebied van de rechtsstaat is bevestigd in het arrest RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof).
Ten gronde.
Middel I.
48.
Als eerste middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht, meer in het bijzonder het recht van de Unie, artikel 19, lid 1, tweede alinea VEU, bevestigt in artikel 47 Handvest, artikel 49 VEU en artikel 344 VWEU, doordat het gerechtshof in Amsterdam de op haar rusten wettelijke verplichting krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof heeft geschonden door uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald de bevoegdheidsverdeling tussen het Hof van Justitie en de nationale rechterlijke instanties, door uit te leggen dat de klachten aangaande de onbevoegde uitlegging van de rechtbank aangaande de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie falen, doordat het gerechts hof dat heeft uitgelegd in zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184.
49.
Het gerechtshof legt uit dat om die reden evenmin aanleiding is om te concluderen dat van belanghebbende ten onrechte dan wel te veel registratiebelasting (BPM) is geheven.
Toelichting.
50.
Hoe ongekend ernstig kan het wel niet worden zou ik me af willen vragen met de volstrekte anarchie jegens het recht van de Unie, zoals in het Koninkrijk der Nederlanden?
51.
Belanghebbende klaagt — onder verwijzing naar duidelijke en consistente uitlegging door het Hof van Justitie aangaande de bevoegdheidsverdeling, zoals die als gevolg van de overdracht van bevoegdheden bij toetreding tot de Unie door het Koninkrijk der Nederlanden tot stand is gekomen en impliceert dat na de toetreding tot het de Unie een aansluiting bij een juridische constructie die berust op de fundamentele premisse dat elke lidstaat met alle andere lidstaten de in artikel 2 VEU bepaalde gemeenschappelijke waarden deelt waarop de Unie berust, en dat elke lidstaat erkent dat de andere lidstaten deze waarden met hem delen — is uitgelegd in o.m. zijn arresten van 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72 en zijn arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C-204/21, EU:C:2023:442, punt 79), dat de rechtbank treedt op het exclusieve domein van de Unierechter, door o.m. uit te leggen dat de juistheid en de hoogte van de heffing van registratiebelasting rechtsgeldig en verbindend kan worden uitgelegd door de Hoge Raad der Nederlanden, die dus kennelijk — buiten elke mogelijke twijfel verheven — niet bevoegd is.
52.
Het gerechtshof wijst die klacht af onder verwijzing — met voorrang op het recht van de Unie — naar zijn eigen onbevoegde en rechtsongeldige uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie in zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:3184, r.o. 4.4;
Oordeel Hoge Raad | Vindplaats | |
|---|---|---|
1. | Er kan alleen aanspraak op in een koerslijst voorziene vermindering vanwege een huurverleden (‘ex rental’) worden gemaakt indien de importauto daadwerkelijk een huurverleden heeft. | HR 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR: 2020:331 |
2. | Het Unierecht staat niet in de weg aan interne compensatie, ook niet indien de belastingplichtige een fout heeft gemaakt in zijn nadeel als gevolg van een miskenning van het Unierecht. | HR 27 mei 2022, nr. 21/02977, ECLI:NL:HR: 2022:752 |
3. | De toegang tot de rechter wordt niet ontoelaatbaar beperkt door de heffing van griffierecht. Het arrest Kantarev, C-571/16 brengt niet met zich dat het griffierecht moet worden beperkt tot maximaal 4 procent van de in geding zijnde vordering. | HR 11 oktober 2019, nr. 18/04973, ECLI: NL: HR: 2019:1579 |
4. | Een verzoek om vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure hoeft niet te worden behandeld door andere rechters. | HR 19 april 2019, nr. 9 18/01623, ECLI:NL:HR: 2019:623 |
5. | Kentekengegevens behoren niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb indien de inspecteur niet over deze gegevens beschikt en daar ook niet over heeft beschikt. | HR 15 juli 2022, nr. 21/02565 ECLI: NL: HR: 2022:1087 |
6. | Het bepaalde in artikel 28c Invorderingswet is niet in strijd met het Unierecht. De belastingrechter is vanaf 1 januari 2015 niet meer bevoegd de inspecteur te gelasten (Irimie-)rente te vergoeden. | HR 28 september 2018 nr. 17/01724 ECLI: NL: HR: 2018:1790 |
7. | Indien een belastingplichtige zich beroept op een vermindering van belasting rust op hem de bewijslast, zowel bij een voldoening op aangifte als bij een naheffingsaanslag. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. | HR 17 januari 2020, nr. 18/03802 ECLI: NL: HR: 2020:63 HR 20 mei 2022, nr. 19/04563, ECLI: NL: HR: 2022:640 |
8. | De forfaitaire regeling voor de vergoeding van proceskosten is niet in strijd met het Unierecht. | HR 3 mei 2016, nr. 15/02138, ECLI: NL: HR: 2016:833 HR 17 december 2004, C03/114HR, ECLI:NL:HR:2004: AQ3810 |
9. | De regel dat — behoudens tegenbewijs — 72% van de kosten van schadeherstel in aanmerking mag worden genomen voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde van een auto met meer dan normale gebruiksschade, zoals vastgelegd in bijlage I bij de Uitvoeringsregeling bpm (par 3.5), is niet in strijd met artikel 110 VWEU. | HR 12 juli 2019, nr. 18/02955, ECLI:NL:HR: 2019:1084 |
10. | De heffings- en betalingsmodaliteiten voor de heffing van bpm van importvoertuigen zijn niet ongunstiger dan voor binnenland se voertuigen. Van strijdigheid met artikel 110 VWEU is daarom geen sprake. | HR 23 september 2022, 21/02358, ECLI:NL: HR: 2022:1277 |
‘Grieven van de zijde van belanghebbende
4.4.
Belanghebbende heeft in de onderhavige hoger beroepen diverse grieven aangevoerd die door de Hoge Raad reeds zijn verworpen. Het betreft de volgende arresten:
De gemachtigde van belanghebbende blijft deze oordelen van de Hoge Raad telkenmale bestrijden, of althans de verworpen grieven herhalen, omdat hij meent dat de Hoge Raad over deze kwesties niet had mogen beslissen zonder eerst op de voet van artikel 267 VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Het betoog van belanghebbende, inhoudende dat de Nederlandse rechter — en dus ook de Hoge Raad — niet bevoegd is het Unierecht zelf uit te leggen, miskent echter de werking van het Unierecht en de rol die het stellen van prejudiciële vragen daarin speelt. De nationale rechter is juist gehouden het Unierecht zelf toe te passen. Het standpunt dat de Nederlandse belastingrechters in dezen in strijd handelen met het verbod op uitleg van het Unierecht berust op een onjuiste lezing van het CILFIT-arrest (HvJ 6 oktober 1982, Sri CILFIT e.a., 283/91, ECLI:EU:C:1982:335). In al hetgeen belanghebbende in de loop van de procedures over voormelde kwesties heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om anders te oordelen dan de Hoge Raad en evenmin om daarover prejudiciële vragen te stellen op de voet van artikel 267 VWEU.’
53.
Het gerechtshof vat de klachten van belanghebbende over de onbevoegde uitlegging samen in 10 klachten, waaronder de gevolgen voor de hoogte en instandhouding van de naheffingsaanslag BPM, de heffing van griffierecht voorafgaande aan de inleiding van het geschil, de vergoeding van rente wegens in strijd met het recht van de Unie geheven belasting, e.a. en noemt de arresten van Uw gebleken, buiten elke mogelijke twijfel verheven, kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Raad.
54.
Het gerechtshof stelt aldus kennelijk onjuist vast dat Uw Raad bevoegd was de uit legging te geven die Uw Raad heeft gegeven in de gestipuleerde uitspraken van Uw kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Hoge Raad der Nederlanden en dat de gegeven uitspraken rechtmatig en regelmatig tot stand zijn gekomen, rechtsgeldig zijn, verbindend zijn en gezag van gewijsde hebben verkregen.
55.
Door de geldigheid van deze a priori ongeldige en a priori onverbindende uitspraken van Uw gebleken en aangetoond kennelijk afhankelijke Raad te betwisten, stelt het gerechtshof, handelt belanghebbende ‘tegen beter weten in’ en moet hij ‘als straf’ de toegekende schadevergoeding terugbetalen aan de heffende autoriteit en blijft de opgelegde naheffingsaanslag waartegen gegriefd wordt, behoudens 1 schending van artikel 110 VWEU, in stand.
56.
De door het gerechtshof in Amsterdam gestipuleerde uitspraken van Uw gebleken kennelijk afhankelijke en kennelijk partijdig gebleken Raad — buiten elke mogelijke twijfel verheven — hebben het volgende gemeen.
57.
In alle 10 de uitspraken werd het bestaan van een vraag van uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie door Uw Raad erkend, terecht, doordat de zaak door 1 of meerdere aspecten of een onderdelen van de materie in geding was die door het recht van de Unie werd beheerst, en die ongeacht de ernst van de daardoor opgeroepen twijfel werd voorgelegd aan Uw Raad en waarover Uw Raad zich daarover moest uitspreken om zijn vonnis te kunnen wijzen, waarbij het geen verschil maakte of het probleem wordt opgeworpen door partijen dan wel wordt onderkend door de rechter, zoals ook het standpunt van partijen (overeen stemming of meningsverschil over het betrokken punt) geen rol speelt en waarbij het is uitgesloten dat de Uw Raad over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld.
58.
Desondanks onttrok Uw Raad zich — geheel onrechtmatig en geheel onregelmatig, kennelijk om hem moverende redenen die (veel) verder gaan dan het technische kader over de juiste toepassing van het recht van de Unie, aan zijn wettelijke verwijzingsplicht ex. artikel 267, derde alinea VWEU, zoals grootschalig het geval is, categorisch en structureel bij Uw Raad en gaf uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en legde uit dat de opgeworpen klachten over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie niet tot cassatie konden leiden en doorgaans legde Uw gebleken kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Raad uit dat de nationale bepalingen en toepassingen van die bepalingen in kwesties aangaande de heffing van registratiebelasting niet in strijd waren met het recht van de Unie, niet zelden 180 graden haaks op de vaste rechtspraak van het Hof van Jus titie.
59.
Daarmee staat de (uiterst ernstige) onrechtmatigheid kennelijk vast, Uw Raad onttrok zich aan zijn wettelijke verwijzingsplicht ex. artikel 267, derde alinea VWEU, trad op het exclusieve domein van de Unierechter door uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie (b.v. ‘het naheffen na het belastbaar feit is niet in strijd met artikel 110 VWEU’), de schendingen vilein, gemeen en met schending van alle denkbare fundamentele rechtsstaatbeginselen buiten het zicht houdend van de exclusief en bij uitsluiting bevoegde rechter, de Unierechter, toonde elk gebrek aan loyaliteit, respect en integriteit, dat de uitspraken onrechtmatig en onregelmatig, met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand zijn gekomen, nu Uw Raad getreden is op exclusieve domein van de Unierechter, namelijk de bevoegdheid om bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie.
60.
Uw Raad heeft ook niet draagkrachtig, verzwaard en uitvoerig gemotiveerd dat de gegeven zelfstandige oplossing buiten elke redelijke twijfel verheven even evident was voor rechters in andere lidstaten en het Hof van Justitie, ondanks dat het Hof dat heeft uitgelegd in zijn vaste rechtspraak vanaf Cilfit, laatstelijk herhaald in o.m. zijn uitspraken van 28 juli 2016, Association France Nature Environnement, EU:C:2016:603, r.o. 53, Consorzio Italian Management, 6 oktober 2021, EU:C:2021:799,r.o. 51 en Kubera, 15 oktober 2024, EU:C:2024:881, r.o. 36 en 62.
61.
De onrechtmatigheid is kennelijk en uiterst ernstig en bevestigt in volle omvang dat de Hoge Raad der Nederlanden handelt op een wijze die zeer, zeer, zeer zorgwekkend is en twijfel oproept over de toezegging van het Koninkrijk der Nederlanden om de rechtsgevolgen van haar toetreding tot de Unie te aanvaarden.
62.
Bijgevolg verbieden de voornoemde arresten van het Hof van Justitie, dat een ongekende rebellie vormt, alle Nederlandse overheidsorganen, daaronder begrepen rechterlijke instanties die het Unierecht moeten toepassen, om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de beginselen van voorrang, autonomie en doeltreffendheid van het Unierecht en die erop gericht zijn de volle werking van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 2 VEU, te verzekeren.
63.
De zelfstandige onrechtmatige afdoening van de 10 gestipuleerde zaken door het gerechtshof Amsterdam opgesomd en uitgewerkt in zijn uitspraak van 26 september 2023 schendt derhalve ook de bindende werking van de arresten van het Hof, een essentieel onderdeel van de rechtsorde van de Unie.
64.
Bijgevolg ben ik op basis van de niet-betwiste feiten van mening dat de procedures die het gerechtshof Amsterdam duidt, waarbij Uw Raad zich met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid en met schending van alle denkbare fundamentele rechtsstaatbeginselen uitlegging geeft over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, zonder blijk te geven dat de gegeven zelfstandige oplossing even evident is voor het Hof van Justitie en rechters in andere lidstaten werden gekenmerkt door verschillende onregelmatigheden die als ‘kennelijk en uiterst ernstig’ kunnen worden aangemerkt.
65.
Gelet op het voorgaande kan onmogelijk anders worden vastgesteld dat het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU op haar rustende verplichting niet is nagekomen, namelijk door niet ervoor te hebben gezorgd dat de Hoge Raad der Nederlanden (en gerechtshof Amsterdam) voldoet aan het vereiste van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
66.
De uitlegging van het gerechtshof Amsterdam dat nu belanghebbende de uiterst ernstige schendingen van Uw gebleken en aangetoond kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Raad, die blijkbaar alle denkbare en voorstelbare fundamentele rechts staatbeginselen tot in detail wenst te schenden, schendingen die heel veel verder gaan dan het technisch kader over de juiste toepassing van het recht van de Unie opwerpt, daarmee ‘tegen beter weten in handelt’ en om die reden de naheffingsaanslag in stand moet blijven en de toegekende schadevergoeding wegens het niet eer biedigen van de redelijke procestermijn ex. artikel 47 moet terugbetalen/ongedaan maakt om die reden, is werkelijk misselijkmakend, uiterst, uiterst verontrustend en zorgwekkend en in strijd met alle denkbare (fundamentele) rechtsstaatbeginselen waarop de Unie is gestoeld en maakt lidstaat Nederland buiten elke twijfel tot een lidstaat die kennelijk weigert toe te komen aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof heeft geschonden en ‘bestraft’ justitiabelen die daarover klagen met geldelijke sancties en het geïnd houden van onverschuldigd geheven belastingen.
67.
Geachte raadsheren van de Hoge Raad, dit zijn overduidelijke praktijken die voor velen geassocieerd worden met landen als Rusland en Noord-Korea, maar kennelijk ook de dagelijkse praktijk blijken te zijn in een ‘lidstaat’ van de Europese Unie, namelijk het Koninkrijk der Nederlanden. Dat is uiterst ernstig, kennelijk en allerhoogst zorgwekkend en uiterst angstaanjagend dat dit überhaupt mogelijk is!!!! En dat al minstens 37 jaar lang!!
68.
Uw Raad is wettelijk verplicht deze casus voor te leggen aan het Hof van Justitie, de vragen voor te leggen die in de 10 uitspraken van Uw Raad — die met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand kwamen — voor te leggen aan het Hof ter beslechting van de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag die is opgelegd aan belanghebbende juist en tot de juiste hoogte is opgelegd en op welke wijze de onverschuldigde belasting moet worden terugbetaald en of in een binnenlands belastingstelsel vooraf griffierecht geheven mag worden, dat zonder rentevergoeding bij een gegrond beroep — behoudens bij het niet eerbiedigen van de redelijke procestermijn in zaken van (WOZ en) BPM — worden terugbetaald.
69.
Alvorens Uw kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Raad kan oordelen of middel I gegrond is, en moet leiden tot vermindering van de opgelegde aanslag registratiebelasting of tot vernietiging en om welke redenen, moeten de vragen, wettelijk verplicht, voorgelegd worden aan het Hof van Justitie.
70.
Doet Uw Raad dat niet, is dat wederom weer een bevestiging dat Uw Raad structureel en in ongekende omvang, categorisch, weigert toe te komen aan de wettelijke verplichtingen die op hem rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof heeft geschonden.
71.
Uw Raad schendt aantoonbaar, aangetoond, kennelijk, zeer ernstig en uiterst zorgwekkend en zeer angstaanjagend, alle denkbare fundamentele rechtsstaatbeginselen tot op het bot en weigert, ondanks uitlegging door het Hof dat de gevolgen van het beginsel van voorrang van het Unierecht bindend voor alle organen van een lidstaat en kunnen de nationale bepalingen — waaronder grondwettelijke bepalingen — daaraan niet in de weg staan. Bovendien heeft het Hof er herhaaldelijk aan herinnerd dat de naleving van de verplichting om elke Unierechtelijke bepaling met rechtstreekse werking onverkort toe te passen, als absoluut noodzakelijk moet worden gezien om de volledige toepassing van het Unierecht in alle lidstaten te waarborgen, hetgeen elke mogelijkheid uitsluit om unilaterale maatregelen van welke aard ook tegen de rechtsorde van de Unie te nemen.
72.
De naleving van het beginsel van voorrang van het Unierecht is eveneens een uit drukking van het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking, dat vereist dat elke strijdige nationale bepaling buiten toepassing wordt gelaten, zelfs wanneer deze van latere datum dan de Unierechtelijke regel met rechtstreekse werking is.
73.
Gelet op het voorgaande lijdt het al met al geen enkel mogelijke twijfel dat de Hoge Raad der Nederlanden en het gerechtshof in Amsterdam niet kunnen worden aangemerkt als een onafhankelijk en onpartijdig ‘gerecht dat bij wet is ingesteld’, zoals vereist door artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en bevestigd door artikel 47 van het Handvest. Deze tekortkoming doet immers afbreuk aan het gewettigd vertrouwen van de justitiabelen in het vermogen van de nationale rechterlijke instanties om het Unierecht overeenkomstig de Europese normen toe te passen, en ondermijnt aldus de integriteit en de doeltreffendheid van de rechtsorde van de Unie.
74.
Door de wijze waarop de Hoge Raad der Nederlanden en gerechtshof Amsterdam recht wijzen, als onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden, door structureel en grootschalig blijk de gevolgen van de toetreding tot de Unie, zoals gecodificeerd in artikel 1 VEU niet te willen aanvaarden en de soevereiniteit in een ondemocratische rechtsstaat te willen behouden, in weerwil met de ondertekening van de toetredingsakte tot de Unie.
75.
Alle superlatieven schieten zwaar tekort om deze uiterst angstaanjagende ontwikkelingen te duiden. Ik zie de schorsing voor verwijzing naar het Hof van Justitie, de enige onafhankelijke en onpartijdige rechter in lidstaat Nederland, graag per omgaande tegemoet.
Middel II.
76.
Als tweede middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht, meer in het bijzonder het recht van de Unie, artikel 19, lid 1, tweede alinea VEU, bevestigt in artikel 47 Handvest, eerste, tweede en derde alinea, artikel 49 VEU en artikel 344 VWEU, doordat het gerechtshof in Amsterdam de op haar rusten wettelijke verplichting krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof heeft geschonden door uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald door uit te leggen dat de met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen uitlegging van Uw Raad aangaande de schadevergoeding wegens het niet eerbiedigen van de redelijke procestermijn voorrang behoeft op de rechtmatige, door de exclusief en bij uitsluiting bevoegde rechter, de Unierechter gegeven uitleg ging aangaande de schadevergoeding wegens het niet eerbiedigen van de redelijke procestermijn en daaruit volgt, aldus het gerechtshof Amsterdam, dat hij alles kan opwerpen om naar hartenlust en believen, zonder enige wettelijke grondslag, met schending van alle denkbare fundamentele rechtsstaatbeginselen, uiterst ernstig en uiterst onrechtmatig, hoe en wanneer de schadevergoeding wegens de schending van de redelijke procestermijn ex. artikel 47 Handvest moet worden toegepast.
77.
In casu heeft het gerechtshof uitgelegd dat de gemachtigde van belanghebbende ‘tegen beter weten in’ standpunten heeft ingenomen door te wijzen op de structurele, categorische, massale schendingen van alle denkbare fundamentele rechtsstaat beginselen, die door Uw Raad — met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid zo blijkt — tot stand zijn gekomen, hetgeen er niet toe kan leiden dat schadevergoeding wordt toegekend wegens het niet eerbiedigen van de redelijke procestermijn, aldus het gerechtshof in Amsterdam.
Toelichting.
78.
Vooropgesteld zij dat de gegeven zelfstandige oplossing van het gerechtshof in Amsterdam a priori in kennelijke, uiterst ernstige strijd met het recht van de Unie tot stand is gekomen, nu het gerechtshof kennelijk, uiterst ernstig miskend dat de op haar rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof kennelijk, zeer ernstig heeft geschonden door uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald het beginsel van voorrang van nationaal recht op het recht van de Unie en de weigering toe te komen aan de wettelijke verplichtingen die rechtstreeks en met voorrang voortkomen uit het recht van de Unie zelf.
79.
Het gerechtshof in Amsterdam, buiten elke mogelijke twijfel verheven, aangetoond en bewezen een nationale gerechtelijke instantie die niet voldoet aan het vereiste van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, en bijgevolg dat het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, legt uit dat — kennelijk — met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen uitlegging van de Hoge Raad der Nederlanden — rechtsgeldig en verbindend kan zijn.
80.
Het gerechtshof miskend de uitlegging van het Hof van Justitie, exclusief en bij uit sluiting bevoegd om uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, in casu de draagwijdte en de gevolgen van de schending van artikel 47, tweede alinea Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, die uit legt in zijn arresten van 22 februari 2022, EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak en Hof van Justitie, 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C-204/21, EU:C:2023:442, punt 79), dat de Hoge Raad a priori, kennelijk, buiten elke mogelijke twijfel verheven, niet bevoegd is uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie.
81.
Het gerechtshof miskend kennelijk de meest fundamentele rechtsstaatbeginselen van 70 jaar Europese Unie en deze opeenvolging van gebeurtenissen toont mijns inziens aan dat de wetgevende en de uitvoerende macht rechtstreeks en concreet invloed uitoefenen op de samenstelling en de werking van de rechterlijke macht in lidstaat Nederland, waardoor een groot risico van politieke inmenging ontstaat. De ernst van de structurele en categorische schendingen van het recht van de Unie, het vertrouwen van de justitiabelen in de onafhankelijkheid van die rechterlijke instantie en de eerbiediging van de waarborgen van artikel 19 VEU en artikel 47 van het Handvest worden hierdoor in ernstige mate ondermijnd.
82.
In de daartegen ingestelde procedure wordt voorrang gegeven door het kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke gerechtshof, wiens uitspraken van dien aard zijn dat bij de justitiabelen legitieme twijfel kan ontstaan over de vraag of deze instantie niet gevoelig is voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of deze instantie onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen, en, derhalve, ertoe kunnen leiden dat deze instelling niet de indruk geeft onafhankelijk en onpartijdig te zijn, het geen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving bij deze justitiabelen moet wekken.
83.
Artikel 47 Handvest kan slechts beperkt worden door de bepalingen van artikel 52, lid 1 Handvest. De toegepaste ‘techniek’ van het gerechtshof, om (stelselmatig, grootschalig) belanghebbende van zijn uit het Unierecht zelf voortkomende rechten en aanspraken te ontdoen, op vileine, gemene, buitenwettelijke wijze waarvoor een schending van de meest fundamentele rechtsstaatbeginselen strikt noodzakelijk was, door voorrang te geven aan met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen uitlegging van de Hoge Raad der Nederlanden, buiten elke mogelijke twijfel verheven geen rechterlijke instantie in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea VEU, bevestigt in artikel 47 Handvest, is natuurlijk ronduit schandelijk en een ui ting van volstrekte anarchie jegens het recht van de Unie, zoals de verplichtingen die op haar rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof.
84.
Belanghebbende heeft bij de rechtbank, wegens schending van de redelijke procestermijn, in belastingzaken aangaande registratiebelasting kan daarvoor slechts toepassing worden gegeven aan artikel 47, tweede alinea Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, een schadevergoeding toegekend gekregen van € 1.000,00, met toepassing met voorrang van met misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht tot stand gekomen uitlegging door de Hoge Raad der Nederlanden, buiten elke mogelijke twijfel reeds om die reden a fortiori geen rechterlijke instantie in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
85.
Artikel 52 lid 1 Handvest luidt;
- ‘1.
Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’
86.
Artikel 52, lid 1 Handvest bevat tenminste 3 voorwaarden die vervult moeten worden wanneer, zoals in casu de toegang tot de rechter wordt ontzegd/beperkt, t.w.;
- —
zij moeten de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen, en
- —
zij moeten noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan de door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang, en
- —
zij moeten het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen.
87.
Aldus is de beperking van de schadevergoeding door uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, a priori rechtsongeldig en onverbindend, waardoor de beslissing van het gerechtshof in Amsterdam geen rechtskracht kan verkrijgen, maar bovenal is de verwijzing naar uitlegging door de Hoge Raad der Nederlanden — wiens uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie eveneens a priori rechtsongeldig en onverbindend is uiterst kwalijk en verwerpelijk, nu daarmee de exclusief bevoegde rechter, de Unierechter, opzettelijk zijn fundamentele taak ontnemend de juiste toepassing en uit legging van het recht van de Unie te waarborgen, die veel verder gaat dan het technische kader over de juiste toepassing van het recht van de Unie.
88.
Nu de beslissing van het gerechtshof a priori rechtsongeldig is en onverbindend en geen rechtskracht kan verkrijgen moet Uw gebleken kennelijk partijdige en gebleken kennelijk afhankelijke Raad de beslissing casseren, in eerste instantie door het geschil te schorsen en de Unierechter te bevragen welke gevolgen er moeten verbonden worden aan het opzettelijk schenden van de verplichtingen die op het gerechts hof Amsterdam rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens de opzettelijke schending van de bindende werking van de arresten van het Hof van Justitie.
89.
Ik zie de schorsingsbeslissing wegens prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie graag per omgaande tegemoet.
Middel III.
90.
Als derde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht, meer in het bijzonder het recht van de Unie, artikel 19, lid 1, tweede alinea VEU, bevestigt in artikel 47 Handvest, eerste, tweede en derde alinea, artikel 49 VEU en artikel 344 VWEU, doordat het gerechtshof in Amsterdam de op haar rusten wettelijke verplichting krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof heeft geschonden door uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald door uit te leggen dat de uit het Unierecht zelf voortkomende schadevergoeding als gevolg van een voldoende gekwalificeerde schending, in casu wegens het niet eer biedigen van de redelijke procestermijn ex. artikel 47, tweede alinea Handvest, beperkt kan worden door nationale bepalingen en met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen uitlegging door de Hoge Raad der Nederlanden, niet zijnde, aangetoond en bewezen, een rechterlijke instantie in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, die verder gaat dan een voldoende gekwalificeerde schending.
Toelichting.
91.
Het gerechtshof legt uit dat de toegekende schadevergoeding wegens het niet eer biedigen van de redelijke procestermijn ex. artikel 47, tweede alinea Handvest terugbetaald moet worden aan de heffende autoriteit, nu belanghebbende over de belastingheffing enkel standpunten van algemene aard heeft ingenomen, zonder zich op concrete onjuistheden in de naheffingsaanslag te richten.
92.
Over de bedoelde standpunten heeft de Hoge Raad der Nederlanden al voorafgaande aan het instellen van het beroep (bij de rechtbank) uitgelegd dat zij van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, nadat de rechtbanken en de gerechtshoven reeds bij voortduring in die zin hadden geoordeeld (en dat sindsdien weer hebben gedaan).
93.
Het kan daarom niet anders zijn dan dat de gemachtigde van belanghebbende, wiens kennis aan belanghebbende wordt toegerekend, steeds heeft geweten dat over de belastingheffing slechts standpunten ‘tegen beter weten in’ zijn ingenomen, aldus het gerechtshof in Amsterdam.
94.
Als gevolg daarvan ontbreekt een relevant financieel belang van belanghebbende bij de procedure, hetgeen een bijzondere omstandigheid vormt om geen vergoeding van immateriële schade toe te kennen (vgl. Hoge Raad der Nederlanden, 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3), aldus gerechtshof Amsterdam.
95.
In het oordeel van het gerechtshof ligt in elk geval besloten dat;
- —
Het gerechtshof de Hoge Raad als hoogste rechter aanvaard, ongeacht of de gegeven uitlegging van de Hoge Raad in kennelijke, zeer ernstige strijd met het recht van de Unie is en met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand is gekomen en daarmee rechtsongeldig en onverbindend is, en geen kracht van gewijsde kan verkrijgen, en
- —
Het gerechtshof een interne rechtsorde creëert en handhaaft die kennelijk niet strookt met het recht van de Unie, hetgeen ten zeerste verboden is en blijk geeft van de ernstige en kennelijke schending van de meest fundamentele rechtsstaat beginselen van het recht van de Unie, waaronder artikel 1, 2, 3, lid 4 VEU en artikel 49 VEU en artikel 344 VWEU, en
- —
Het gerechtshof aanvaardt dat de Hoge Raad der Nederlanden, hoewel niet bevoegd om rechtsgeldig en verbindend uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, zijn rechtsongeldige en onverbindende uitlegging als rechtsgeldig geduid moet worden, en het gerechtshof kennelijk, uiterst ernstig miskend dat de op haar rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof kennelijk, zeer ernstig heeft geschonden door uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald het beginsel van voorrang van nationaal recht op het recht van de Unie en de weigering toe te komen aan de wettelijke verplichtingen die rechtstreeks en met voorrang voortkomen uit het recht van de Unie zelf, en
- —
Het gerechtshof kennelijk van oordeel is dat hij niet gehouden is aan het recht van de Unie, en
- —
Het gerechtshof van oordeel is dat de schadevergoeding die uit het Unierecht zelf voortkomt en dus niet onderworpen kan zijn aan beginselen van nationale procedurele autonomie, naar believen en hartenlust kan beperken, zonder daartoe enige wettelijke verplichtingen in acht te nemen, en
- —
Hij van oordeel is dat de schadevergoeding afhankelijk gesteld kan worden van de ernst van de schade, zijnde een gering financieel belang, en
- —
De schadevergoeding slechts dan kan worden toegekend als belanghebbende concrete standpunten inneemt over de heffing van registratiebelasting, omdat anders die standpunten tegen ‘beter weten in’ zijn genomen.
96.
In beroep werd de redelijke termijn van berechting overschreden. De rechtbank gaf voorrang aan onrechtmatige en onregelmatige, rechtsongeldige en onverbindende uit legging door de Hoge Raad der Nederlanden in o.m. zijn uitspraak van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
97.
In zijn arrest van 26 november 2013, Gascogne, EU:C:2013:770, r.o. 96 verklaart het Hof voor recht dat een schending van de redelijke procestermijn (ex. artikel 47, twee de alinea Handvest) een voldoende gekwalificeerde schending is;
- ‘96.
Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de voor het Gerecht gevoerde procedure schending van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest oplevert, doordat het in strijd heeft gehandeld met de vereisten rond de inachtneming van de redelijke procestermijn, hetgeen een voldoende gekwalificeerde schending vormt van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen (arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. 1-5291, punt 42)’.
98.
Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, in o.m. zijn zaken Factortame, Basserie du Pecheur e.a… dat wanneer sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van bepalingen van Unierecht, zoals bij het niet eerbiedigen van de redelijke procestermijn ex. artikel 47, tweede alinea, geen enkele (potentiële) schade kan worden uitgesloten. Zie o.m. Hof van Justitie, 5 maart 1996, Brasserie du Pêcheur, EU:C:1996:79;
- ‘79.
Hieruit volgt, dat de verplichting tot vergoeding van de aan particulieren veroorzaakte schade niet afhankelijk kan worden gesteld van een voorwaarde ontleend aan het schuldbegrip, die verder gaat dan de voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht. Werd immers een dergelijke bijkomende voorwaarde gesteld, dan zou het recht op schadevergoeding dat op de communautaire rechtsorde is gebaseerd, opnieuw ter discussie worden gesteld.
- 80.
Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat hij in het kader van de nationale wettelijke regeling die hij toepast, de schadevergoeding niet afhankelijk kan stellen van het bestaan van schuld (opzet of onzorgvuldigheid) bij het overheidsorgaan waaraan de schending is toe te rekenen, die verder gaat dan de voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht.’
99.
Belanghebbende heeft recht op een voldoende adequate schadevergoeding wegens een kennelijk voldoende gekwalificeerde schending van Unierecht door het schenden van een overheidsorgaan van lidstaat Nederland van de redelijke procestermijn ex. artikel 47, tweede alinea Handvest, in bezwaar en beroep.
100.
Artikel 47 Handvest werkt rechtstreeks en met voorrang en hoeft niet te worden verduidelijkt door nationale bepalingen. De uitlegging van de Hoge Raad der Nederlanden aangaande de redelijke termijn van berechting is aldus a priori rechtsongeldig en onverbindend.
101.
Ik verwijs Uw gebleken, buiten elke mogelijke twijfel verheven kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Raad — die structureel, grootschalig en categorisch alle fundamentele rechtsstaatbeginselen van het recht van de Unie schendt om hem moverende redenen die veel verder gaan dan het technisch kader voor de juiste toepassing van het recht van de Unie naar de uitlegging van het Hof in zijn arrest van 28 januari 2025, ASG 2, EU:C:2025:40, r.o. 89;
- ‘89.
Verder heeft het Hof gepreciseerd dat artikel 47 van het Handvest op zichzelf volstaat en niet hoeft te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen [arresten van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 78, en 20 februari 2024, X (Geen motivering van de beëindiging), C-715/20, EU:C:2024:139, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak].’
102.
De Hoge Raad is kennelijk — buiten elke mogelijke twijfel verheven — ook niet bevoegd het Unierecht rechtsgeldig en verbindend uit te leggen (Hof van Justitie, februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72).
103.
In de klacht ligt besloten dat gelet op het voorgaande het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU op haar rustende verplichting niet is nagekomen, namelijk door niet ervoor te hebben gezorgd dat het gerechtshof Amsterdam en de Hoge Raad der Nederlanden voldoen aan het vereiste van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
104.
Het Hof legt uit dat de uit het Unierecht zelf voortkomende wettelijke verplichting tot vergoeding van de aan particulieren veroorzaakte schade niet afhankelijk kan worden gesteld van een voorwaarde ontleend aan het schuldbegrip, die verder gaat dan de voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht.
105.
In zijn recente arrest van 4 mei 2023, Ostereichische Post, EU:C:2023:370, legt het Hof ook uit dat de immateriële schade niet afhankelijk gesteld kan worden van een drempel die een bepaalde mate van ernst bereikt.
106.
Het gerechtshof in Amsterdam legt doodleuk uit dat het de verplichting tot vergoeding van de aan particulieren veroorzaakte schade afhankelijk kan worden gesteld van een voorwaarde ontleend aan het schuldbegrip, die verder gaat dan de voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht en dat een drempel kan worden ingesteld die een bepaalde mate van ernst bereikt, waaronder belanghebbende zijn recht op schadevergoeding dat op de communautaire rechtsorde is gebaseerd, abrupt en geheel wordt ontzegd. Hoezo geen volstrekte anarchie jegens het recht van de Unie? Hoezo geen praktijken die gewoongoed zijn in landen als Rusland en Noord-Korea?
107.
Erger kan het niet worden denk ik — alle voorstelbare superlatieven schieten duidelijk tekort om de ernst van de categorische, uiterst ernstige en kennelijke, zeer, zeer zware inbreuken op de meest fundamentele rechtsstaatbeginselen van de communautaire rechtsorde in het Koninkrijk der Nederlanden te duiden.
108.
Dit zijn praktijken die gewoonlijk zijn in landen als Rusland en Noord-Korea, maar kennelijk ook sans gene, openlijk en overduidelijk, in het Koninkrijk der Nederlanden.
109.
Belanghebbende is ten onrechte zijn recht op een schadevergoeding ontnomen, met schending van alle denkbare fundamentele rechtsstaatbeginselen door het gerechtshof Amsterdam, onder verwijzing naar uitlegging van het recht van de Unie door de Hoge Raad der Nederlanden, waaronder de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof heeft geschonden.
110.
Gelet op het voorgaande lijdt het al met al geen twijfel dat de Hoge Raad der Nederlanden en het gerechtshof Amsterdam niet kunnen worden aangemerkt als een onafhankelijk en onpartijdig ‘gerecht dat bij wet is ingesteld’, zoals vereist door artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en bevestigd door artikel 47 van het Handvest. Deze tekortkoming doet immers afbreuk aan het gewettigd vertrouwen van de justitiabelen in het vermogen van de nationale rechterlijke instanties om het Unierecht overeenkomstig de Europese normen toe te passen, en ondermijnt aldus de integriteit en de doeltreffendheid van de rechtsorde van de Unie.
111.
Ik merk op dat de grieven over de immateriële schadevergoeding ook al in hoger beroep zijn opgeworpen en dus wel degelijk duiden op volstrekte anarchie jegens het recht van de Unie en de handhaving van een interne rechtsorde die kennelijk niet strookt met het recht van de Unie.
112.
Uw gebleken kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Hoge Raad moet de zaak terugverwijzen voor een inhoudelijke behandeling over een passende vergoeding van de immateriële schade, overeenkomstig het recht van de Unie en zoals uitgelegd door het EHRM in de zaak Scordino/Italië. Juister nog is de vraag voorleggen aan het Hof van Justitie.
113.
De zaak moet worden geschorst, en de vraag aan het Hof van Justitie moet worden gesteld.
Middel IV.
114.
Als vierde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht, meer in het bijzonder artikel 110 VWEU, doordat de heffende autoriteit de registratiebelasting vermeerderd met € 316,00 belastingrente, welke belastingrente nimmer in rekening kan worden gebracht voor gelijksoortige, reeds in de lidstaat aanwezige, geregistreerde voertuigen, nu de restantbelasting onderdeel uitmaakt van de koop-rijs.
Toelichting.
115.
Uw Raad is kennelijk verplicht alle in strijd met het Unierecht zijnde nationale bepalingen buiten toepassing te laten, ook als deze voor het eerst in het cassatieberoep worden opgeworpen en onderdeel zijn van de hoofdzaak.
116.
Andersluidende opvattingen zouden immers tot gevolg hebben dat nationale procedurele regels er toe kunnen leiden dat de volle werking van het recht van de Unie in geding kan komen.
117.
Vast staat dat aan belanghebbende € 316,00 belastingrente in rekening is gebracht, zijnde een rentecomponent die door de heffende autoriteit als betalingsmodaliteit wordt gebezigd, in casu in een door artikel 110 VWEU beheerst geschil.
118.
In casu is sprake van een naheffingsaanslag registratiebelasting (BPM) die altijd onder het bereik van het recht van de Unie valt, nu een door een lidstaat op de registratie van motorvoertuigen op zijn grondgebied met het oog op het in het verkeer brengen ervan geheven belasting, een binnenlandse belasting vormt en dus aan artikel 110 VWEU moet worden getoetst (zie in die zin arrest van 7 april 2011, Tatu, C-402/09, Jurispr. blz. 1-2711, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
119.
Aldus wordt het recht van de Unie ten uitvoer gebracht en is de hoofdzaak onder het bereik van artikel 110 VWEU. Nu er in casu met het in rekening brengen van belastingrente sprake is van betalingsmodaliteiten, volgt uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat ook de betalingsmodaliteiten onder het bereik van het recht van de Unie vallen.
120.
Ik heb de eer Uw Raad te verwijzen naar het arrest van het Hof van Justitie, 27 april 2022, AirBNB Ierland/Brussels Hoofdstedelijk Gewest, EU:C:2022:303;
- ‘27.
Ten eerste dient in herinnering te worden gebracht dat richtlijn 2000/31 is vastgesteld op basis van met name artikel 95 EG, waarvan de bewoordingen zijn overgenomen in artikel 114 VWEU, dat in lid 2 ‘fiscale bepalingen’ van de werkingssfeer ervan uitsluit. In het arrest van 29april 2004, Commissie/Raad (C-338/01,EU:C:2004:253, punt 63), heeft het Hof opgemerkt dat deze woorden niet alleen alle gebieden van de fiscaliteit, zonder onderscheid tussen de verschillende soorten belastingen of heffingen, maar ook alle aspecten van deze materie dekken, ongeacht of het nu gaat om materiële regels dan wel om procedureregels. Het heeft hieraan toegevoegd dat de wijze van invordering van een belasting niet los kan worden gezien van het heffings- of belastingstelsel waartoe zij behoort (arrest van 29 april 2004, Commissie/Raad, C-338/01, EU:C:2004:253, punt 66).’
121.
De rechtsoverweging verwijst naar het arrest van het Hof in de zaak Commissie/Raad, C-338/01, waar het nog duidelijker uiteen wordt gezet;
- ‘63.
Wat de uitlegging van de woorden ‘fiscale bepalingen’ betreft, moet worden vastgesteld dat in het Verdrag geen enkele aanwijzing voor de uitlegging van dit begrip te vinden is. Opgemerkt zij evenwel dat deze woorden, gelet op hun algemene aard, niet alleen alle gebieden van de fiscaliteit, zonder onderscheid tussen de verschillende soorten belastingen of heffingen, maar ook alle aspecten van deze materie dekken, ongeacht of het nu gaat om materiële regels dan wel om procedureregels.
- 64.
Dit vindt overigens steun in de omstandigheid dat de bepalingen aangaande de wijze van betaling en invordering van de directe en indirecte belastingen in sommige lidstaten als ‘fiscale bepalingen’ worden aangemerkt.
- 65.
Bovendien moet volgens de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 90 EG, ter beoordeling van het al dan niet discriminerende karakter van een belastingstelsel, niet alleen worden gelet op de belastingtarieven, doch ook op de grondslag en de heffingsmodaliteiten van de verschillende belastingen. De beslissende vergelijkingsmaatstaf voor de toepassing van artikel 90 EG is namelijk de daadwerkelijke invloed van elke belasting op de nationale productie enerzijds en op de ingevoerde producten anderzijds. Ook bij een gelijk tarief kan de invloed van deze last toch verschillen naar gelang van de methode voor de berekening van de grondslag en de heffingsmodaliteiten, die op de nationale productie en de ingevoerde producten worden toegepast (zie reeds aangehaalde arresten, Commissie/Ierland, punt 8, en Grundig Italiana, punt 13).
- 66.
Hieruit volgt dat de wijze van invordering van een belasting niet los van het heffings- of belastingstelsel kan worden gezien waartoe zij behoort.
- 67.
Blijkens het voorgaande moeten de woorden ‘fiscale bepalingen’ in artikel 95, lid 2, EG, aldus worden uitgelegd, dat zij niet alleen betrekking hebben op de bepalingen tot vaststelling van de belastingplichtigen, de belastbare handelingen, de heffingsgrondslag, de tarieven en de vrijstellingen van de directe en indirecte belastingen, maar ook op de bepalingen betreffende de wijze van invordering van deze belastingen.’
122.
Aldus valt de heffing van belastingrente in een geval van registratiebelasting onder het bereik van artikel 110 VWEU.
123.
Nu van gelijksoortige binnenlandse voertuigen nooit de registratiebelasting kan worden ingevorderd, nu deze deel uitmaakt van de koopprijs, is het in rekening brengen van belastingrente in kennelijke, zeer ernstige strijd met het recht van de Unie.
124.
Het is een overduidelijke acte éclairé. De vraag hoeft niet te worden voorgelegd aan het Hof van Justitie. Het cassatieberoep is kennelijk gegrond.
Middel V.
125.
Als vijfde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 47, eerste tweede en derde alinea Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikel 1 VEU, artikel 2 VEU, artikel 4, lid 3 VEU, artikel 344 VWEU, artikel 19 VEU, het terzijde stellen van vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof van Justitie, het voorrangsbeginsel en het beginsel van rechtstreekse werking doordat het gerechtshof op basis van de nationale bepaling Wet Besluit Proceskosten bestuursrecht de proceskostenvergoeding deelt door 2 (factor 0,50) in de bezwaar- en beroepsfase en vaststelt op € 272,00 voor de hoger beroepsfase om hem moverende redenen.
126.
Het gegeven oordeel verhoudt zich ook niet met de nationale bepalingen van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het forfaitaire karakter van de in het Besluit proceskosten fiscale procedures neergelegde regeling ter vergoeding van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, indien zodanige bijstand is verleend, elk onderzoek naar de daarvoor werkelijk gemaakte kosten achterwege zal worden gelaten.
127.
Bovendien miskend het gerechtshof dat verweerder structureel, in duizenden gevallen kennelijk, in strijd met een duidelijke verbodsbepaling als sluitstuk van de fundamentele vrijheden, artikel 110 VWEU, belasting heft die niet zelden pas in hoger beroep of cassatie wordt teruggegeven of ongedaan gemaakt wordt of veelal zelfs — zoals blijkt uit de door het gerechtshof zelf opgesomde 10 punten — met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid geheven blijft, nu de Hoge Raad der Nederlanden om hem moverende redenen die veel verder gaan dan het technisch kader over de juiste toepassing — grootschalig en structureel alle denkbare fundamentele rechtsstaatbeginselen tot op het bot schendt en daarvoor geen enkel middel schuwt kennelijk, waaronder het hernemen van de overgedragen soevereiniteit en daardoor functioneert als een kennelijk ondemocratische staat, waarin besloten ligt een reeks fundamentele schendingen die zeer zorgwekkend zijn en gerede twijfel oproept over de toezegging van het Koninkrijk der Nederlanden om de rechtsgevolgen van haar toetreding tot de Unie te aanvaarden.
128.
De toekenning van een gematigde vergoeding, notabene door voorrang te geven aan nationale bepalingen op het recht van de Unie, hetgeen a priori al een uiterst ernstige schending oplevert, leidt er toe de volstrekte doeltreffendheid van het Unierecht, zoals het beginsel van voorrang van het Unierecht dat verlangt en gelet op het in artikel 47, lid 1, van het Handvest bepaalde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte, opnieuw in discussie wordt gesteld.
Toelichting.
129. Jurisprudentie | Hoge Raad
Bij arrest van 15 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC5758heeft de Hoge Raad overwogen:
‘Daarbij dient het volgende te worden opgemerkt. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van wet nr. 22 495- welke toelichting mede geldt voor artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken — heeft de wetgever met het opnemen in een algemene maatregel van bestuur van een specifieke tarifering van de kosten met betrekking tot de onderscheiden processuele handelingen, ter beperking van de taakverzwaring voor de rechter, mede beoogd dat het gevolg van die normering zou zijn ,,dat de rechter nog slechts zal behoeven te beoordelen of er reden is voor een proceskostenveroordeling" (Kamerstukken II, 1991/92, 22495,nr. 3, blz. 153). Hieruit volgt dat naar de bedoeling van de wetgever, mede gezien het forfaitaire karakter van de in het Besluit proceskosten fiscale procedures neergelegde regeling ter vergoeding van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, indien zodanige bijstand is verleend, elk onderzoek naar de daarvoor werkelijk gemaakte kosten achterwege zal worden gelaten.
In het onderhavige geval dient derhalve, anders dan door de Staatssecretaris van Financiën is aangevoerd, de vraag of de in dit geval door belanghebbende gemaakte kosten lager zijn dan het aan de hand van voormeld Besluit te berekenen bedrag, niet in de beoordeling te worden betrokken.’
130.
Het gerechtshof betrekt de gemaakte kosten, of liever de veronderstellende wijs beredeneerde gemaakte kosten in de beoordeling. Dat strookt niet met de bedoeling van de nationale wetgever en de wetsgeschiedenis en de totstandkoming.
131.
Het cassatieberoep is kennelijk gegrond.
132.
belanghebbende inzicht moet verlenen in het bedrijfsmodel van gemachtigde (die een natuurlijk persoon is, red. JV) en bewijs moet leveren dat sprake is van een bijzonder geval, zoals met misbruik van recht, misbruik van bevoegdheid, zich onrechtmatig en onregelmatig onttrekkend aan zijn wettelijke verwijzingsplicht door Uw gebleken kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Raad is uitgelegd in zijn uit spraak van 17 januari 2025.
133.
Maar de proceskostenvergoeding — zijnde een schadevergoeding voor de schade die een partij oploopt als gevolg van het inlenen van advisering, verdediging of vertegenwoordiging, wordt geregeld in artikel 47, derde alinea Handvest van de Grondrechten, en is immers noodzakelijk om de volstrekte doeltreffendheid van het Unierecht te garanderen, zoals het beginsel van voorrang van het Unierecht dat verlangt en gelet op het in artikel 47, lid 1, van het Handvest bepaalde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte.
134.
Het gerechtshof miskend het beginsel van rechtstreekse werking en voorrang van artikel 47 Handvest in door het recht van de Unie beheerste geschillen, zoals in casu registratiebelasting BPM.
135.
Bovendien miskend het gerechtshof dat het is uitgesloten dat de rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uit spraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld.
136.
Het is vaste rechtspraak van het Hof, gecodificeerd in artikel 267, eerste alinea, letter a VWEU, dat het Hof van Justitie exclusief en bij uitsluiting bevoegd is om rechtsgeldig en verbindend uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie (Hof van Justitie, 11 maart 2025, EU:C:2025:165, r.o. 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie);
- ‘64.
Het Hof heeft benadrukt dat het, aangezien het bij uitsluiting bevoegd is om het Unierecht bindend uit te leggen, bij de uitoefening van deze bevoegdheid de draagwijdte van het beginsel van voorrang van het Unierecht dient te verduidelijken in het licht van de relevante Unierechtelijke bepalingen, zodat deze draagwijdte niet kan afhangen van de uitlegging van nationale bepalingen of van de uitlegging die een nationale rechter aan Unie rechtelijke bepalingen geeft en die niet strookt met die van het Hof.25.’
137.
Het gerechtshof rechtvaardigt zijn oordeel op een met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie door Uw Raad, buiten elke mogelijke twijfel verheven géén rechterlijke instantie in de zin van artikel 47 Handvest.
138.
139.
Uw Raad is natuurlijk buiten elke mogelijke twijfel verheven 0.000% onafhankelijk en 0.0000000% onpartijdig, integendeel. Uw Raad schendt alle denkbare en voorstelbare rechtsregels, structureel en categorisch en massaal.
140.
Bovendien heeft de onderhavige zaak een plaats in een juridisch gezien grotere arena: Uw Raad, als hoogste nationale rechter van lidstaat Nederland, met grote afstand het slechtste rechtstatelijke ‘kindje van de Europese Unie’, ver achterop geraakt bij nette landen als Polen, Hongarije, Roemenië en Bulgarije, doet structureel en categorisch een beroep op de ultra-virestheorie dan wel heeft de constitutionele identiteit van zijn (interne) rechtsorde ingeroepen om de voorrang van het Unierecht te relativeren of zelfs te betwisten.
141.
Dit zou kunnen worden gezien als een vorm van ‘armpjedrukken’ tussen de nationale hoeders van de grondwet enerzijds en de rechtsorde van de Unie anderzijds.
142.
Dit fenomeen wekt een zekere ongerustheid: het illustreert een juridisch Europa dat wordt geconfronteerd met een spanning tussen, enerzijds, de noodzaak om de eenheid en de doeltreffendheid van het Unierecht te behouden en, anderzijds, de wens om het bijzondere karakter van lidstaat Nederland zijn constitutionele identiteiten te beschermen. Deze spanning weerspiegelt diepgaande en zeer zorgwekkende ontwikkelingen die verder gaan dan het technische kader voor de toepassing van het Unierecht.
143.
De schendingen zijn zo opzichtig en zo overduidelijk en in strijd met de meest fundamentele rechtsstaatbeginselen en artikel 2 VEU (Hof van Justitie, 5 juni 2025, EU:C:2025:408) dat Uw Raad blijkbaar, kennelijk, in alle toonaarden weigert zijn wettelijke verplichtingen na te komen en daarbij categorisch en structureel geen enkel middel schuwt blijkbaar. Hoogste tijd voor een artikel 7 VEU procedure en enorme boetes en andere maatregelen. Nederland heeft een uiterst gebrekkige rechtstaat bij gebrek aan loyaliteit en erkenning van de meest fundamentele beginselen.
144.
Middel V is kennelijk gegrond. Artikel 47 Handvest, dat de vergoeding van proceskosten bepaald, werkt rechtstreeks en met voorrang en hoeft niet te worden verduidelijkt door nationale bepalingen om voor burgers rechten te doen ontstaan (Hof van Justitie, 28 januari 2025, ASG 2, EU:C:2025:40, r.o.89 en aldaar aangehaalde uit legging van de exclusief bevoegde rechter).
145.
De handelswijze van Uw Raad en het gerechtshof is zodanig ernstig, dat het veel verder gaat dan het technisch kader over de toepassing van het recht van de Unie in lidstaat Nederland.
146.
Uw Raad weigert de rechtstreekse werking met voorrang van het recht van de Unie te aanvaarden blijkbaar en weigert toe te komen aan zijn wettelijke verplichtingen, pleegt sans gene, opzichtig, overduidelijk, buiten elke mogelijke twijfel verheven misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid en blijkt gevoelig voor externe factoren, waaronder de invloed van de heffende en wetgevende autoriteit.
147.
Belanghebbende heeft recht op een integrale — boven forfaitaire proceskostenvergoeding, nu alle denkbare fundamentele rechtsstaatbeginselen zijn geschonden tot op het bot, opzettelijk, willens en wetens, met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid, in weerwil met heel erg veel vaste en overvloedige uitlegging van het Hof van Justitie.
148.
In het arrest van 29 april 2004, Commissie/Raad (C-338/01, EU:C:2004:253, punt 63), heeft het Hof opgemerkt dat fiscale bepalingen niet alleen alle gebieden van de fiscaliteit betreffen, zonder onderscheid tussen de verschillende soorten belastingen of heffingen, maar ook alle aspecten van deze materie dekken, ongeacht of het nu gaat om materiële regels dan wel om procedureregels. Het heeft hieraan toegevoegd dat de wijze van invordering van een belasting niet los kan worden gezien van het heffings- of belastingstelsel waartoe zij behoort (arrest van 29 april 2004, Commissie/Raad, C-338/01, EU:C:2004:253, punt 66).
149.
Een nationale bepaling die voor een bepaalde belastingsoort, in casu registratiebelasting, nadeligere materiele regels of procedureregels bevat voor Unierechtelijke geschillen, is in strijd met artikel 110 VWEU, welk artikel tot de bevoegdheid van Uw fiscale kamer behoort. Uw Raad pleegt een opzettelijke, ernstige schending van artikel 267, derde alinea VWEU, artikel 267, eerste alinea, letter a VWU, artikel 344 VWEU, artikel 1 VEU, artikel 2 VEU, artikel 4, lid 3 VEU, artikel 47 Handvest, artikel 49 Handvest, artikel 19, lid 1 VEU, ja welke artikelen schendt Uw Raad nou niet zou ik welhaast durven stellen? Volstrekte anarchie jegens wettelijke verplichtingen en volstrekte respectloosheid jegens justitiabelen, alles met het oog op het vilein belemmeren van de daadwerkelijk, effectieve toegang tot de rechter door Uw gekend, bewezen en aangetoond kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Raad.
150.
Vileine volksverlakkerij is mogelijk een passende benaming voor deze ongekende misstanden? Ook dat gedeelte van het cassatieberoep is kennelijk gegrond. De met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen uitlegging van Uw Raad over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie gaat heel veel verder dan het technisch kader over de juiste toepassing van het recht van de Unie.
151.
Het recht op schadevergoeding wegens in strijd met het recht van de Unie handelen van de lidstaten en zijn organen komt voort uit het Unierecht zelf en is dus — qua omvang — niet onderworpen aan de nationale procedurele autonomie.
152.
Het antwoord op de vergoeding van de proceskosten en de schadevergoeding wegens het niet juist toepassen van artikel 47 Handvest moet — vanwege de rechtstreekse werking met voorrang van artikel 47 Handvest in het Unierecht worden gevonden en hangt niet af van de nationale rechtsorden.
153.
Met andere woorden, de omvang van het recht op proceskostenvergoeding valt niet onder de nationale procedurele autonomie. Dat begrip heeft betrekking op de bevoegdheden van de lidstaten om in hun rechtsstelsel materiële en procedurele kwesties te regelen die van belang zijn voor de aanwending van Unierechtelijke rechtsmiddelen (zoals het recht op vergoeding van proceskosten of het recht op schadevergoeding krachtens het Unierecht), wanneer voor de toepassing daarvan noodzakelijke Unierechtelijke voorschriften ontbreken.
154.
Het recht op schadevergoeding valt onder de verplichtingen van de lidstaten om de volle werking van het recht van de Unie te waarborgen.
155.
Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat een dergelijke schadevergoeding, die dus rechtstreeks en met voorrang doorwerkt in de nationale procedurele autonomie en niet onderworpen kan zijn aan nationale bepalingen geen enkele schade uitsluit en volledig moet zijn. Ik heb de ongelooflijke eer uw Raad te verwijzen naar rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaak van 11 september 2019, Sole-Mizo, EU:C:2019:708en aldaar aangehaalde uitlegging van het Hof;
- ‘49.
Los van die situaties heeft elke particulier die schade lijdt ten gevolge van een schending van het Unierecht, zodra is voldaan aan de drie Francovich-voorwaarden, recht op een volledige vergoeding. De toekenning van iets wat volledige vergoeding ten minste benadert, is immers noodzakelijk om de volstrekte doeltreffendheid van het Unierecht te garanderen, zoals het beginsel van voorrang van het Unierecht dat verlangt(22) en gelet op het in artikel 47, lid 1, van het Handvest bepaalde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte.’
156.
Nu vast staat — volgens vaste rechtspraak van het Hof — dat een schending van artikel 47, tweede alinea Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een voldoende gekwalificeerde schending oplevert, rechten verleend aan belanghebbende en er een causaal verband is tussen de schade en de schending van de rechtsregel van artikel 47, tweede alinea Handvest, moet de schadevergoeding volledig zijn.
157.
Dat impliceert dat ook een volledige vergoeding voor de kosten van advisering, verdediging en vertegenwoordiging, zoals gecodificeerd in artikel 47, derde alinea Handvest van de Grondrechten moet worden gewaarborgd. Ik herhaal, die kostenvergoeding moet volledig zijn, in alle gevallen, zeer ruimhartig, waarborgend, volledig en kan niet onderworpen zijn aan bepalingen van nationaal recht.
158.
Ik merk nog op dat wanneer er eventueel wel sprake zou zijn geweest van nationale procedurele autonomie, de nadeligere bepalingen voor door het recht van de Unie beheerste geschillen in kennelijke, uiterst ernstige strijd met het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel en het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel is.
Middel VI.
159.
Als zesde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht, meer in het bijzonder het recht van de Unie, artikel 19, lid 1, tweede alinea VEU, bevestigt in artikel 47 Handvest, artikel 49 VEU en artikel 344 VWEU, artikel 110 VWEU, doordat het gerechtshof in Amsterdam verzuimd heeft in zijn uitspraak blijk te geven van de door belanghebbende aangevoerde klacht dat bij de heffing van registratiebelasting de hoogte wordt begrensd door de heffing die rust op soortgelijke voertuigen, bezien vanuit het oogpunt van de consument en niet identiek zijn.
Toelichting.
160.
Het gerechtshof heeft de stelling onbehandeld gelaten.
161.
Het Hof geeft uitlegging in zijn arrest van 27 februari 1980, Commissie/Franse Republiek, 168/78, EU:C: 1980:51;
- ‘5.
DE HOOFDREGEL TERZAKE WORDT GEVORMD DOOR DE EERSTE ALINEA VAN ARTIKEL 95,DIE UITGAAT VAN EEN VERGELIJKING TUSSEN DE FISCALE LASTEN OP NATIONALE EN DIE OP ALS ‘ ‘ GELIJKSOORTIG ’’ AAN TE MERKEN GEÏMPORTEERDE PRODUKTEN. ZOALS HET HOF IN ZIJN ARREST VAN 10 OKTOBER 1978 (ZAAK 148/77, HANSEN & BALLE, JURISPR. 1978 , BLZ. 1787) HEEFT BEKLEMTOOND , MOET DEZE BEPALING RUIM WORDEN UITGELEGD , ZODAT ALLE FISCALE REGELINGEN DIE INBREUK KUNNEN MAKEN OP DE GELIJKHEID VAN BEHANDELING VAN NATIONALE OF GEÏMPORTEERDE PRODUKTEN ERONDER VALLEN ; DE UITDRUKKING ‘ ‘ GELIJKSOORTIGE PRODUKTEN ’ ’ MOET DUS VOLDOENDE SOEPEL WORDEN UITGELEGD. IN ZIJN ARREST VAN 17 FEBRUARI 1976 (ZAAK 45/75, REWE, JURISPR. 1976 , BLZ. 181) HEEFT HET HOF UITGEMAAKT DAT ALS GELIJKSOORTIG DIENEN TE WORDEN AANGEMERKT ‘ ‘ DE PRODUKTEN DIE UIT VERBRUIKERSOOGPUNT SOORTGELIJKE EIGENSCHAPPEN VERTONEN EN AAN DEZELFDE BEHOEFTEN VOLDOEN. ’ ’ VOOR DE BEPALING VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN ARTIKEL 95,EERSTE ALINEA , DIENEN DUS NIET DE VOLSTREKTE IDENTITEIT, MAAR HET SOORTGELIJKE EN VERGELIJKBARE GEBRUIK ALS MAATSTAF TE WORDEN GEHANTEERD .
- 6.
DAARNAAST RICHT DE TWEEDE ALINEA VAN ARTIKEL 95ZICH TEGEN ELKE VORM VAN ZIJDELINGS FISCAAL PROTECTIONISME IN HET GEVAL VAN PRODUKTEN DIE, HOEWEL NIET GELIJKSOORTIG IN DE ZIN VAN DE EERSTE ALINEA , TOCH GEDEELTELIJK, INDIRECT OF POTENTIEEL IN EEN CONCURRENTIEVERHOUDING STAAN MET SOMMIGE PRODUKTIES VAN HET LAND VAN INVOER. BEPAALDE ASPECTEN VAN DEZE BEPALING HEEFT HET HOF REEDS VERDUIDELIJKT IN ZIJN ARREST VAN 8APRIL 1968 (ZAAK 27/67,FINK-FRUCHT, JURISPR .1968, BLZ. 317), WAARIN WERD OVERWOGEN DAT HET VOOR DE TOEPASSING VAN DE TWEEDE ALINEA VOLDOENDE IS DAT HET GEÏMPORTEERDE PRODUKT OP GROND VAN EEN OF MEER ECONOMISCHE TOEPASSINGEN CONCURREERT MET DE NATIONALE PRODUKTIE, OOK WANNEER HET NIET GEHEEL VOLDOET AAN DE IN ARTIKEL 95,EERSTE ALINEA , GESTELDE VOOR WAARDE VAN GELIJKSOORTIGHEID. 7 TERWIJL BIJ DE EERSTE ALINEA DE VERGELIJKING VAN DE FISCALE LASTEN — AAN DE HAND VAN HET TARIEF, DE BELASTINGGRONDSLAG DAN WEL ANDERE TOEPASSINGSMODALITEITEN — HET AANGEWEZEN BEOORDELINGSCRITERIUM IS, KNOOPT DE TWEEDE ALINEA , VANWEGE DE MOEILIJKHEID OM GENOEGZAAM NAUWKEURIGE VERGELIJKINGEN TUSSEN DE BETROKKEN PRODUKTEN TE MAKEN , AAN BIJ EEN MEER ALGEMEEN CRITERIUM , NAMELIJK HET PROTECTIONISTISCHE KARAKTER VAN EEN BINNENLANDSE BELASTINGREGELING .’
162.
Een binnenlands belastingstelsel, zoals in casu de registratiebelasting (BPM) wordt geschonden wanneer het zo is ingericht dat niet in alle gevallen is uitgesloten dat meer belasting rust op soortgelijke, binnenlandse voertuigen. Artikel 110 VWEU richt zich tot de lidstaten met een fiscaal discriminatieverbod en schept rechten voor belanghebbenden.
163.
Vast staat dat voor een consument een Ford Kuga in concurrentie staat met andere mid-SUV's, zoals gestipuleerd in de stukken van 20 januari 2025.
164.
Door uit te gaan van de door de Dienst Wegverkeer (RDW) vastgestelde heffingsmaatstaf van de onderhavige voertuigen heeft verweerder niet de op hem rustende wettelijke verplichtingen nagekomen.
165.
Het gerechtshof heeft dat geheel miskend en verwezen naar uitlegging van de Hoge Raad, miskennend dat a priori geen enkele, maar dan ook geen enkele uitlegingsbevoegdheid bestaat voor de Hoge Raad om de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie uit te leggen.
Middel VIII.
166.
Als achtste middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, doordat het gerechtshof uitlegt dat belanghebbende de registratiebelasting is verschuldigd, nu hij de aanvraag van het kenteken heeft verricht en om die reden de verschuldigde belasting moet voldoen.
167.
Het gerechtshof miskend dat de door hem gegeven nationale weten regelgeving geldend is voor aangiften vanaf 1-1-2022 en voor die tijd de tenaamstelling in het kentekenregister het belastbaar feit was, zoals volgt uit artikel 5, lid 1, Wet BPM 1992(belastingplichtigen);
‘Met betrekking tot een geregistreerde personenauto, een geregistreerd motorrijwiel of een geregistreerde bestelauto wordt de belasting geheven van degene op wiens naam het motorrijtuig wordt dan wel is gesteld in het kentekenregister.’
168.
Nu de aangifte van voor 1-1-2022 is, had het gerechtshof moeten onderzoeken of belanghebbende de auto voor het eerst in het Nederlands kentekenregister heeft tenaamgesteld. De zaak moet terug naar een ander gerechtshof voor feitenonderzoek.
169.
Artikel 7, Wet BPM 1992ziet op importeurs, die middels een vergunning voor der den voertuigen importeren. Belanghebbende is niet een dergelijke importeur.
Middel IX.
170.
Als negende middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 47 Handvest, gelezen in samenhang met artikel 110 VWEU, de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof zijn geschonden door het gerechtshof in Amsterdam, nu het gerechtshof uitlegt, met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid, rechtsongeldig en onverbindend, dat voor de veroordeling van verweerder in de proceskosten aangesloten moet worden bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarin besloten ligt dat hij naar believen de (schadevergoeding kan matigen en minimalieren.
Toelichting.
171.
Op basis van de vaststaande feiten staat vast dat verweerder in strijd met het recht van de Unie, meer bepaald artikel 110 VWEU, onverschuldigde belasting heeft geheven en geheven heeft gehouden, die door een uitspraak van het gerechtshof in Amsterdam teruggegeven moet worden, nu kennelijk uit het binnenlands belastingstelsel volgt dat niet voldaan is aan de wettelijke verplichting van artikel 110 VWEU, namelijk een stelsel hanteren waarbij het in alle gevallen is uitgesloten dat er meer belasting wordt geheven van uit andere lidstaten afkomstige, gebruikte voertuigen.
172.
Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de voor de nationale rechter gevoerde procedure schending van artikel 110 VWEU oplevert, doordat het in strijd heeft gehandeld met de wettelijke verplichtingen die op hem rusten te waarborgen dat het is uitgesloten dat er meer belasting wordt geheven op uit andere lidstaten afkomstige, gebruikte voertuigen dan nog rust op soortgelijke binnenlandse voertuigen, hetgeen een voldoende gekwalificeerde schending vormt van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen (arrest van 16 juni 1966, Alphons Lütticke GmbH, 57/65, EU:C: 1966:34).
173.
Elke particulier die schade lijdt ten gevolge van een schending van het Unierecht, zodra is voldaan aan de drie Francovich-voorwaarden, recht op een volledige vergoeding. De toekenning van iets wat volledige vergoeding ten minste benadert, is immers noodzakelijk om de volstrekte doeltreffendheid van het Unierecht te garanderen, zoals het beginsel van voorrang van het Unierecht dat verlangt en gelet op het in artikel 47, lid 1, van het Handvest bepaalde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte.
174.
Het gerechtshof heeft in een forfaitair systeem van schadevergoeding, zoals het Besluit proceskosten bestuursrecht om hem moverende redenen heeft gematigd tot uiterst geringe bedragen, die een volledige vergoeding niet — zelfs niet in enige mate — benadert, waardoor het gerechtshof in kennelijke strijd met het recht van de Unie heeft gehandeld, nadat hij een in strijd met het recht van de Unie vastgestelde schending heeft moeten hernemen.
175.
Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, in o.m. zijn zaken Factortame, Basserie du Pecheur e.a… dat wanneer sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van bepalingen van Unierecht, zoals bij de schending van artikel 110 VWEU, geen enkele (potentiële) schade kan worden uitgesloten. Zie o.m. Hof van Justitie, 5 maart 1996, Brasserie du Pêcheur, EU:C: 1996:79;
- ‘79.
Hieruit volgt, dat de verplichting tot vergoeding van de aan particulieren veroorzaakte schade niet afhankelijk kan worden gesteld van een voorwaarde ontleend aan het schuldbegrip, die verder gaat dan de voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht. Werd immers een dergelijke bijkomende voorwaarde gesteld, dan zou het recht op schadevergoeding dat op de communautaire rechtsorde is gebaseerd, opnieuw ter discussie worden gesteld.
- 80.
Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat hij in het kader van de nationale wettelijke regeling die hij toepast, de schadevergoeding niet afhankelijk kan stellen van het bestaan van schuld (opzet of onzorgvuldigheid) bij het overheidsorgaan waaraan de schending is toe te rekenen, die verder gaat dan de voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht.’
176.
Het gerechtshof had een (schade)vergoeding moeten vaststellen die in alle gevallen, zonder het aanziens des persoons, zonder overweging hoe de kosten van advisering, verdediging en vertegenwoordiging worden gefactureerd of anderszins, geheel objectief, van een dusdanige omvang was dat deze de kosten van advisering, verdediging en vertegenwoordiging waarborgt.
177.
Het is het gerechtshof in Amsterdam om hem moverende redenen niet gegeven. Uw gebleken kennelijk partijdige en kennelijke afhankelijke Raad moet doen wat hij behoort te doen, eerlijk, onafhankelijk en onpartijdig recht spreken en de volle werking van het recht van de Unie waarborgen, de verplichtingen na komen die op haar rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof waarborgen.
178.
Middel IX is kennelijk gegrond. Dat kan slechts anders zijn als Uw Raad niet de op hem rustende verplichtingen wenst na te komen en daarmee — wederom — blijk geeft niet te willen voldoen aan het vereiste van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, en bijgevolg dat het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.
Tot slot.
179.
Alle oordelen en stellingen van het gerechtshof in Amsterdam zijn gebaseerd op de kennelijk, apert onjuiste premisse dat Uw kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Raad over enige bevoegdheid beschikt om uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en zich categorisch en structureel en grootschalig te onttrekken aan zijn wettelijke verwijzingsplicht door met misbruik van de zgn. ‘acte clair-doctrine’ uit te leggen dat het bestaan van een vraag van uitlegging slechts hoeft te worden erkend, telkens wanneer een aspect of een onderdeel van de materie in geding door Unierecht wordt beheerst maar afhankelijk is van de ernst van de daardoor opgeroepen twijfel en het niet is uitgesloten dat Uw Raad, als rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hem zelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld.
180.
Die kennelijk onjuiste premisse leidt er toe dat in lidstaat Nederland alle denkbare en voorstelbare fundamentele rechtsstaatbeginselen tot op het bot worden geschonden en Uw Raad zich meent ‘rechtmatig’ te kunnen onttrekken aan zijn wettelijke verwijzingsplicht ex. artikel 267, derde alinea VWEU en dat ook structureel en veelvuldig en categorisch doet.
181.
In casu betekent dat — met dank aan het gerechtshof Amsterdam voor de weer gave van alle denkbare schendingen aangaande artikel 110 VWEU en artikel 47 Handvest — dat Uw Raad alsnog de materie die door het Unierecht wordt beheerst, zoals 72% aftrek van de bevonden schade aan uit andere lidstaten afkomstige, gebruikte voertuigen, ex-rental, niet kunnen naheffen na het belastbaar feit, etc. etc. moet voorleggen aan het Hof van Justitie, nu deze van belang zijn voor de beslissing in dit aan Uw gebleken, kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke, anarchistische Raad voorgelegde geschil en Uw Raad en het vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is dat uit artikel 267, derde alinea VWEU volgt dat Uw Raad een wettelijke verwijzingsplicht heeft indien;
- a)
het bestaan van een vraag van uitlegging moet worden erkend, telkens wanneer een aspect of een onderdeel van de materie in geding door gemeenschapsrecht wordt beheerst (ongeacht de ernst van de daardoor opgeroepen twijfel) en de rechter in laatste aanleg zich daarover moet uitspreken om zijn vonnis te kunnen wijzen;
- b)
het maakt geen verschil of het probleem wordt opgeworpen door partijen dan wel wordt onderkend door de rechter, zoals ook het standpunt van partijen (overeenstemming of meningsverschil over het betrokken punt) geen rol speelt;
- c)
het is uitgesloten dat de rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld;
- d)
de verplichting tot verwijzing van de prejudiciële vraag naar het Hof bestaat enkel dan niet, wanneer het Hof reeds een prejudiciële beslissing over hetzelfde vraagpunt heeft gewezen, met dien verstande evenwel dat niets de rechter belet zich nogmaals tot het Hof te wenden teneinde een andere uitlegging van de bepaling van gemeenschapsrecht te verkrijgen of de eerder gegeven uitlegging te doen verduidelijken en preciseren.
- e)
de verplichting tot verwijzing van de prejudiciële vraag naar het Hof bestaat enkel dan niet, wanneer het Hof reeds een prejudiciële beslissing over hetzelfde vraagpunt heeft gewezen, met dien verstande evenwel dat niets de rechter belet zich nogmaals tot het Hof te wenden teneinde een andere uitlegging van de bepaling van gemeenschapsrecht te verkrijgen of de eerder gegeven uitlegging te doen verduidelijken en preciseren.
182.
Ik acht het tot slot nuttig op te merken dat de door het gerechtshof in Amsterdam opgesomde uitspraken van Uw buiten elke mogelijke twijfel verheven Raad niet alleen in uiterst ernstige, kennelijke strijd zijn met de meest fundamentele rechtsstaatbeginselen van het recht van de Unie, gecodificeerd in artikel 1, 2 en 3, lid 4 VEU, maar ook feitelijk en juridisch kennelijk niet stroken met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie aangaande de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald artikel 110 VWEU en artikel 47 Handvest, waarmee Uw Raad zelf heeft bevestigd dat deze uitspraken in strijd waren met de meest fundamenteel beginselen van het recht van de Unie, waardoor inbreuk werd gemaakt op het recht op een ‘gerecht dat bij wet is ingesteld’ in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM. Hieruit volgt dat de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de constitutionele rechter ernstig worden ondermijnd, terwijl artikel 19 VEU en artikel 47 van het Handvest de nationale rechterlijke instanties juist opleggen dat zij dergelijke waarborgen bieden.
183.
De Hoge Raad der Nederlanden is blijkbaar, kennelijk, buiten elke mogelijke twijfel verheven geen rechterlijke instantie in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea VEU, zoals bevestigt in artikel 47 Handvest en toont volstrekte anarchie jegens de meest fundamentele rechtsstaatbeginselen en legt het Unierecht uit, te pas en te onpas en oordeelt niet zelden dat de gegeven met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen zelfstandige uitlegging niet in strijd is met het recht van de Unie en treedt daarmee op het exclusieve domein van de Unierechter.
184.
Het treden op het exclusieve domein van de Unierechter, in casu artikel 267, letter a VWEU, door uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie door nationale rechterlijke instanties, is a priori in strijd met het recht van de Unie, vgl. in gelijke zin prof. dr. mr. baron Koenraad Lenaerts (president van het Hof van Justitie) en prof. mr. Piet van Nuffel (Principal Legal Advisor, Head of the Institutional team in Legal Service EC), Uitgeverij Intersentia, Europees recht, blz. 119, par. 85 e.v.;
- ‘85.
Exclusieve bevoegdheden zijn bevoegdheden die door eenvoudige overdracht aan de Gemeenschap definitief en onomkeerbaar verloren zijn gegaan voor de lid staten. Een gemeenschapsbevoegdheid is exclusief wanneer uit de tekst of de context van de betrokken Verdragsbepalingen volgt dat elk optreden van de lid staten ermee in strijd zou zijn.
- 89.
Wanneer een bevoegdheid van de Gemeenschap exclusief is, houdt dit in dat elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag.’
185.
Gelet op het voorgaande volgt daaruit dat nog minder dan 0,000 van klopt in lid staat Nederland aangaande de rechtspraak, de staat waarin deze in zeer, zeer, zeer diepe crisis verkeerd en de kennelijke weigering toe te komen aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof heeft geschonden.
186.
Deze opeenvolging van gebeurtenissen toont mijns inziens aan dat de wetgevende en de uitvoerende macht rechtstreeks en concreet invloed uitoefenen op de samenstelling en de werking van de Hoge Raad der Nederlanden, waardoor een groot risico van politieke inmenging ontstaat. De integriteit van de rechtsgang, het vertrouwen van de justitiabelen in de onafhankelijkheid van die rechterlijke instantie en de eerbiediging van de waarborgen van artikel 19 VEU en artikel 47 van het Handvest worden hierdoor in ernstige mate ondermijnd.
187.
Deze tekortkoming doet immers afbreuk aan het gewettigd vertrouwen van de justitiabelen in het vermogen van de nationale rechterlijke instanties om het Unierecht overeenkomstig de Europese normen toe te passen, en ondermijnt aldus de integriteit en de doeltreffendheid van de rechtsorde van de Unie.
188.
Bijgevolg ben ik op basis van de niet-betwiste feiten van mening dat de gememoreerde uitleggingen van de Hoge Raad der Nederlanden of andere nationale rechterlijke instanties verweerder om tal van zeer ernstige, kennelijke schendingen niet kunnen dienen.
189.
Zij zijn immers a priori, kennelijk onrechtmatig en kennelijk onregelmatig, met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen, en worden gekenmerkt door verschillende onregelmatigheden die als ‘kennelijk en uiterst ernstig’ kunnen worden aangemerkt. De Hoge Raad onttrok zich aan zijn wettelijke verwijzingsplicht, schond de fundamentele rechtsstaatbeginselen, waaronder artikel 1 VEU, artikel 2 VEU en artikel 4, lid 3 VEU, die tot de fundamentele beginselen behoren, om een voor de heffende autoriteit gunstige uitspraak te geven en gaf met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, daarbij tredend op het exclusieve domein van de Unierechter.
190.
Vastgesteld zij dat het om een ontwikkeling gaat die zeer zorgwekkend is en ernstige twijfel oproept over de toezegging van het Koninkrijk der Nederlanden om de rechtsgevolgen van haar toetreding tot de Unie te aanvaarden en die verder gaat dan het technische kader voor de (juiste) toepassing van het Unierecht.
191.
Het gerechtshof miskend ernstig doel, strekking en daarop gebaseerde uitlegging van het hof van Justitie dat ‘de naheffingsbevoegdheid voortkomt uit artikel 20 AWR’, ‘de bewijslast bij belanghebbende ligt’, ‘de Hoge Raad over enige bevoegdheid beschikt om het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel uit te leggen’, ‘de Co2-uitstoot moet worden vastgesteld door de RDW’, over soortgelijkheid’, eigenlijk over alles.
192.
Hij miskend dat het vaste rechtspraak is van het Hof sinds het arrest van 16 juni 1966, Alphons Lütticke GmbH, EU:C: 1966:34 dat artikel 110 VWEU rechtstreeks en met voorrang doorwerkt in de nationale rechtsorden en niet hoeft te worden verduidelijkt door nationale bepalingen om voor justitiabelen rechten te doen ontstaan.
193.
Ik verwijs Uw Raad naar de uitlegging van het Hof van Justitie in de zaak Alphons Lütticke, EU:C: 1966:34;
‘OVERWEGENDE, DAT ARTIKEL 95, EERSTE ALINEA, EEN DISCRIMINATIEVERBOD BEHELST, DAT ALS DUIDELIJK EN ONVOOR WAARDELIJK BINDEND IS TE BESCHOUWEN;
DAT DE HIERUIT VOORTVLOEIENDE VERBINTENIS — BEHOUDENS IN ALINEA 3 - VAN GEEN ENKELE VOORWAARDE AFHANKELIJK IS GESTELD EN UITVOERBAAR IS EN RECHTSGEVOLGEN SORTEERT ZONDER ENIGE NADERE HANDELING VAN GEMEENSCHAPSINSTELLINGEN OF LIDSTATEN;
DAT DE VERBODSBEPALING DERHALVE VOLLEDIG IS EN ALS JURIDISCH PERFECT MOET WORDEN BESCHOUWD EN ALZO RECHTSTREEKS OP DE RECHTSBETREKKINGEN TUSSEN DE LIDSTATEN EN HUN JUSTITIABELEN KAN INWERKEN;
DAT WAAR IN DITARTIKEL WAT DE VERPLICHTING TOT NON-DISCRIMINATIE BETREFT DE LIDSTATEN ALS SUBJECTEN WORDEN AANGEDUID ZULKS NIET INHOUDT, DAT PARTICULIEREN NIET TOT HET GENOT VAN DE HIERMEDE SAMENHANGENDE RECHTEN BEVOEGD KUNNEN ZIJN;
OVERWEGENDE, DAT IN DE DERDE ALINEA AAN DE LIDSTATEN WELISWAAR DE VERPLICHTING WORDT OPGELEGD OM BEPALINGEN, STRIJDIG MET DE IN DE VOORAFGAANDE ALINEA'S OMSCHREVEN BEGINSELEN, AF TE SCHAFFEN OF TE HERZIEN;’
194.
Slechts de structurele, grootschalige, categorische weigering van het Koninkrijk der Nederlanden om de gevolgen van de toetreding tot de Unie te aanvaarden maken dat een lidstaat van de Unie, die vrij en met volledig bewustzijn is toegetreden tot een juridische constructie, zoals lidstaat Nederland, in een ongelooflijk diepe crisis is beland en massaal toepassing en voorrang geeft aan nationale bepalingen zoals artikel 20 AWR, de Wet BPM 1992en nationale procedureregels, om een interne rechtsorde te creëren en te handhaven die kennelijk, buiten elke mogelijke twijfel niet strookt met het recht van de Unie, om redenen die heel veel verder gaan dan het technisch kader voor de juiste toepassing van het recht van de Unie.
195.
Gelet op het voorgaande is het eenvoudig en met zekerheid vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU op haar rustende verplichting niet is nagekomen, namelijk door niet ervoor te hebben gezorgd dat Uw gerechtshof en de Hoge Raad der Nederlanden voldoen aan het vereiste van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
196.
Bijgevolg is het eenvoudig en simpel vast te stellen dat het gerechtshof in Amsterdam verwijst naar uitspraken van nationale gerechtelijke instanties, waaronder zijn eigen ontwikkelde doctrine en van Uw kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke Raad die heeft gegeven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof heeft geschonden.
197.
Dat betekent dus o.m. dat;
- a)
dat voor de toepassing van artikel 110, (eerste en) tweede alinea, VWEU niet kan worden verlangd dat een beschermende werking van een binnenlandse belastingregeling steeds statistisch wordt bewezen, maar dat het volstaat aan te tonen dat een bepaalde fiscale werking, gelet op de eigen kenmerken ervan, daartoe kan leiden;
- b)
Dat de Wet BPM 1992geen verduidelijkingen of beperkingen kan bevatten die de rechtstreekse werking van artikel 110 VWEU kunnen beïnvloeden;
- c)
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie uitgegaan moet worden voor de bepaling van de heffingsmaatstaf van registratiebelasting van de maatstaf van heffing die is inbegrepen in nationale, soortgelijke of gelijksoortige producten en niet van de uit andere lidstaten afkomstige producten;
- d)
Artikel 20 AWR géénheffingsbevoegdheid oplevert aangaande registratiebelasting;
- e)
De Inspecteur de wettelijke verplichting heeft te waarborgen dat met de heffing van registratiebelasting niet wordt getreden buiten de in artikel 110 VWEU besloten liggende begrenzing van nationale heffingsbevoegdheid;
- f)
De nationale rechterlijke instanties niet over enige bevoegdheid beschikken uitleging te geven over de draagwijdte en de betekenis van artikel 110 VWEU en artikel 47 Handvest;
- g)
De onmogelijkheid voor een lidstaat om zijn nationale identiteit te laten prevaleren boven het Unierecht dat rechtstreekse werking heeft, vloeit immers voort uit een geheel van algemene beginselen die inherent zijn aan de rechtsorde van de Unie en die met het voorrangsbeginsel verband houden. Tot deze beginselen, die met name hun oorsprong vinden in het autonome karakter van het Unierecht, behoren onder meer de gelijkheid van de lidstaten, het beginsel van Unietrouw en het beginsel van loyale samenwerking.
198.
Dat betekent in conreto voor deze zaak het volgende.
- ‘1.
Er is nageheven nadat het belastbaar feit heeft plaatsgevonden. Dat is een kennelijke, zeer ernstige belemmering voor uit andere lidstaten afkomstige voertuigen, nu de importeur de nageheven belasting niet meer kan doorbelasten en deze als netto-verlies moet nemen en dus import belemmerend werkt.
De uitlegging van de Hoge Raad der Nederlanden in zijn uitspraak van 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393is kennelijk — buiten elke mogelijke twijfel verheven onrechtmatig, onregelmatig, met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen en kan niet dienen. De onregelmatigheden zijn kennelijk en uiterst ernstig en miskennen alle denkbare fundamentele rechtsstaatbeginselen van de rechtsorde van de Unie.
- 2.
Hetzelfde geldt voor de kennelijk onjuiste en onrechtmatige en onregelmatige uit legging door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393aangaande het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.’
199.
De naheffingsaanslag moet buiten elke mogelijke twijfel vernietigd worden. Dat kan slechts anders zijn als Uw Raad — wederom — zoals doorgaans — structureel en grootschalig — de verplichtingen na te komen die op haar rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht en tevens het beginsel van de bindende werking van de arresten van het Hof wenst te schenden.
200.
Het Koninkrijk der Nederlanden meent ook nog te moeten interveniëren in een Poolse inbreukprocedure, een nette lidstaat die door haar constitutionele traditie nog dingen bijgebracht moet krijgen door het Hof van Justitie, maar blijk geeft een nette ‘leerling’ te willen zijn.
201.
Wij stellen vast aan de hand van de feiten en omstandigheden dat ‘lidstaat’ Nederland met afstand het aller slechtste kindje van de ‘Europese klas’ is, heimelijk, vilein en nogmaals, alle superlatieven schieten tekort om de met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen schendingen te duiden!! De Hoge Raad schendt alle denkbare en voorstelbare fundamentele rechtsstaatbeginselen om hem moverende redenen die héél veel verder gaan dan het technische kader voor de juiste toepassing van het recht van de Unie.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑09‑2026
Zie arrest RS (punt 52),en arrest van 5 juni 2023,Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C-204/21, EU:C:2023:442, punt 79).