Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.2.4.4
2.2.4.4 Het gezamendehandse vermogen (klassieke leer)
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS591598:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Flume 1972, p. 186 en 188; Flume 1977, p. 52, 55, 62 en 90; Friel in Münchener Anwalts Handbuch 2015, § 13, Rdnr. 7.
Schmidt 2005, p. 312.
Aldus ook Van Hemel 1998, p. 248.
Ten aanzien van het aandeel in nalatenschapsgoederen: Van Hemel 1998, p. 212-219.
BGB, art. 719 lid 1 (en art. 2033 lid 2).
Fikentscher/Heinemann 2006, § 62, Rdnr. 765 en 784. Vgl. de in 2.2.4.3 besproken Doppelverpflichtungstheorie.
Van Hemel 1998, p. 249.
Van Hemel 1998, p. 254; Schmidt 2005, p. 332/333.
Schmidt 2005, p. 332/333.
Van Hemel 1998, p. 213 en 251/252, citerend uit B. Mugdan, Die gesammten Materialien zum Bürgerlichen Gesetzbuch für das Deutsche Reich, Band V, Erbrecht, Berlin 1899, p. 497.
Schmidt 2005, p. 335 en 340-341.
Schmidt 2005, p. 334-336.
Schmidt 2005, p. 338-341.
BGB, art. 718 lid 1.
BGB, art. 738 lid 1.
Gummert in Münchener Handbuch 2004, § 17, Rdnr. 28 en 55-56 en § 19, Rdnr. 5-6; Schmidt 2005, p. 322; Kilian in Henssler/Strohn 2014, BGB § 719, Rdnr. 4-5 en BGB § 738, Rdnr. 3-5; Sauter in Beck’sches Handbuch 2014, § 2, Rdnr. 204 en § 8, Rdnr. 201- 203. Dit geldt ook in het geval onroerend goed tot het vennootschapsvermogen behoort. De vennotenwissel moet dan wel, als niet-constitutief vereiste, aan de openbare registers worden opgegeven. Zie Kilian in Henssler/Strohn 2014, BGB § 738, Rdnr. 3.
BGB, art. 719 lid 1.
Mitgliedschaft en Gesamthandsberechtigung zijn untrennbar. Gummert in Münchener Handbuch 2004, § 16, Rdnr. 9.
Flume 1977, p. 106 e.v.
Flume 1977, p. 109.
De rechtsbevoegdheid van de Auβen-GbR laat onverlet dat zij een gezamendehands vermogen kent. Het is van belang om die twee juridische concepten– gezamendehands vermogen en rechtsbevoegdheid – goed uit elkaar te houden. Daarom bespreek ik eerst de klassieke leer van het gezamendehandse vermogen. Vervolgens betrek ik de impact van de in 2001 erkende rechtsbevoegdheid erbij. De belangrijkste verschijningsvormen van het gezamendehandse vermogen zijn, naast het vennootschapsvermogen, de huwelijksgoederengemeenschap (die buiten beschouwing blijft),1 en de nalatenschap.2 Het Bundesgerichtshof heeft nog in 2002 bevestigd dat een ervengemeenschap wel een Gesamthandsgemeinschaft vormt, maar niet rechtsbevoegd is.3
De wettelijke regeling van de Gemeinschaft betreft slechts de Bruchteilgemeinschaft.4 Het Duitse recht kent geen algemene wettelijke regeling van het gezamendehands vermogen. Otto Gierke heeft in de 19de eeuw een belangrijke rol in de ontwikkeling van de Gesamthandsleer gespeeld.5 Tot op de dag van vandaag zijn er strijdpunten en onduidelijkheden. In 2005 noemde Karsten Schmidt de Gesamthand nog een onopgelost raadsel.6 Enkele hoofdlijnen kunnen niettemin worden aangeduid.
In een gezamendehands vermogen heeft iedere deelgenoot een aandeel in het gehele vermogen. Een deelgenoot heeft geen breukdeelaandelen in de afzonderlijke, tot het vermogen behorende goederen. De afzonderlijke goederen behoren aan de deelgenoten gemeenschappelijk toe, in gesamthänderische Gebundenheit.7 Men drukt dit aldus uit dat iedere deelgenoot voor het geheel tot ieder gemeenschappelijk goed gerechtigd is (“Jedem gehört alles”). Door de gelijkgerechtigdheid is ieders gerechtigdheid tot de betrokken goederen gezamendehands gebonden. Niettemin wordt ieders medegerechtigdheid in een afzonderlijk goed met het woord aandeel (Anteil) aangeduid; dit is niet een breukdeelaandeel.8 Een vennoot (of erfgenaam) is niet bevoegd over deze ‘aandelen’ te beschikken.9 De deelgenoten kunnen over hun gezamendehands gehouden goederen in beginsel slechts gezamenlijk beschikken.
De rechthebbenden op een gezamendehandsvermogen worden gezamenlijk aangeduid als Gesamthand of Gesamthandsgemeinschaft, waarbij het woord gemeenschap (Gemeinschaft) de betekenis heeft van personengemeenschap. In de klassieke leer bestaat het gezamendehandse vermogen uit een verzameling goederen. Er kunnen ook schulden (Gesamthandschulden) toe behoren.10 Deze kunnen uitsluitend op de gezamendehands gehouden goederen worden verhaald, maar gaan veelal gepaard met schulden die op de persoonlijke vermogens van deelgenoten verhaald kunnen worden.11 De gezamendehands gehouden goederen en schulden vormen een van de privévermogens van de deelgenoten afgescheiden vermogen. Privéschulden van de vennoten kunnen er niet op verhaald worden.
De gerechtigdheid van de gezamenlijke deelgenoten tot het gezamendehandse vermogen als geheel wordt opgevat als een vermogensrecht. Iedere deelgenoot heeft daarin een breukdeelaandeel dat tot zijn privévermogen behoort.12 De gerechtigdheid tot het geheel wordt onderscheiden van de rechtspositie in de afzonderlijke, gezamendehands gehouden goederen en schulden.
Het aandeel van een erfgenaam (deelgenoot) in een nalatenschap met twee of meer erfgenamen is vatbaar voor overdracht. Hiervoor is de notariële vorm voorgeschreven, teneinde de rechthebbende te behoeden voor ondoordachte transacties. De overige deelgenoten in de nalatenschap hebben een voorkooprecht.13 Wordt een aandeel in een nalatenschap overgedragen aan een andere deelgenoot, dan wast het verkregen aandeel aan bij het aandeel dat die andere deelgenoot reeds had (Anwachsung). De rechtspositie van de vervreemder in de gezamendehands gehouden goederen en schulden komt daarmee te vervallen. Wordt een aandeel in een nalatenschap overgedragen aan een derde, dan gaan de aanspraken van de vervreemder op de nalatenschap als geheel, met inbegrip van diens rechtspositie in de tot de nalatenschap behorende goederen en schulden, over op de verkrijger. Bij dit laatste spreekt men van Gesamtrechtsnachfolge.14 Dit geldt ook als onroerende zaken tot de nalatenschap behoren. De vormvoorschriften voor overdracht van een onroerende zaak hoeven niet in acht genomen te worden. De nog wel vereiste inschrijving in de openbare registers draagt in dit geval een niet-constitutief karakter.15 In de wetsgeschiedenis is een en ander als volgt toegelicht:16
“Bei der Gemeinschaft zur gesammten Hand bestehe die Gemeinschaft nicht an allen einzelnen Gegenständen des Vermögensganzes, das Verhältniβ sei vielmehr ein einheitliches und die einzelnen Objekte kämen nur als Bestandtheile eines Ganzes in Betracht. Dadurch aber werde bewirkt daβ der Antheil an einem solchen Vermögen ein einheitliches Recht sei; welches durch Vertrag einheitlich übertragen werden könne. (…) Die einzelne Miterbe habe nicht, wie nach röm. Recht, eine Anzahl selbständiger Vermögensrechte, vielmehr nur Mitgliederrechte in der Gemeinschaft. Das hindere jedoch nicht, daβ die einzelnen aus dieser Mitgliedschaft sich ergebene Rechte insgesammt durch einen einzigen Akt übertragen werden könnten, welcher der Formen nicht bedürfe, die für die einzelnen Uebertragungen erforderlich sein würden.”
Ik concludeer hieruit dat de rechtspositie tot de gezamendehands gehouden goederen en schulden (in zekere zin) een accessoir karakter heeft ten opzichte van het aandeel in het gezamendehandse vermogen als geheel. Wordt een aandeel in het geheel overgedragen, dan gaan de aandelen in de delen van rechtswege mee over.
Een andere manier waarop een wisseling van deelgenoten in een nalatenschap kan plaatsvinden is door het sluiten van een uittredingsovereenkomst (Absichtung). De uittredende deelgenoot komt met de overblijvende deelgenoten overeen dat hij uittreedt, waartegenover normaal gesproken een recht op een uittreedvergoeding zal staan. De mogelijkheid van een dergelijke uittredingsovereenkomst is niet in de wet voorzien, maar wel door het Bundesgerichtshof erkend.17 Uittreding kan vormvrij geschieden en leidt ertoe dat het aandeel van de uittredende deelgenoot in de nalatenschap als geheel aan zijn kant vrij valt en aanwast bij de aandelen van de overblijvende deelgenoten (Ab- und Anwachsung). Tevens vervalt de rechtspositie van de uitgetreden deelgenoot in de tot de nalatenschap behorende goederen en schulden. Ook hier hebben deze rechtsposities dus een zeker accessoir karakter ten opzichte van het vervallen aandeel in de nalatenschap als geheel. Karsten Schmidt vindt dat de jurisprudentie waarin de mogelijkheid van een vormvrije uittredingsovereenkomst met deze gevolgen is erkend, moet worden teruggedraaid.18 Naast wetssystematische argumenten die hier verder onbesproken blijven,19 voert hij aan dat de jurisprudentie bijdraagt aan een ongewenste erosie van het publiciteitsbeginsel zoals dat in de vormvereisten voor overdracht van onroerende zaken en GmbH-aandelen tot uitdrukking komt.20
De constructie van het gezamendehands vermogen bij de nalatenschap is terug te vinden bij het GbR-vermogen zoals dat werd gezien tot de genoemde ARGE Weiβes Ross-uitspraak uit 2001. De wet spreekt van een vennootschapsvermogen (Gesellschaftsvermögen). Daartoe behoren de goederen die door de vennoten worden ingebracht en de goederen die in de uitoefening van de GbR- activiteiten (Geschäftsführung) worden verworven.21 Dat een vordering tot het vennootschapsvermogen behoort, kan slechts aan de schuldenaar worden tegengeworpen, als deze hiervan kennis draagt.22 Vennootschapsschulden kunnen op de tot het vennootschapsvermogen behorende schulden worden verhaald.23 Bij uittreden van een vennoot wassen zijn aandelen in het vennootschapsvermogen, en de daartoe behorende goederen en schulden, aan bij de overblijvende vennoten. Daarvoor in de plaats ontstaat het recht op een uittreedvergoeding.24 Een nieuwe vennoot wordt medegerechtigd tot het vennootschapsvermogen als geheel en krijgt deel aan de tot dat vermogen behorende goederen en schulden.25
De mogelijkheid voor de vennoot van een GbR om zijn vennootschapsaandeel over te dragen is al ruim vóór 2001 in de rechtspraak erkend.26 De verkrijger volgt de vervreemder op in diens lidmaatschapsrechten en diens aandeel in het gezamendehandse vermogen als geheel. De wettelijke regeling inzake uittreding27 blijft buiten toepassing. De overgang van de rechtsposities in de gezamendehands gehouden goederen en schulden volgt automatisch. Dit geldt ook voor goederen, waarvan de overdracht is onderworpen aan vormvoorschriften. Deze mogelijkheid van Anteilsübertragung stemt – in de tot 2001 geldende klassieke leer – overeen met de geschetste visie over de vermogensrechtelijke zelfstandigheid van het aandeel in het gezamendehandse vermogen als geheel en de accessoriteit van de rechtsposities in de tot dat vermogen behorende goederen en schulden. Dat het aandeel in het vennootschapsvermogen als geheel, op grond van een uitdrukkelijke wetsbepaling, niet zelfstandig overdraagbaar was (en is),28 laat onverlet dat het kan worden opgevat als (een aandeel in) een vermogensrecht. Bij de personenvennootschap vloeit dit vermogensrecht samen met het lidmaatschap van de vennootschap (het vennoot-zijn).29 In die combinatie is het, met instemming van de medevennoten, wél overdraagbaar.
Ook rechtsverhoudingen die niet direct als goed of schuld zijn aan te merken, kunnen tot een gezamendehandse vermogen behoren.30 Zo kan een door de erflater of, na overlijden, de gezamenlijke erfgenamen als zodanig, afgesloten huurcontract tot een gezamendehands vermogen behoren. De bevoegdheid om de huurovereenkomst op te zeggen, wordt beheerst door de beheers- en beschikkingsregels die op de gezamendehand van toepassing zijn. Bij een wisseling van deelgenoten gaat die (opzeggings)bevoegdheid over van de oude op de nieuwe groep deelgenoten. Bij wisselingen van deelgenoten in een Gesamthand blijven op gemeenschapsgoederen toepasselijke overdrachtsbeperkingen en op gemeenschapsschulden toepasselijke regels voor schuldoverneming buiten spel. Hetzelfde geldt voor de regels van contractsoverneming, ten aanzien van rechtsverhoudingen die aan de Gesamthand toebehoren. Tegenover de niet- toepassing van de regels van schuldoverneming (en contractsoverneming) staat dat, in beginsel, de uitgetreden vennoot persoonlijk aansprakelijk blijft en dat de nieuw toegetreden deelgenoot extern aansprakelijk wordt voor gemeenschapsschulden.31 Toen de klassieke Gesamthandsleer nog voor de GbR gold, werd van sommige specifieke rechtsposities, zoals het zijn van een vennoot in een OHG, aangenomen dat deze niet aan een GbR konden toebehoren.32