Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/2.8
2.8 ONDERZOEKSPROJECT STRAFVORDERING 2001
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS617861:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
En dat door het ministerie van Justitie mede is gefinancierd.
Groenhuijsen 2001, p. 40.
Buruma 1996, p. 40.
Zo betogen Simmelink & Baaijens-van Geloven 2001, p. 393.
Harteveld & Stamhuis 2001, p. 560.
Baaijens-van Geloven 2004, p. 341-345.
Vgl. Verrest 2011, p. 218 e.v.
Buruma 1996a, p. 43.
Onder anderen ook Cleiren & Mevis 1996 hebben erop gewezen dat, ‘als gevolg van de inzet van het strafgeding – de beoordeling van het tenlastegelegde feit en de persoon van de verdachte – de taak van de strafrechter niet primair is toegesneden op de beoordeling van onrechtmatig overheidsoptreden’ (p. 195). Zij spreken in dit verband van een ‘noodzakelijkerwijze tekortschietende strafrechter’ (p. 200) en bepleitten nader onderzoek naar hoe in de bestaande leemte kan worden voorzien (p. 204-205).
Groenhuijsen & Knigge 2004, p. 152-153.
Groenhuijsen & Knigge 2004, p. 153.
Stamhuis 2004, p. 474.
Stamhuis 2004 betoogt in dit verband dat ‘de strafrechtspleging (…) het zonder de uniformerende werking van de rechtspraak van de hoogste rechter niet [kan] stellen om een bepaald niveau aan gelijkheid en voorspelbaarheid in de toepassing van ook dit aspect van het procesrecht te waarborgen’, p. 474.
Het na drie interim-rapporten met het eindrapport van 2004 afgeronde onderzoeksproject Strafvordering 2001 dat op initiatief van de vakgroepen strafrecht van de Rijksuniversiteit Groningen en de Katholieke Universiteit Brabant is verricht,1 strekte ertoe de strafvordering bij de tijd te brengen door oplossingen aan te reiken voor in de bestaande wetgeving geconstateerde tekortkomingen. Het project was een toetsmoment voor het gehele strafprocesrecht, ook van het controleren en reageren op vormfouten door de zittingsrechter, waaraan een deelrapport is gewijd. In het verband van het onderhavige onderzoek loont het de moeite de aandacht niet alleen op dat deelrapport te richten.
De doelstellingen van het proces ter terechtzitting en de daaruit voortvloeiende taken en verantwoordelijkheden van de zittingsrechter vormen een communicerend vat met de aan andere betrokkenen bij het strafproces toebedeelde taken en verantwoordelijkheden en met functies die andere procedures vervullen binnen het strafproces. Het reageren op vormfouten door de zittingsrechter kan daarvan niet los worden gezien, maar moet worden beschouwd als een in het geheel van het strafproces geïntegreerd onderdeel van de rechterlijke taakuitoefening.
In het onderzoeksproject werd vastgesteld dat de aan het wetboek van 1926 ten grondslag liggende uitgangspunten en daarop gebaseerde structuur van het wetboek ten dele verouderd zijn. Vervolgens zijn vijf ijkpunten geformuleerd voor het ‘zoeken naar een hechtere systematische grondslag’. Deze ijkpunten luiden dat (i) voldoende waarborgen voor de rechtmatigheid van de uitvoering van het vooronderzoek moeten bestaan, hetgeen toereikende regelgeving vereist en een adequate toezichtstructuur; (ii) opsporing transparant dient te zijn om juridische toetsing en controle mogelijk te maken; (iii) inwendige openbaarheid daarvoor vereist is en ook nodig is om tegenspraak van de verdediging mogelijk te maken, hetgeen bijdraagt aan (iv) versterking van de mogelijkheden voor de verdediging om invloed uit te oefenen op de loop van het onderzoek. Ook werden (v) regels omtrent de bewaking van de voortgang van het onderzoek nodig geacht.2 In het kader van dit onderzoek is natuurlijk vooral het eerste ijkpunt van belang, hoewel de drie daarop volgende punten daarmee in nauw verband staan.
In zijn beschouwing over het eindrapport van de Commissie Van Traa, concludeerde Buruma dat zorg voor de integriteit van het opsporingsapparaat naast het belang van grondrechten een zelfstandige reden is voor wetgeving ter zake van opsporingsmethoden.3 Ook in de visie van Strafvordering 2001 is een duidelijke en praktisch werkbare normering in de wet een onmisbaar beginpunt. Maar dat is niet genoeg: het specifieke karakter van het opsporingsonderzoek vraagt om sturing en controle.4 Die sturing en controle zijn onder meer verzekerd in het getrapte stelsel van opsporingsbevoegdheden, waarin een hogere functionaris zijn goedkeuring moet geven naarmate de toe te passen opsporingsmethode een ingrijpender karakter heeft. Een dergelijk getrapt systeem kenmerkt ook de betrokkenheid van de RC in het voorbereidend onderzoek. Die betrokkenheid varieert van het verlenen van een machtiging voor het toepassen van opsporingsbevoegdheden (zoals bij telefoontaps) tot het zelf door de RC leiding geven aan de uitvoering ervan (zoals bij doorzoeking).5
De grondslag van vormvoorschriften die het voorbereidend onderzoek normeren – zo luidt het in het onderzoeksproject Strafvordering 2001 – is gelegen in: de zorg voor de kwaliteit van de waarheidsvinding; de bescherming van de rechten van de verdachte en derden; en de toedeling van rollen en posities in het strafproces. Daarbij moet een zorgvuldige normering en vastleggingsplicht de rechter in staat stellen de gang van zaken in het vooronderzoek te controleren.6
In het onderzoeksproject is tot uitgangspunt genomen dat het waarborgen van behoorlijk en normconform optreden in het voorbereidend onderzoek en de vormgeving van een behoorlijke rechtsbescherming primair een taak is voor anderen dan de zittingsrechter. De zittingsrechter fungeert veeleer als sluitstuk met een eindverantwoordelijkheid voor het waarborgen van de eerlijkheid van het proces in het concrete geval. Dat past ook bij de keuze die in het onderzoeksproject is gemaakt om het contradictoir karakter van het strafproces te versterken. In dat contradictoire strafproces heeft het OM de leiding over de opsporing en vervolging en heeft de zittingsrechter een controlerende taak, waaraan in belangrijke mate door de verdediging inhoud kan worden gegeven, door de mate waarin en de punten waarop zij tegenspraak biedt.7 Een en ander stelt ook aan de wijze waarop het OM en de verdediging hun taken vervullen hoge eisen.
De belangrijkste aanbevelingen uit het deelrapport over het reageren op vormfouten door de zittingsrechter komen voort uit de voormelde visie op de taak van de zittingsrechter. Tot uitgangspunt wordt genomen dat deze taak voortvloeit uit de functie van het strafprocesrecht, waarin het bieden van een in alle opzichten adequate reactie op een vermoedelijk gepleegd delict – het verzekeren van een juiste toepassing van het materiële strafrecht – centraal staat. Voorop wordt gesteld dat toetsing van het voorbereidend onderzoek geen zelfstandig doel is van het onderzoek ter terechtzitting, maar een onderwerp dat moet worden beschouwd in het licht van het totale onderzoek naar het strafbare feit en het aandeel daarin van de verdachte. Deze visie op de taak van de zittingsrechter brengt mee dat van hem geen ‘totaaltoezicht’ wordt verwacht, maar dat zijn controle is beperkt tot de aspecten die kunnen doorwerken in de beslissingen die de zittingsrechter op de voet van art. 348 en 350 Sv moet nemen. De zittingsrechter is geen totaalcontroleur van de opsporing. Of, zoals Buruma het onder woorden bracht:
‘De constitutionele taak van de rechter en het systeem van behandeling van mensenrechtenschendingen mogen wel de aandacht van de rechter voor het overheidsoptreden legitimeren – ze mogen ons niet doen vergeten dat deze controle door de strafrechter niet centraal staat in het strafproces.’8
In het onderzoeksproject werd onder ogen gezien dat deze beperkte – of: geconcentreerde – taakopvatting van de zittingsrechter een tekort in de toetsing van de opsporing kan meebrengen, met name waar het gaat om opsporing die niet raakt aan het recht op een eerlijk proces, maar aan andere rechten van de verdachte of waar het gaat om rechten van anderen.9 Om een dergelijk tekort in de controle op de opsporing te vermijden zijn twee remedies voorgesteld. Ten eerste de oprichting van een vaste controlerende instantie met een inspectie-achtige taak. Ten tweede de invoering van een strafrechtelijke restvoorziening waarin kan worden opgekomen tegen voorgenomen of lopend beweerdelijk onrechtmatig handelen van politie of OM.10 Daarnaast zijn belangrijk het voorstel om de RC een zwaardere verantwoordelijkheid te geven voor de controle op de rechtmatigheid van de opsporing en het voorstel om een procedure in te richten waarin kan worden voorzien in de vergoeding van financiële schade als gevolg van (on)rechtmatig handelen in het voorbereidend onderzoek. Op deze voorstellen kom ik in hoofdstuk 9 terug.
Wat betreft het toepassingsbereik van de verschillende reacties zijn de in de literatuur dominerende argumenten van reparatie, demonstratie, preventie, het markeren van de grenzen van de opsporing en compensatie onderschreven en is bevestigd dat de rechter per geval dient te bepalen wat de meest aangewezen reactie is op een vormfout.11 Geconstateerd werd verder dat art. 359a Sv niet alleen een jurisprudentiële ontwikkeling heeft gecodificeerd, maar tevens ‘het beginpunt’ vormt ‘van nieuwe lijnen van ontwikkeling, die voorheen nog onbekend waren’.12 Daarbij werd een krachtig appel gedaan op de Hoge Raad om in de ruime keuzemogelijkheden die de wetgever aan de rechter heeft gelaten om op vormfouten te reageren, ten behoeve van de rechtseenheid duidelijke richtsnoeren te formuleren.13