Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.6.2:10.6.2 De evenwichtigheid van het voorstel Europees bankbeslag
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.6.2
10.6.2 De evenwichtigheid van het voorstel Europees bankbeslag
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS493408:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
A prima vista komt de systematiek van het voorstel Europees bankbeslag op hoofdlijnen overeen met de Nederlandse regeling inzake conservatoir beslag. Bij een beoordeling van de evenwichtigheid van het voorstel aan de hand van het pijlermodel blijkt van een aantal complicerende factoren die ertoe leiden dat bespreking niet anders kan dan onder voorbehouden. Dit wordt veroorzaakt door een gebrek aan transparantie over de consequenties die de toepasbaarheid van het recht van andere EU lidstaten met zich brengt en onduidelijkheid over de betekenis die aan een deel van de bepalingen in het algemeen en aan specifieke definities in het bijzonder moet worden toegekend. Met inachtneming van dit gegeven wordt in deze paragraaf op hoofdlijnen, vanuit een Nederlandse context, een globaal beeld van de sterke en zwakke kanten van de pijlers van het voorstel geschetst.
In de eerste pijler (uitvaardiging van een EAPO) staat het belang van de beslaglegger om eenvoudig en doeltreffend beslag te kunnen leggen tegenover het belang van de aankomend beslagene om te worden gevrijwaard van onrechtmatige beslagen. Als algemeen uitgangspunt heeft te gelden dat een afgewogen regeling voor beide partijen van groot belang is omdat juist in dit stadium onterechte beslagen en daarmee onnodige schade kunnen worden voorkomen en anderzijds het risico op het wegsluizen van gelden om aan beslaglegging te ontkomen aanwezig is. De belangen van de beslaglegger worden in het voorstel Europees bankbeslag goed geborgd: de aanvraagprocedure is eenvoudig en laagdrempelig en ingericht als een verrassingsactie. De omstandigheid dat het horen van de beoogd beslagene in dit stadium is uitgesloten en de aanvrager van een EAPO niet verplicht is om (gronden van) verweer te vermelden maakt dat het gerecht dat over uitvaardiging van een EAPO moet beslissen zeer eenzijdig geïnformeerd is. Dit vormt een uitermate zwak punt. Niet valt in te zien hoe het gerecht zich onder deze omstandigheden een afgewogen beeld van de door de beslaglegger gepretendeerde vordering kan vormen. Het afwegen van belangen van de beslaglegger en de beslagene op basis van de beschikbare informatie is zelfs uitgesloten. Het verbinden van de voorwaarde van zekerheidstelling door de beslaglegger aan uitvaardiging van een EAPO voor eventuele schade zou matigend kunnen werken in de zin dat slechts in geval van reële vorderingen beslag wordt gelegd, ware het niet dat in het midden blijft wanneer hiertoe (ambtshalve) door het gerecht moet worden besloten. Ook beschikt de rechter, gezien de eenzijdige informatieplicht van de beslaglegger, niet over informatie die een indicatie kan geven voor de noodzaak van een zekerheidstelling. Het ‘reële vrees’ criterium (vrees voor verduistering) zou, indien wordt gekozen voor een diepgaande en scherpe toetsing, een sterk punt kunnen vormen ter voorkoming van beslagen waarvoor geen gegronde reden bestaat. Bovendien mag op grond van de vroegere Nederlandse praktijk worden verwacht dat dit criterium een reëel aanknopingspunt voor verweer kan vormen. Onduidelijkheid over de invulling van het criterium van reële vrees maakt echter dat niet kan worden gezegd welk gewicht hieraan moet worden toegekend. De bepalingen inzake proportionaliteit (ten tijde van de verlofverlening, bij het bevriezen van tegoeden door de bank en na het uitvoeren van een EAPO in geval van meervoudig beslag bij diverse banken) vormen in potentie een interessante bepaling in het kader van bescherming tegen disproportioneel beslag. Naar huidige redactie van de regeling zijn echter zodanig vergaande uitvoeringsproblemen te voorzien dat een positieve bijdrage aan de evenwichtigheid in de eerste pijler vooralsnog onwaarschijnlijk is. De beoogde waarborg voor met een beslag geconfronteerde particulieren en bedrijven in de vorm van een beslagvrije voet is niet van toepassing in Nederland. De termijn voor het instellen van de hoofdzaak door de beslaglegger (waaraan vooral een preventieve werking moet worden toegekend) is, zeker in verhouding tot de termijnen van uitvaardiging van een EAPO, onredelijk lang. Bovendien ontbreekt een regeling voor automatisch verval van het beslag indien sprake is van overschrijding van de termijn.
De regeling inzake het ten behoeve van beslaglegging verstrekken van bankgegevens van de beoogd beslagene door de lidstaten is, zeker in dit stadium, disproportioneel voor het doel dat ermee wordt gediend en maakt een naar mijn mening niet te verdedigen inbreuk op de privacy van Europese burgers en bedrijven. De procedure tot uitvaardiging van een EAPO bedient de belangen van de beslaglegger zeer goed, in mijn visie zelfs te goed daar waar dit leidt tot de beoordeling van een verzoek zonder de mogelijkheid voor het gerecht om de beslagene desgewenst te horen en bij gebreke aan informatie die leidt tot het meewegen van argumenten van de verweerder in de besluitvorming. De regeling kent in beginsel waardevolle elementen die de belangen van de beoogd beslagene beogen te beschermen, maar spijtig genoeg zijn in deze (nog) onvoldoende helder, eenduidig, uitvoerbaar en krachtig om te kunnen spreken van een doelmatige bijdrage aan evenwichtigheid.
Welke praktische invulling voor ogen moet worden gehouden bij de heroverwegingsprocedure, waarin de beslagene kan opkomen tegen de uitvaardiging van een EAPO (de tweede pijler), is op basis van het voorstel Europees bankbeslag moeilijk te zeggen. Wellicht is een schriftelijke procedure beoogd, maar zeker is dit niet. De termijn van uitspraak op een heroverweging (30 dagen) is erg lang voor knellende situaties. De gronden van verweer zijn limitatief en dienen vrijwel steeds binnen een termijn van 45 dagen te worden ingediend. Of procesvertegenwoordiging verplicht is hangt af van het recht van de lidstaat waar verweer wordt gevoerd. Alleen indien de verweerder consument, werknemer of verzekerde is kan deze steeds in de eigen lidstaat verweer voeren. Niet valt in te zien waarom dit niet voor iedere verweerder te gelden heeft. Een bepaling inzake de mogelijkheid tot het aanvoeren van aanvullend bewijs, zoals bij uitvaardiging van een EAPO is opgenomen, ontbreekt. Het lijkt er kortom op alsof het onnodig moeilijk is gemaakt om verweer te voeren. De beslagene is in de tweede pijler een underdog en zonder rigoureuze verbetering van deze positie scoort deze pijler in termen van evenwichtigheid zwaar onvoldoende.
De derde pijler inzake schadevergoeding bij onrechtmatig beslag is in het voorstel Europees bankbeslag geheel overgelaten aan het nationale recht van de lidstaten. Dit leidt tot een ernstig gebrek aan transparantie over de inhoud en werking van de zeer uiteenlopende van toepassing zijnde regelingen. De beslaglegger ontbeert zicht op de vraag wat in het kader van aansprakelijkheid in verband met een onrechtmatig beslag mogelijk te wachten staat en het ook is niet inzichtelijk of de derde pijler een waarborgfunctie invult voor de beslagene.
Tenslotte een woord over de veronderstelde compenserende werking tussen de drie pijlers verlofverlening, verweer en schadevergoeding in geval van onrechtmatig beslag. Aangaande het voorstel Europees bankbeslag bestaan vooralsnog zodanige onduidelijkheden dat het naar mijn oordeel met de nu beschikbare informatie vrijwel niet mogelijk is om een gefundeerde waardering te geven aan het gewicht dat de individuele pijlers vertegenwoordigen in een beoordeling van onderlinge compensatie. Naar de huidige vorm moet de eerste pijler in het voorstel worden beschouwd als minder evenwichtig dan de Nederlandse, zelfs ten opzichte van de situatie van voor invoering van wijzigingen ter versterking van de positie van de beslagene in de Beslagsyllabus van juni 2011. Over de inhoud en bedoeling van de overige twee pijlers zal meer duidelijkheid moeten komen om een oordeel over de inhoud en praktische consequenties van bepalingen in de op zichzelf staande pijlers te kunnen geven. Het overlaten van de derde pijler aan de regels van het rechtssysteem van de lidstaten zelf is geen goede keuze uit een perspectief van transparantie omdat justitiabelen geen zicht hebben op de consequenties, waarin mede begrepen risico's voor de beslaglegger.
Op grond van de analyse in dit hoofdstuk moet tot de algemene conclusie worden gekomen dat de belangen van de beslaglegger in het voorstel Europees bankbeslag aanzienlijk beter worden behartigd dan die van de beslagene. In die zin is duidelijk sprake van een onevenwichtigheid. Hoe het beeld met inbegrip van de compenserende factor eruit ziet is in dit stadium niet te zeggen.