Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/20.2.4.1
20.2.4.1 De onduidelijke beoogde territoriale werkingssfeer van de bepalingen in de Transparantierichtlijn
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS576697:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ingevolge art. 31, lid 1, Transparantierichtlijn dienden de lidstaten de richtlijn vóór 20 januari 2007 te hebben omgezet. De Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn trad echter pas op 1 januari 2009 in werking. In de MvT bij het voorstel voor deze wet is daarover opgemerkt (p. 1-2) dat '[rik voornaamste oorzaak van deze vertraging is gelegen in de omstandigheid dat de afgelopen jaren op het terrein van de financiële markten prioriteit is gegeven aan de totstandkoming van de Wft'
Amendement van de leden Weekers en Blanksma, Kamerstukken II, 2007/2008, 31 093, nr. 10.
In deze bewoordingen Hoff (2008c), p. 549-550.
Vgl. de voorgestelde tekst van art. 5:25b, lid 1, Wft in het voorstel voor de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn (Kamerstukken II, 2006/2007, 31 093, nr. 2).
De titel van Afdeling 5.1A.1 Wft — Informatieverplichtingen voor uitgevende instellingen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt en waarvan Nederland lidstaat van herkomst is — doet vermoeden dat deze reikwijdte geldt voor alle bepalingen die in die afdeling zijn opgenomen. Dat is echter niet het geval. Art. 5:25f Wft en 5:25i Wft kennen, ingevolge art. 5:25b, lid 1, Wft, nog de reikwijdte zoals oorspronkelijk was voorgesteld (dat wil zeggen: voor beursvennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of werkzame gereglementeerde markt).
Bepalend voor het antwoord op de vraag welke lidstaat de als de lidstaat van herkomst van een beursvennootschap moet worden gezien, is het soort effecten dat tot de handel van de gereglementeerde markt is toegelaten. Zoals meer uitvoerig is besproken in § 3.1 van hoofdstuk 13 is besproken geldt voor beursvennootschappen waarvan aandelen tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten doorgaans dat de lidstaat van herkomst de lidstaat is waar de statutaire zetel van de beursvennootschap is gelegen.
Kamerstukken II, 2007/2008, 31 093, nr. 10, p. 2.
Handelingen II, 11 juni 2008, 95, p. 6699.
Art. 3 lid 1, resp. 2, onderdeel a, Transparantierichtlijn.
Zo wordt op p. 17 van het rapport van het Directoraat Interne Markt van de Europese Commissie van 12 december over strengere, door lidstaten voorgeschreven, verplichtingen dan de Transparantierichtlijn voorschrijft opgemerkt dat '[t]he Directive determines which national law is applicable, irrespective of place of listing of the issuer: the so-called home/ host Member State rule.' Dit is mijns inziens een te stellige opvatting. Dit blijkt ook wel uit p. 23-24 van hetzelfde rapport. Daar wordt namelijk beschreven dat de Transparantie-richtlijn, o.a. in verhouding tot Richtlijn 2001/34, alleen ziet op het opleggen van 'strengere' verplichtingen. Het rapport is te vinden op: http://ec.europa.eu/intemal_market/securities/docs/transparency/reportmeasures_122008_en.pdf .
Ook overweging 7 bij de Transparantierichtlijn kan op deze wijze worden geïnterpreteerd.
Een aanwijzing dat de Transparantierichtlijn op deze wijze moet worden geïnterpreteerd, kan ook worden gevonden in de verworpen amendementen 69 en 70 van het Europees Parlement (Verslag van 25 februari 2004, doc. A5-0079/2004). Daarin stelde het Parlement voor om in art. 7 van de Transparantierichtlijn uitdrukkelijk te bepalen dat uitsluitend de aansprakelijkheidswetgeving van de lidstaat van herkomst toepasselijk kan zijn. Het oogmerk van het amendement was te voorkomen dat de beursvennootschap in meer dan één lidstaat aansprakelijk kan worden gesteld voor overeenkomstig de artikelen 4-6 van de Transparantierichtlijn openbaar te maken informatie. Nu het amendement niet is overgenomen, bestaat deze mogelijkheid nog steeds. Hieruit kan naar mijn menig (impliciet) worden afgeleid dat ook voor de artikelen 4-6 van de Transparantierichtlijn niet eenduidig de lidstaat is bepaald die de desbetreffende bepalingen in zijn nationale recht moet omzetten.
Vgl. Kamerstukken II, 2006/2007, 31 093, nr. 3, p. 4-7, in het bijzonder p. 5.
Pas bij de — daarop volgende — vraag welke toezichthouder bevoegd is om het prospectus goed te keuren, speelt de lidstaat van herkomt een rol.
Er vindt immers geen overtreding plaats van Nederlandse wet- of regelgeving.
Vgl. in die zin uitdrukkelijk overweging 1 Transparantierichtlijn, alwaar in één adem beleggersbescherming en marktefficiëntie worden genoemd.
Blijkens de parlementaire behandeling hebben overigens België en Italië eveneens voor een dergelijke systematiek van implementeren gekozen, vgl. Handelingen II, 11 juni 2008, 95, p. 6699.
De implementatie van de Transparantierichtlijn in de Nederlandse wet- en regelgeving is niet zonder slag of stoot gegaan. Zo is ten eerste de uiterste implementatiedatum niet gehaald.1 Daarnaast is de territoriale reikwijdte van de periodieke publicatieverplichtingen art. 5:25c — 5:25e Wft door aanname van een amendement in de Tweede Kamer2, te elfder ure, "significant" gewijzigd.3
In het oorspronkelijke voorstel voor de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn waren de periodieke publicatieverplichtingen van art. 5:25c5:25e Wft toepasselijk op beursvennootschappen "waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland."4 Door aanname van het genoemde amendement is territoriale reikwijdte van deze bepalingen gewijzigd. Op basis van het huidige art, 5:25b, lid 1, Wft5, gelden deze bepalingen thans voor beursvennootschappen "waarvan effecten zijn toegelaten tot een gereglementeerde markt en waarvan Nederland lidstaat van herkomst is."6 De reden voor deze aanpassing is, zo motiveerden de indieners van het amendement de door hen voorgestelde wijziging, dat Nederland anders verder zou gaan dan de Transparantierichtlijn vereist en afwijkt van omringende landen. "De richtlijn verplicht namelijk slechts de lidstaten van herkomt om deze verplichtingen op te leggen", aldus de toelichting op het amendement.7 Door de Minister van Financiën was verdedigd dat de Transparantierichtlijn "op dit punt open" is en dat vanuit "het oogpunt van beleggersbescherming (...) het logisch [is] dat je je vooral concentreert op zaken die zich in Nederland afspelen, ongeacht waar het bedrijf vandaan komt."8
Naar mijn mening constateert de minister terecht dat de Transparantierichtlijn wat betreft de territoriale reikwijdte van de door lidstaten op te leggen periodieke publicatieverplichtingen niet duidelijk is. De richtlijn bepaalt weliswaar dat de lidstaat van herkomst aan een uitgevende instelling strengere verplichtingen mag opleggen en dat het de lidstaat van ontvangst niet is toegestaan om strengere informatievereisten dan die uit hoofde van de Transparantierichtlijn op te leggen voor de toelating van effecten tot een op zijn grondgebied gelegen of werkzame gereglementeerde markt.9 Daarmee is echter niet gezegd van welke lidstaat — in terminologie van de Transparantie-richtlijn: dat van de lidstaat van herkomt of van ontvangst — het nationale recht de geharmoniseerde periodieke publicatieverplichtingen moet voorschrijven.
Enerzijds kan worden betoogd dat, zoals de huidige Nederlandse wetgeving bepaalt, het recht van de lidstaat van herkomst van de beursvennootschap daarvoor bepalend is. Men zou dit — impliciet — kunnen afleiden uit de in art. 3 Transparantierichtlijn opgenomen bevoegdheid dat het ook die lidstaat is, die strengere verplichtingen kan opleggen. Ook het Directoraat Interne Markt van de Europese Commissie lijkt deze opvatting te huldigen.10 Anderzijds kan evenzeer uit de in art. 3 Transparantierichtlijn opgenomen inperking voor lidstaten van ontvangst om verdergaande verplichtingen op te leggen, worden afgeleid dat het (nog) wel aan hen is om de geharmoniseerde (minimum)verplichtingen op te leggen. Betoogd kan immers worden dat deze bepaling overbodig zou zijn indien lidstaten, in de situatie dat zij de lidstaat van ontvangst vormen, überhaupt niet de bevoegdheid hebben om enige publicatieverplichting11 op te leggen.12 Ook valt naar mijn mening wel iets te zeggen voor de analyse die is opgenomen in de MvT bij het voorstel voor de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn. Dit geldt met name voor de daar genoemde aansluiting bij de implementatie van de Prospectusrichtlijn13 — ook de in het Nederlandse recht opgenomen prospectusplicht geldt immers ongeacht waar de beursvennootschap haar statutaire zetel heeft.14
Wat daar ook van zij; op basis van de thans geldende artikelen 5:25c — 5:25e Wft gelden de periodieke publicatieverplichtingen uitsluitend in de situatie dat de beursvennootschap Nederland als lidstaat van herkomst heeft. Dit kan — en zal doorgaans — derhalve samenvallen met het toegelaten hebben tot de handel van effecten op een gereglementeerde markt die werkzaam of gelegen is in Nederland. Wel dient voor ogen te worden gehouden dat voor een beursvennootschap waarvan in Nederland effecten tot de handel zijn toegelaten en die niet Nederland als de lidstaat van herkomst heeft — hetgeen bijvoorbeeld geldt voor de aandelen van Royal Dutch Shell plc. — het Nederlandse recht geen verplichting kent tot publicatie van periodieke financiële informatie. Indien dergelijke beursvennootschappen nalaten om (tijdig) (half)jaarlijkse financiële verslaggeving of kwartaalberichten te publiceren, heeft de AFM geen mogelijkheden om daartegen op te treden.15 Over de in art. 26, lid 2, Transparantierichtlijn opgenomen bevoegdheid voor de toezichthouder van de lidstaat van ontvangst om "passende maatregelen te nemen ter bescherming van de beleggers" indien sprake is van niet nakoming van de verplichtingen door een beursvennootschap, beschikt de AFM derhalve evenmin. Vanuit het perspectief dat de uit de Transparantierichtlijn voortvloeiende periodieke publicatieverplichtingen — mede — tot doel hebben bij te dragen aan de adequate werking van de effectenmarkten16, zet ik hier enige vraagtekens bij. Gezien deze doelstelling was voor de oorspronkelijk in het voorstel voor de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn opgenomen reikwijdte — door de Minister van Financiën "verengt" tot beleggersbescherming — veel te zeggen.17 Het leveren van een bijdrage aan de adequate werking van een effectenmarkt zal doorgaans immers effectiever bewerkstelligd worden door regelgeving qua reikwijdte (volledig) op die(zelfde) markt toepasselijk te laten zijn.