Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.2.5
4.2.2.5 De ontvankelijkheidsbeslissing-Fadeyeva/Rusland
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS445037:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 16 oktober 2003 (ontvankelijkheidsbeslissing), Fadeyeva/Rusland (zaaknr. 55723/00). Vergelijk in dezelfde zin EHRM 16 september 2004 (ontvankelijkheidsbeslissing), Ledyayeva e.a./Rusland (zaaknr. 53157/99). Bij het schetsen van het feitencomplex hiervóór heb ik overigens ook gebruik gemaakt van het later gewezen eindarrest (zie EHRM 9 juni 2005, Fadeyeva/Rusland (zaaknr. 55723/00)).
Zie EHRM 9 juni 2005, Fadeyeva/Rusland, r.o. 132-134 (zaaknr. 55723/00). Zie over dit arrest en concrete handelingen ter beëindiging van bestaande aantastingen nader paragraaf 4.3.
Fadeyeva woonde in Cherepovets, een plaats met een grote staalindustrie. Haar woning bevond zich dan ook dicht bij een grote staalfabriek. De lucht in de buurt van haar woning was door de door deze fabriek uitgestoten gevaarlijke stoffen zwaar vervuild. In de lucht ter plaatste werden concentraties van verschillende gevaarlijke stoffen gemeten die de door de Russische milieuregelgeving in bewoonde gebieden toegestane maxima ver overschreden. De Russische regering had er reeds in 1996 in een decreet op gewezen dat de vervuiling de volksgezondheid in Cherepovets deed verslechteren. In het bijzonder had zij erop gewezen dat de luchtvervuiling had geleid tot een toename van bloed- en luchtwegaandoeningen onder de bevolking van Cherepovets en eveneens tot een toename van het aantal sterfgevallen als gevolg van kanker. Fadeyeva eiste in de jaren ’90 van de vorige eeuw bij de nationale rechter dat zij vanwege de ernstige luchtvervuiling woonruimte in een veilig gebied toegewezen zou krijgen. De nationale rechter had geoordeeld dat Fadeyeva volgens Russisch recht inderdaad recht had op toewijzing van vervangende woonruimte in een veilig gebied en had de vordering daarom toegewezen in die zin dat de lokale autoriteiten haar op een wachtlijst voor nieuwe, door de overheid gefinancierde woonruimte moesten zetten. Van die wachtlijst had Fadeyeva als nummer 6820 echter niet veel te verwachten, want degene die helemaal boven aan de wachtlijst stond wachtte al sinds 1968 op nieuwe woonruimte. Fadeyeva legde de zaak (daarom) vervolgens aan het ehrm voor en klaagde er onder meer over dat de door de staalfabriek veroorzaakte ernstige luchtvervuiling haar gezondheid en leven bedreigde. Ten aanzien van deze klacht overwoog het ehrm in zijn ontvankelijkheidsbeslissing met betrekking tot artikel 2 Z als volgt:
‘Under Articles 2 and 3 of the Convention the applicant complains that the operation of the steel-plant in close proximity to her home endangers her life and health, and that the authorities’ failure to resettle her in a safer place is in breach of the above provisions.
First of all, the Court considers that the applicant in the present case did not face any “real and immediate risk” either to her physical integrity or her life (…). The alleged detriment suffered by the applicant cannot be said to raise any issues under Article 2 of the Convention and is more appropriately dealt with in the context of Article 8.’1
Later (in 2005) heeft het ehrm in deze zaak een eindarrest gewezen. Daarin stelde het uiteindelijk wel een schending van artikel 8evrm vast, omdat de overheid ten onrechte had nagelaten concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting van haar recht op respect voor haar woning en privéleven.2