Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/1.2:1.2 Onderzoeksvraag
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/1.2
1.2 Onderzoeksvraag
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197290:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag is dus in hoeverre het eigendomsgrondrecht de nationale soevereiniteit bij heffing en invordering van belastingen beperkt. Deze vraag wordt beantwoord op basis van het EVRM, het EU-recht en nationaal (constitutioneel) recht. In de eerste plaats wordt een antwoord gezocht in het (Eerste Protocol bij het) EVRM en in het EU-Handvest. Er bestaat een grote hoeveelheid jurisprudentie van het EHRM en de voormalige ECRM over eigendom aantastende belastingmaatregelen. De jurisprudentie van het HvJ over de verhouding tussen het EU-eigendomsgrondrecht en belastingen is daarentegen nog beperkt in omvang. Het zwaartepunt ligt daarom bij de rechtspraak van de Straatsburgse rechters, die geconfronteerd werden met de volgende soorten botsingen tussen heffings- en inningsbevoegdheid en eigendomsbescherming:
belastingen met een buitensporige effectieve druk (excessieve belastingen),
belastingheffing met materieel of formeel terugwerkende kracht, waarbij inbreuk wordt gemaakt op gerechtvaardigde verwachtingen van belastingplichtigen,
invorderingsmaatregelen waarbij de Staat onvoldoende rekening houdt met de belangen van de belastingschuldigden (excessieve invordering),
frustratie van rechten op belastingteruggaaf,
onvoldoende compensatie van rentegemis bij (excessieve) vertraging bij belastingrestituties,
ontbreken van een effectief rechtsmiddel tegen eigendomsaantasting door belastingheffing of -inning,
belastingwetgeving of -rechtspraak die van onvoldoende kwaliteit is om een eigendomsaantasting op te kunnen baseren (samen te vatten als willekeur), en
benadeling van belastingplichtigen door voor hen gunstige EU-richtlijnen niet of te laat te implementeren.
Grondrechten worden niet alleen door het EHRM en het HvJ/Handvest beschermd, maar ook (en vooral) in de nationale rechtsorde. Het is ook een voorwaarde voor ontvankelijkheid in Straatsburg (artikel 35, lid 1, van het EVRM) dat een klager alle rechtsmiddelen heeft uitgeput die hem in het nationale recht ter beschikking staan. Bijna altijd zal een nationale rechter zich dus al hebben uitgesproken over de vraag of het eigendomsgrondrecht wordt geschonden door belastingheffing, alvorens het EHRM of het HvJ zich over die vraag buigt. Als de nationale rechter minimaal dezelfde bescherming biedt als het EHRM/het HvJ is het voor belastingplichtigen in principe niet eens nodig om de internationale rechter te raadplegen en kan hij volstaan met een nationale procedure. Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden is het daarom evenzeer van belang kennis te nemen van de rechtspraak van nationale rechters, zowel in gevallen waarin de belastingplichtige ervoor heeft gekozen om zijn zaak naar Straatsburg te brengen (naar het HvJ kan hij de zaak niet zelf brengen: dat zal de nationale rechter moeten doen door prejudiciële vraagstelling) als in gevallen waarin het bij een nationale procedure is gebleven. Deze nationale rechtspraak vergelijk ik onderling en met die van het EHRM/HvJ. De landen die ik voor die rechtsvergelijking heb uitgekozen zijn Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Nederland is gekozen omdat het EVRM daar direct doorwerkt, zodat burgers en rechtspersonen zich bij de nationale rechter rechtstreeks op het EVRM kunnen beroepen zonder dat eerst omzetting in nationaal recht nodig is (monisme). De Nederlandse rechter kan (moet, desgevraagd) formele belastingwetgeving dus zelf aan artikel 1 Eerste Protocol toetsen. Hiermee heeft de Nederlandse belastingrechter ruime ervaring opgedaan, waardoor er een grote hoeveel jurisprudentie over eigendomsaantastingen door belastingmaatregelen bestaat. Het Verenigd Koninkrijk is uitgekozen omdat het een common law land is en omdat daar internationale mensenrechtenverdragen niet vanzelf doorwerken in de nationale rechtsorde. Daarvoor is eerst omzetting in nationaal recht nodig, wat in het geval van het EVRM is gebeurd door middel van de Human Rights Act. Hierdoor kunnen burgers en rechtspersonen in het Verenigd Koninkrijk – evenals in Nederland – een beroep bij de eigen rechter doen op de bepalingen uit het EVRM. Verschillen ten opzichte van Nederland zijn dat het Verenigd Koninkrijk geen eigen grondwet heeft en een common law land is, hoewel dat laatste op het vlak van belastingheffing niet heel veel verschil maakt omdat het bij belastingheffing vooral om Statute law gaat. Ik betrek tot slot Duitsland in de vergelijking, omdat de rechter aldaar – anders dan in Nederland en het Verenigd Koninkrijk – wél expliciet en zonder terughoudendheid eerst aan de eigen Grondwet toetst. Naar verwachting zal artikel 1 Eerste Protocol in Duitsland voor eigendomsbescherming daarom van veel minder belang zijn dan in Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Onderzocht zal worden wat de gevolgen zijn van dit verschil in toetsingskader (grondwet vs. EVRM), bijvoorbeeld voor wat betreft toetsingsintensiteit (intensief vs. marginaal) en de verhouding tot de wetgever, met name het parlement.