Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/18.8
18.8 Gevolgen van vernietiging van het dividend
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410262:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 51 Fw juncto art. 6:203 lid 2 BW.
Kamerstukken II 1981/82, 17 725, nr. 3, p. 60.
Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 135.
Geerts 2004, p. 286. Aldus ook Josephus Jitta, Tekst & Commentaar Ondernemingsrecht 2009, art. 2:356 BW.
Aldus ook Schutte-Veenstra 2012 en Lennarts 2006c, p. 11-14. Voor zover men zou concluderen dat art. 2:16 BW van toepassing is op andere vernietigingsgronden, meen ik dat de bijzondere regeling in art. 42 Fw e.v., en de daar gestelde eisen aan vernietiging, een uitzondering behelzen op deze bepaling; daarvoor wordt in de wetsgeschiedenis bij art. 2:16 BW uitdrukkelijk ruimte geboden.
Van Koppen 1998, p. 181.
Aldus ook Lennarts 2007, p. 973.
Wordt met succes de pauliana ingeroepen tegen een van de aan de uitkering ten grondslag liggende besluiten, dan kan de aandeelhouder worden aangesproken tot restitutie van het door hem ontvangen dividend. Door de aantasting van de besluitvorming komt de rechtsgrond aan de betaling te ontvallen en kan het uitgekeerde dividend als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd.1
Als de besluitvorming die aan de uitkering ten grondslag ligt op grond van art. 42 Fw is vernietigd, rijst de vraag of art. 2:16 lid 2 BW van toepassing is. Daarin is bepaald dat de vernietiging van een besluit geen werking heeft tegenover een derde indien deze het gebrek dat aan het besluit kleefde, kende noch behoorde te kennen. Art. 2:16 BW is van toepassing als een besluit op grond van art. 2:14 BW nietig is of op grond van art. 2:15 BW wordt vernietigd. De wetsgeschiedenis bij art. 2:16 BW is op dit punt niet helder, maar biedt aanknopingspunten voor het standpunt dat ook bij vernietiging op andere gronden de regeling van art. 2:16 BW geldt.2 Volgens Van der Grinten en Maeijer heeft de vernietiging van een besluit vanwege benadeling van schuldeisers echter een “geheel eigen karakter”, nu deze vernietiging uitsluitend werkt ten behoeve van de benadeelde schuldeisers en niet verder gaat dan nodig is ter opheffing van de door hen ondervonden benadeling. Daarom brengt naar hun oordeel een redelijke wetstoepassing mee dat de artikelen 2:15 en 2:16 BW hierop niet van toepassing zijn.3 Ook op de vernietiging van een besluit door de Ondernemingskamer is art. 2:16 BW niet van toepassing.4 Het moet er mijns inziens daarom voor worden gehouden dat de in art. 2:16 lid 2 BW vervatte bescherming niet van toepassing is als een besluit met een beroep op de pauliana is vernietigd.5
Men zij erop bedacht dat de vernietiging leidt tot objectief-relatieve nietigheid van het bestreden uitkeringsbesluit.6 Dit houdt in dat de uitkering niet verder nietig is dan nodig is om de benadeling van de gezamenlijke crediteuren op te heffen. Als het tekort in faillissement kleiner is dan het bedrag van de uitkering, kunnen de aandeelhouders daarom slechts worden aangesproken tot het bedrag van het tekort.7