Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.6.4.3:II.4.6.4.3 Tussenconclusie
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.6.4.3
II.4.6.4.3 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624619:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De algemene vormvoorschriften, die voor iedere uiterste wilsbeschikking gelden, verlangen mijns inziens niet dat erflater de inhoud van zijn uiterste wilsbeschikking steeds in volledigheid bepaalt. Het formele geldigheidsvereiste van art. 4:42 lid 3 BW verlangt immers enkel dat erflater zijn uiterste wilsbeschikking persoonlijk maakt, en zegt daarmee niets over de mogelijkheid om, binnen het gesloten stelsel passende, (hoogst)persoonlijk gemaakte delegatiebevoegdheden te verlenen. De vormvoorschriften van afdeling 4.4.4 BW verlangen voorts dat erflaters wil niet uit een buiten de uiterste wil gelegen instructie of geschrift blijkt. Hiervan is geen sprake indien erflater in zijn uiterste wil de opdracht aan een derde geeft om zijn wil na zijn overlijden nader te concretiseren. Deze concretisering dient dan overigens wel passend te zijn binnen het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen. Dat de wil van de derde dan niet aan de vormvoorschriften voldoet, is voor de geldigheid van erflaters wilsbeschikking irrelevant. De wil van de derde is immers niet erflaters wil en is niet aan de vormvoorschriften gebonden.
Voor de vraag welke mate van bepaaldheid vereist is voor de uiterste wilsbeschikking (en daarmee voor de vraag in hoeverre wilsdelegatie ten aanzien van de inhoud van de uiterste wilsbeschikking mogelijk is), dient mijns inziens dan ook niet gekeken te worden naar de algemene vormvoorschriften, maar naar de vereisten ten aanzien van de inhoud van iedere soort uiterste wilsbeschikking (art. 4:42 lid 1 BW) en daarmee naar hun materiële aard.1 In paragraaf 4.6.3 betoogde ik evenwel dat een groot aantal te onderscheiden soorten uiterste wilsbeschikkingen in essentie een vormvereiste inhoudt en geen materiële aard in erfrechtelijke zin kent. Dit is evenwel anders voor de erfstelling, het legaat en de testamentaire last. Alsmede voor de executeursbenoeming en het instellen van testamentair bewind, vanwege hun uitgebreide regeling in afdeling 4.5.6 BW resp. afdeling 4.5.7 BW.2 In het navolgende hoofdstuk staan deze uiterste wilsbeschikkingen dan ook centraal. Welke vereisten ten aanzien van de inhoud gelden er voor hen, tot welke mate van bepaaldheid leiden deze vereisten en kan er vervolgens ten aanzien van hun inhoud worden gedelegeerd?