Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/6.3.1
6.3.1 Effectieve rechtsbescherming
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS604572:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 december 1915, NJ 1916, 407 (Guldemond/Noordwijkerhout) en HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0527, NJ 1992, 687 (Changoe).
Zie artikel 8: 72 Awb en artikel 223 Rv.
Wet van 4 mei 2010, Stb. 2010, nr. 175. Zie in het bijzonder artikel 42 lid 4 Wet RvS: ‘Een lid van de Afdeling bestuursrechtspraak dat betrokken is geweest bij de totstandkoming van een advies van de Raad, neemt geen deel aan de behandeling van een geschil over een rechtsvraag waarop dat advies betrekking had.’
EHRM 6 mei 2003, zaaknr. 39343/98, 39651/98, 43147/98, 46664/99 (Kleyn e.a.).
HvJ EU 8 november 2016, C-243/15 (Lesoochranárske zoskupenie VLK).
Artikel 9 lid 2 Verdrag van Aarhus.
Artikel 6 lid 1 aanhef en onder a en b Verdrag van Aarhus.
HvJ EU 8 november 2016, C-243/15 (Lesoochranárske zoskupenie VLK), r.o. 46-49.
Vgl. HvJ EU 28 juli 2016, C-457/15 (Vattenfall), r.o. 26-43.
Artikel 4 jo bijlage I Richtlijn 2003/87/EG. Zie in het verlengde daarvan ook artikel 3 bijlage I Richtlijn 2003/87/EG, waaruit volgt dat eenheden die uitsluitend biomassa stoken niet worden meegerekend voor de vraag of een activiteit onder het ETS valt. Daaruit volgt dus dat een installatie die 50 MW of meer stookt en dus onder bijlage I van het Verdrag van Aarhus valt, niet vergunningplichtig hoeft te zijn onder het ETS, indien er zoveel eenheden uitsluitend biomassa verstoken dat met de overige eenheden de drempelwaarde van 20MW niet wordt gehaald.
Anders: Teuben 2005, p. 311 en MacDonald & Makuch 2006, p. 140.
Zie naar analogie de redenering van Teuben in het kader van de toenmalige IPPC-richtlijn: Teuben 2005, p. 217-221.
Anders: MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32197, nr. 3, p. 5.
HvJ EU 8 november 2016, C-243/15 (Lesoochranárske zoskupenie VLK), r.o. 45.
HvJ EU 8 november 2016, C-243/15 (Lesoochranárske zoskupenie VLK), r.o. 46.
De Nederlandse rechtsbescherming ten aanzien van de implementatieregels van de Richtlijn ETS voldoet aan het beginsel van een effectieve rechtsbescherming. In Nederland heeft degene die van mening is dat zijn rechten worden geschonden, altijd toegang tot de rechter. Indien er geen beroep openstaat bij de bestuursrechter (bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang of indien beroep bij de bestuursrechter expliciet is uitgesloten), dan kan hij terecht bij de burgerlijke rechter.1 Zowel de bestuursrechter als de burgerlijke rechter beschikt over voldoende rechtsmiddelen, waaronder de bevoegdheid tot het treffen van een voorlopige voorziening.2 Ook de onafhankelijkheid van de Nederlandse rechter staat vast. Sinds het arrest Kleyn e.a. en de opvolgende Nederlandse wijziging van de Wet op de Raad van State,3 staat vast dat ook de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State voldoet aan de criteria die artikel 6 EVRM stelt aan de onafhankelijkheid.4
Wat betreft rechtsbescherming tegen milieubelastende besluiten speelt ook het Verdrag van Aarhus een belangrijke rol. Zoals uit het arrest Lesoochranárske zoskupenie VLK is op te maken, moet het ‘betrokken publiek’ als bedoeld in artikel 9 lid 2 Verdrag van Aarhus bij een milieubelastende activiteit beroep kunnen instellen bij de bestuursrechter. Het Hof bepaalde daar dat een alternatieve rechtsgang in dat geval niet voldoet aan de eisen die voortvloeien uit artikel 47 Handvest jo artikel 9 leden 2 en 4 Verdrag van Aarhus.5 Daarbij is van belang dat het milieubelastende besluit tevens onder artikel 6 Verdrag van Aarhus valt.6 Dit is het geval voor de vergunningverlening voor activiteiten die zijn genoemd in bijlage I bij het Verdrag van Aarhus, of die anderszins significante gevolgen voor het milieu hebben.7 Het is de vraag of de broeikasgasemissievergunning moet worden gezien als een dergelijk besluit. Deze vraag is niet alleen van belang vanuit het perspectief van de toegang tot de bestuursrechter, maar ook voor wat betreft de inspraakmogelijkheden bij de broeikasgasemissievergunning. Immers, naar Nederlands recht wordt voor die vergunningverlening een reguliere Awbprocedure gevolgd, terwijl artikel 6 Verdrag van Aarhus in dat geval een inspraakmogelijkheid voor het publiek vereist.8 De reguliere Awbprocedure bevat geen inspraakmogelijkheid voor het publiek.
Mijns inziens valt de broeikasgasemissievergunning over het algemeen niet onder artikel 6 Verdrag van Aarhus en bijgevolg niet onder de reikwijdte van artikel 9 lid 2 van dat verdrag. Immers, de vraag of de activiteiten mogen worden verricht is niet afhankelijk van de broeikasgasemissievergunning. Voor zover de uitstoot van broeikasgassen op enige wijze kan worden voorkomen, zijn de activiteiten toegestaan, mits zij de overige benodigde vergunningen hebben.9 Met andere woorden, de broeikasgasemissievergunning ziet op de activiteit in samenhang met de daarbij genoemde broeikasgasuitstoot,10 en niet op de activiteiten als genoemd in bijlage I Verdrag van Aarhus als zodanig.11 De inspraakmogelijkheid ziet dan ook veeleer op de omgevingsvergunning, die immers mede de door de Richtlijn IE voorgeschreven vergunning implementeert en betrekking heeft op milieubelastende activiteiten, ongeacht de vraag of er sprake is van een uitstoot. Daarbij zijn de activiteiten genoemd in bijlage I Aarhusverdrag in ieder geval vergunningplichtig.12
Echter, voor zover een activiteit niet in bijlage I Verdrag van Aarhus is genoemd, geen omgevingsvergunningplicht heeft en wel een broeikasgasemissievergunningplicht heeft, zou de broeikasgasemissievergunning kunnen vallen onder artikel 6 lid 1 onder b Verdrag van Aarhus. Deze bepaling regelt dat iedere verdragsstaat, voor zover relevant:
‘also apply the provisions of this article to decisions on proposed activities not listed in annex I which may have a significant effect on the environment’.
De broeikasgasuitstoot als gereguleerd door de broeikasgasemissievergunning ziet op significante effecten op het milieu. Daarbij moet worden opgemerkt dat de individuele uitstoot van een bedrijf wellicht niet significant bijdraagt aan de gevolgen voor het klimaat (wat onder milieueffecten kan worden geschaard). Echter de cumulatie van broeikasgassen in de atmosfeer heeft wel significante gevolgen. Doordat de broeikasgasemissievergunning de uitstoot van broeikasgassen toelaat zolang er voldoende emissierechten worden ingeleverd, is hier sprake van een (potentieel) significant effect van de activiteit op het klimaat.13 Derhalve vallen deze activiteiten onder artikel 6 lid 1 aanhef en onder b. Nu er geen inspraakmogelijkheid voor het publiek bestaat bij deze vergunningen handelt Nederland in zoverre in strijd met het het Verdrag van Aarhus,14 dat deel uitmaakt van de EU-rechtsorde.15 Deze strijd kan worden opgelost door een inspraakmogelijkheid voor de betreffende activiteiten in het leven te roepen. Deze inspraak is in beginsel vormvrij, zolang het publiek zijn opmerkingen onder de voorwaarden van artikel 6 maar kenbaar kan maken. Het Hof overweegt daarover:
‘Blijkens dit artikel 6, leden 3, 4 en 7, verleent dit artikel het publiek met name het recht om “gedurende de milieu-besluitvorming doeltreffend” deel te nemen, door “schriftelijk of, indien van toepassing, tijdens een hoorzitting of onderzoek met de verzoeker, alle opmerkingen, informatie, analyses of meningen naar voren te brengen die het relevant acht voor de voorgestelde activiteit”. Deze inspraak moet “vroegtijdig” aanvangen, dat wil zeggen “wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden”.’16