De Europese Executoriale Titel
Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2014/2:Bijlage 2 Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (COM (2004) 173 def. - COD 2004/0055)
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2014/2
Bijlage 2 Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (COM (2004) 173 def. - COD 2004/0055)
Documentgegevens:
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS377023:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 61, onder c),
Gezien het voorstel van de Commissie1,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal ComitŽ2,
Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag3,
Overwegende hetgeen volgt:
De Gemeenschap heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te handhaven en te ontwikkelen waarin het vrije verkeer van personen is gewaarborgd. Met het oog daarop moet neemt de Gemeenschap onder meer de maatregelen op het gebied van de justiti'le samenwerking in burgerlijke zaken nemen die nodig zijn voor de goede werking van de interne markt.
De Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft de Raad en de Commissie verzocht nieuwe wetgeving uit te werken betreffende kwesties die een soepele justiti'le samenwerking en een betere toegang tot het recht bevorderen, en heeft in deze context uitdrukkelijk verwezen naar het betalingsbevel.
Op 30 november 2000 heeft de Raad een gezamenlijk programma van de Commissie en de Raad aangenomen betreffende maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken4. Dit programma voorziet in de mogelijkheid om in de Gemeenschap een specifieke, eenvormige of geharmoniseerde procedure in te voeren om op bepaalde gebieden, waaronder dat van de niet-betwiste schuldvorderingen, een rechterlijke beslissing te verkrijgen.
Op 20 december 2002 heeft de Commissie een Groenboek betreffende een Europese procedure inzake betalingsbevelen en maatregelen ter vereenvoudiging en bespoediging van de procesvoering over geringe vorderingen aangenomen. Het groenboek heeft een raadpleging op gang gebracht over de mogelijke doelstellingen en kenmerken van een eenvormige of geharmoniseerde Europese procedure voor de invordering van niet-betwiste schuldvorderingen.
De snelle en effici'nte invordering van openstaande schulden die niet het voorwerp van een rechtsgeschil zijn, is van het grootste belang voor het bedrijfsleven in de Europese Unie aangezien betalingsachterstanden een belangrijke oorzaak zijn van insolventie die het voortbestaan van bedrijven, vooral kleine en middelgrote bedrijven, in gevaar brengt en tot een groot verlies aan banen leidt.
Hoewel alle lidstaten de kwestie van de invordering van het grote aantal niet-betwiste schuldvorderingen proberen aan te pakken, waarbij de meeste lidstaten een vereenvoudigde betalingsbevelprocedure uitwerken, verschilt zowel de inhoud van de nationale wetgeving als de doeltreffendheid van de interne procedures aanzienlijk. Bovendien zijn acties op grond van de huidige regelgeving in grensoverschrijdende situaties vaak niet-ontvankelijk of in de praktijk niet haalbaar.
De daaruit voortvloeiende belemmeringen voor de toegang tot effici'nte verhaalmogelijkheden, met name in grensoverschrijdende situaties, en de verstoring van de mededinging in de interne markt ten gevolge van de ongelijke doeltreffendheid van de procedurele middelen die de schuldeisers in de verschillende lidstaten ter beschikking staan, maken gemeenschapswetgeving noodzakelijk die schuldeisers en schuldenaren in de gehele Europese Unie gelijke concurrentievoorwaarden waarborgt.
De Europese betalingsbevelprocedure moet de bestaande mechanismen voor de invordering van niet-betwiste schuldvorderingen vervangen noch harmoniseren, maar moet een extra mogelijkheid bieden aan de schuldeiser, aan wie het vrij blijft staan om een procedure op grond van het interne recht in te leiden.
Het Europese betalingsbevel moet voor alle contractuele en niet-contractuele civiele geldvorderingen beschikbaar zijn, met uitzondering van vorderingen in verband met de vermogensrechtelijke gevolgen van een huwelijk of een soortgelijke relatie, aangezien rechterlijke instanties Ð zelfs ingeval de vordering niet wordt betwist Ð in dat soort zaken vaak niet mogen voortgaan op beweringen van de eiser maar ambtshalve de feiten moeten onderzoeken. De procedure mag niet worden beperkt tot vorderingen onder een bepaald maximumbedrag. De procedure mag evenwel niet gelden voor vorderingen die op het ogenblik van het verzoek nog niet opeisbaar zijn, en met name toekomstige periodieke betalingen.
In het kader van de procedure moet voor de communicatie tussen de rechterlijke instantie en de partijen zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van standaardformulieren, teneinde de afhandeling ervan te vergemakkelijken en het gebruik van automatische gegevensverwerking mogelijk te maken.
De eiser moet worden verplicht om in het verzoek om een Europees betalingsbevel gegevens te verstrekken die het mogelijk maken de vordering en de gronden ervoor duidelijk te identificeren, waardoor de verweerder met kennis van zaken kan beslissen of hij de vordering al dan niet wil betwisten. In deze context moet de eiser ook verplicht zijn enig bewijs aan te voeren waarop hij zou kunnen steunen om de juistheid van zijn beweringen aan te tonen, zonder dat hij daadwerkelijk een schriftelijk bewijsstuk moet overleggen aan de rechterlijke instantie.
De rechterlijke instantie moet na onderzoek van de naleving van de in deze verordening bedoelde vormvereisten een Europese uitnodiging tot betaling uitvaardigen. Het gerecht moet zich niet inlaten met een beoordeling van de gronden van de betrokken vordering.
In de Europese uitnodiging tot betaling moet de verweerder ervan in kennis worden gesteld dat hij ofwel de openstaande schuld aan de eiser kan betalen, ofwel binnen een termijn van drie weken een verweerschrift kan indienen, indien hij de vordering wil betwisten. Naast volledige informatie over de vordering, die door de eiser wordt verstrekt, moet de verweerder op de hoogte worden gebracht van de juridische betekenis van de uitnodiging tot betaling en met name van de gevolgen van het niet betwisten van de vordering.
Een tijdig ingediend verweerschrift moet een einde stellen aan de Europese betalingsbevelprocedure en moet de zaak automatisch doen overgaan naar een gewone burgerrechtelijke procedure, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht om de procedure in dat geval stop te zetten.
Het bij gebreke van verweerschrift af te geven Europees betalingsbevel moet onmiddellijk uitvoerbaar zijn tegen de verweerder. Het moet evenwel mogelijk zijn daartegen verzet aan te tekenen, dat in wezen dezelfde gevolgen moet hebben als een verweerschrift. Wanneer geen verzet wordt aangetekend, moet het betalingsbevel dezelfde status hebben als een eindvonnis dat wordt gewezen in gewone burgerrechtelijke procedures.
Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van zowel Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken5 als Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken6.
Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de invoering van een eenvormig, snel en effici 'nt mechanisme voor de invordering van niet-betwiste geldvorderingen binnen de Europese Unie, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van de verordening beter op Gemeenschapsniveau kan worden bereikt, kan de Gemeenschap maatregelen vaststellen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. en beperkt zij met name de ingrepen in het nationale procesrecht tot een minimum aangezien zij de nationale vereenvoudigde procedures niet vervangt maar daaraan een extra mogelijkheid toevoegt.
Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht. Deze verordening beoogt meer bepaald te waarborgen dat het recht op een eerlijk proces, zoals dat wordt erkend in artikel 47 van het Handvest, volledig wordt geëerbiedigd.
De voor de uitvoering van deze verordening noodzakelijke maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden7.
[Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet aan de aanneming van deze verordening deel, die derhalve niet bindend voor noch van toepassing in deze twee landen is.]/[Overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland schriftelijk kenbaar gemaakt dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en de toepassing van deze verordening.]
Denemarken neemt overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, gevoegd bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, niet deel aan de aanneming van deze verordening, zodat deze niet verbindend, noch van toepassing op Ierland is.
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1. Werkingssfeer
Deze verordening is van toepassing op burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van de betrokken rechterlijke instantie. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.
De Europese betalingsbevelprocedure is niet van toepassing op schuldvorderingen uit hoofde van:
de vermogensrechtelijke gevolgen van een huwelijk of van een soortgelijke relatie;
faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures;
de sociale zekerheid.
Voor de toepassing van deze verordening omvat het begrip ‘rechterlijke instantie’ de ‘Zweedse gerechtsdeurwaardersinstantie’ (kronofogdemyndighet).
In deze verordening wordt onder ‘lidstaat’ verstaan: alle lidstaten behalve Denemarken. [het Verenigd Koninkrijk, Ierland]
Artikel 2. Europese betalingsbevelprocedure
Hierbij wordt een Europese betalingsbevelprocedure ingevoerd voor de invordering van niet-betwiste liquide geldvorderingen die opeisbaar zijn op het ogenblik waarop het verzoek om een Europees betalingsbevel wordt ingediend.
Niets belet een schuldeiser om een vordering in de zin van lid 1 geldig te maken door een andere, op het recht van een lidstaat gebaseerde procedure te gebruiken, ongeacht of het gaat om een gewone of een summiere procedure.
Artikel 3. Verzoek om een Europees betalingsbevel
Een verzoek om een Europees betalingsbevel wordt ingediend aan de hand van het in bijlage 1 opgenomen standaardformulier.
In het verzoek wordt vermeld:
de namen en adressen van de partijen en de rechterlijke instantie waarbij het verzoek is ingediend,
het bedrag van de vordering;
indien rente wordt gevorderd over de schuldvordering, de rentevoet en de periode waarvoor rente wordt gevorderd, tenzij de hoofdsom krachtens de wetgeving van de lidstaat haar het verzoek is ingediend van rechtswege wordt vermeerderd met de wettelijke rente;
het voorwerp van de actie, met inbegrip van een korte beschrijving van de omstandigheden die worden aangevoerd als grondslag van de vordering en, in voorkomend geval, van de gevorderde rente;
de korte beschrijving van ten minste ŽŽn bewijselement dat in een gewone burgerrechtelijke procedure zou kunnen worden aangevoerd om de vordering te staven.
Het verzoek wordt ondertekend door de eiser of zijn vertegenwoordiger hetzij handgeschreven hetzij door middel van een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen.
Artikel 4. Vereisten voor de uitvaardiging van een Europees betalingsbevel
De rechterlijke instantie waarbij een verzoek is ingediend, onderzoekt of is voldaan aan de in de artikelen 1, 2 en 3 bedoelde vereisten.
Wanneer de rechterlijke instantie overweegt het verzoek af te wijzen wegens niet-naleving van de vereisten van artikel 3, kan zij de eiser de mogelijkheid bieden om het verzoek aan te vullen of te corrigeren.
Artikel 5. Afwijzing van het verzoek
De rechterlijke instantie wijst het verzoek in zijn geheel af indien voor de betrokken vordering of delen ervan niet is voldaan aan de in artikel 4 vastgestelde vereisten.
Tegen de afwijzing van een verzoek om een Europees betalingsbevel kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
De afwijzing belet niet dat de eiser een gewone gerechtelijke procedure inleidt met betrekking tot dezelfde vordering.
Artikel 6. Europese uitnodiging tot betaling
Indien is voldaan aan de in artikel 4 vastgestelde vereisten geeft de rechterlijke instantie een Europese uitnodiging tot betaling af met gebruikmaking van het in bijlage 2 opgenomen standaardformulier.
De Europese uitnodiging tot betaling wordt aan de verweerder betekend. Een methode van betekening zonder bewijs van ontvangst door de verweerder persoonlijk is niet toegestaan indien zijn adres niet met zekerheid bekend is.
In de uitnodiging tot betaling wordt de verweerder ervan in kennis gesteld dat hij de mogelijkheid heeft om
de eiser het gevorderde bedrag te betalen, met inbegrip van de gevorderde rente en kosten, en een verklaring in te dienen waarbij de rechterlijke instantie in kennis wordt gesteld van de betaling; of
een verweerschrift in te dienen met betrekking tot de vordering of delen ervan,
binnen drie weken na de datum van betekening van de Europese uitnodiging tot betaling overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waarin de betekening plaatsvindt.
In de uitnodiging tot betaling wordt de verweerder ervan op de hoogte gebracht dat
de rechterlijke instantie de gegrondheid van de vordering niet vooraf heeft onderzocht
de rechterlijke instantie een uitvoerbare beslissing zal geven, tenzij de verweerder een verweerschrift of een verklaring waarbij de rechterlijke instantie in kennis wordt gesteld van de betaling van de vordering indient binnen de in lid 3 vastgestelde termijn
Met het oog op de stuiting van de verjaring, wordt de Europese uitnodiging tot betaling gelijkgesteld met een dagvaarding in een gewone burgerrechtelijke procedure.
Artikel 7. Verweerschrift
De verweerder kan een verweerschrift indienen door middel van het in bijlage 2 opgenomen standaardantwoordformulier, dat hem samen met de uitnodiging tot betaling wordt verstrekt, of in enige andere vorm.
In het verweerschrift vermeldt de verweerder duidelijk of hij de betrokken vordering volledig of slechts gedeeltelijk betwist. Hij is niet verplicht te specificeren op grond waarvan hij de vordering betwist.
Het verweerschrift wordt ondertekend door de verweerder of zijn vertegenwoordiger hetzij handgeschreven hetzij door middel van een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen.
Artikel 8. Gevolgen van een verweerschrift
Indien een verweerschrift is ingediend binnen de in artikel 6, lid 3, vastgestelde termijn, wordt de procedure voortgezet overeenkomstig de regels van het gewone burgerlijke procesrecht, tenzij de eiser in zijn verzoek uitdrukkelijk heeft verzocht om de procedure in dat geval stop te zetten.
De overgang naar een gewone procedure in de zin van lid 1 wordt beheerst door het recht van de lidstaat waar de Europese uitnodiging tot betaling werd uitgevaardigd.
Artikel 9. Europees betalingsbevel
Bij gebreke van een verweerschrift of een verklaring waarbij de rechterlijke instantie in kennis wordt gesteld van de betaling binnen de in artikel 6, lid 3, vastgestelde termijn, vaardigt de rechterlijke instantie ambtshalve een Europees betalingsbevel uit met gebruikmaking van het in bijlage 3 opgenomen standaardformulier.
Het Europese betalingsbevel wordt betekend aan de verweerder. Een methode van betekening zonder bewijs van ontvangst door de verweerder persoonlijk is niet toegestaan indien zijn adres niet met zekerheid bekend is.
In het Europese betalingsbevel wordt de verweerder meegedeeld dat hij tegen het Europese betalingsbevel binnen een termijn van drie weken vanaf de datum van de betekening ervan verzet kan aantekenen bij de rechterlijke instantie die dit betalingsbevel heeft afgegeven overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waarin de betekening plaatsvindt.
Artikel 10. Uitvoerbaarheid van het Europese betalingsbevel
Het Europese betalingsbevel is uitvoerbaar zonder zekerheidstelling.
Onverminderd lid 1, worden de voorwaarden voor de uitvoerbaarheid en de opschorting of beperking ervan, met name in geval van verzet in de zin van artikel 11, beheerst door het recht van de lidstaat waar het betalingsbevel is afgegeven.
Artikel 11. Verzet tegen het Europese betalingsbevel
De verweerder kan verzet aantekenen tegen het Europese betalingsbevel door middel van het in bijlage 3 opgenomen standaardformulier, dat hem wordt verstrekt samen met het Europese betalingsbevel, of in enige andere vorm.
Bij het aantekenen van verzet moet de verweerder duidelijk vermelden of hij de betrokken vordering volledig of slechts gedeeltelijk betwist en, in dat laatste geval, tegen welke delen van de vordering hij bezwaar maakt. Hij is niet verplicht te specificeren op grond waarvan hij de vordering betwist.
Het verzetschrift wordt ondertekend door de verweerder of zijn vertegenwoordiger hetzij handgeschreven hetzij door middel van een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen.
Na het verstrijken van de in artikel 9, lid 3, vermelde termijn is de schuldenaar gerechtigd om Ð onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de wetgeving van de lidstaat waar het betalingsbevel werd uitgevaardigd en die ter kennis zijn gebracht van de Commissie overeenkomstig artikel Ð (19 A) van Verordening ----/--/EG van het Europees Parlement en de Raad van ------ tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen Ð een herziening te vragen van het betalingsbevel, wanneer
voor het betalingsbevel een methode van betekening zonder bewijs van ontvangst door hem persoonlijk werd toegepast; en
de betekening buiten zijn toedoen laattijdig of zodanig werd verricht, dat hij niet in staat was zich te verdedigen,
de schuldenaar als gevolg van overmacht of wegens uitzonderlijke, buiten zijn toedoen ingetreden omstandigheden de vordering niet kon betwisten, mits hij in beide gevallen onmiddellijk handelt.
Artikel 12. Gevolgen van het aantekenen van verzet
Indien verzet wordt aangetekend binnen de in artikel 9, lid 3, vastgestelde termijn, wordt de procedure voortgezet overeenkomstig de regels van het gewone burgerlijke procesrecht, tenzij de eiser in zijn verzoek uitdrukkelijk heeft verzocht om de procedure in dat geval stop te zetten.
De overgang naar een gewone procedure in de zin van lid 1 wordt beheerst door het recht van de lidstaat waar het Europese betalingsbevel werd uitgevaardigd.
Een verweerschrift dat is ingediend na het verstrijken van de in artikel 6, lid 3, vastgestelde termijn maar binnen de in artikel 9, lid 3, bedoelde termijn heeft dezelfde gevolgen als een verzet.
Artikel 13. Procesvertegenwoordiging
Vertegenwoordiging door een advocaat of een andere beoefenaar van een juridisch beroep is niet verplicht
voor de eiser bij het indienen van het verzoek om een Europees betalingsbevel
voor de verweerder bij het indienen van een verweerschrift of het aantekenen van verzet tegen een Europees betalingsbevel.
De verplichte procesvertegenwoordiging in de gewone burgerrechtelijke procedure die volgt op het indienen van een verweerschrift of het aantekenen van verzet tegen een Europees betalingsbevel, wordt beheerst door het recht van de lidstaat waar de procedure wordt gevoerd.
Artikel 14. Kosten
De totale gerechtskosten van een Europese betalingsbevelprocedure en van de gewone burgerrechtelijke procedure die volgt op het indienen van een verweerschrift of het aantekenen van verzet tegen het Europese betalingsbevel, zijn niet hoger dan de kosten van een gewone burgerrechtelijke procedure waaraan geen Europese betalingsbevelprocedure is voorafgegaan.
Artikel 15. Verhouding tot het nationale procesrecht
Alle procedurekwesties die niet specifiek worden geregeld in deze verordening, worden beheerst door het recht van de lidstaat waar de Europese betalingsbevelprocedure wordt gevoerd.
Artikel 16. Gegevens over de bevoegde rechterlijke instanties
Uiterlijk op 1 juli 2005 deelt elke lidstaat aan de Commissie mee welke rechterlijke instanties bevoegd zijn om een Europees betalingsbevel af te geven. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle latere wijzigingen van deze gegevens.
De Commissie maakt de door de lidstaten overeenkomstig lid 1 verstrekte gegevens bekend en werkt deze gegevens, indien nodig, bij.
Artikel 17. Uitvoeringsbepalingen
De in de bijlagen opgenomen standaardformulieren worden bijgewerkt of gewijzigd overeenkomstig de in artikel 19 bedoelde raadplegingsprocedure.
Artikel 18. ComitŽé
De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 75 van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad bedoelde comitŽé.
In de gevallen waarin naar dit artikel wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.
Artikel 19. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2006.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.