Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.4.6
2.4.6 Het zakelijke karakter van het Wegnahmerecht
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645048:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit geval doet denken aan de Digestenteksten die verhaalden dat iemand een actio ad exhibendum kon instellen als zijn zaken zich op de grond van een ander bevonden, maar aan hem de toegang tot die zaken was ontzegd. Zie bijvoorbeeld: D. 10, 4, 5, 2-6.
Volgens §581 BGB zijn de artikelen over huur ook van toepassing op pacht.
BGH 08-07-1981 – VIII ZR 326/80 – BGHZ 81, 146-152, Rn. 24. Helaas voor de pachter was het zakelijke Wegnahmerecht en daardoor ook de vordering op een gebruiksvergoeding verjaard. De actie tot afscheiding moest namelijk volgens §558 (oud) BGB jo §547a (oud) BGB (het huidige §548 BGB jo §539 BGB) binnen zes maanden ingesteld worden, anders kwam de actie te vervallen. Dit is thans nog steeds het geval: §548 lid 1 BGB: “Die Ersatzansprüche des Vermieters wegen Veränderungen oder Verschlechterungen der Mietsache verjähren in sechs Monaten. Die Verjährung beginnt mit dem Zeitpunkt, in dem er die Mietsache zurückerhält. Mit der Verjährung des Anspruchs des Vermieters auf Rückgabe der Mietsache verjähren auch seine Ersatzansprüche.” Lid 2: “Ansprüche des Mieters auf Ersatz von Aufwendungen oder auf Gestattung der Wegnahme einer Einrichtung verjähren in sechs Monaten nach der Beendigung des Mietverhältnisses.”
§562 lid 1 BGB: “Der Vermieter hat für seine Forderungen aus dem Mietverhältnis ein Pfandrecht an den eingebrachten Sachen des Mieters. Es erstreckt sich nicht auf die Sachen, die der Pfändung nicht unterliegen.” Lid 2: “Für künftige Entschädigungsforderungen und für die Miete für eine spätere Zeit als das laufende und das folgende Mietjahr kann das Pfandrecht nicht geltend gemacht werden.”
Het BGH vergeleek in dit geval het uitoefenen van het pandrecht met het uitoefenen van een retentierecht. Volgens §202 BGB leidde het inroepen van een retentierecht niet tot stuiting van de verjaringstermijn van een actie. Als de eiser zijn zaak bij de gedaagde opeist, zonder dat hijzelf zijn eigen prestatie nakomt, heeft de gedaagde een retentierecht. De gedaagde kan daarmee de zaak onder zich houden, totdat de eiser heeft betaald. De verjaringstermijn van de actie die de eiser tegen de gedaagde heeft blijft echter gedurende de uitoefening van het retentierecht lopen. BGH 13 mei 1987 – VIII ZR 136/86 – BGHZ 101, 37-48, Rn 20 e.v.
Rieländer (2014), p. 495.
Een Wegnahmerecht heeft volgens het BGH een zakelijk karakter. In twee arresten werd dit expliciet geoordeeld.1 In het eerste arrest uit 1981 was de casus als volgt. Een pachter (een stratenbouwonderneming M, hierna: M) had op de grond van de verpachter onder meer houten loodsen, barakken, een vrachtwagengarage, een laadplaats, twee lichtmasten en zinkputten geplaatst. Deze zaken waren schijnbestanddelen van de grond, aangezien ze tijdelijk, namelijk zolang het pachtcontract duurde, met de grond waren verbonden (§95 BGB). Nadat het pachtcontract was verlopen, kreeg de verpachter de grond weer terug van M. De bovengenoemde zaken bleven echter op of in het terrein van de verpachter.2 Laatstgenoemde verpachtte de grond vervolgens aan een ander (pachter II). M had op grond van het pachtcontract een recht op het wegnemen van zijn objecten.3 De verpachter - en daardoor ook pachter II - moesten het wegnemen van deze zaken dulden. De relevante overweging van het BGH luidt als volgt:
“Der Anspruch auf Gestattung der Wegnahme ist dinglicher Natur. Hatte der Pächter das Eigentum an den Einrichtungen verloren (§94 BGB), so kommt das darin zum Ausdruck, daβ sich in der Wegnahme die (Wiederaneignung) Aneignung vollzieht. Ist der Pächter dagegen, wie im vorliegenden Falle, Eigentümer der Einrichtungen geblieben, so erweist sich der dingliche Charakter des Gestattungsanspruchs, wie in der älteren Literatur überzeugend dargelegt worden ist, in der Beschränkung des Eigentumsherausgabeanspruchs gemäβ §986 BGB in seinem Voraussetzungen und Wirkungen.”4
In het tweede arrest uit 1987 was eveneens sprake van een pachtovereenkomst. De pachter huurde van de gedaagde (verpachter) een bioscoop (“Lichtspieltheater”) en voegde onder andere aan de bioscoopzaal verschillende zaken toe. De pachtovereenkomst werd door de verpachter opgezegd, omdat de pachter niet of niet op tijd de pachtsommen betaalde. Deze vorderde afscheiding van de toegevoegde zaken op grond van het pachtcontract. Aangezien de verpachter nog geld van haar moest krijgen had hij een wettelijk pandrecht op de toegevoegde zaken, een zogenaamd “Vermieterpfandrecht”.5 Doordat de verpachter het pandrecht uitoefende, kon hij het Wegnahmerecht van de pachter afweren. Het BGH oordeelde dat de uitoefening van dit pandrecht niet tot stuiting van de vervaltermijn van het Wegnahmerecht leidde. Deze termijn van zes maanden was verlopen.6 Het BGH bevestigde in dit arrest dat het Wegnahmerecht een zakelijk karakter had (“Dieser Anspruch ist dinglicher Natur”).7 Ook oordeelde het dat de pachter nog steeds eigenaar was van de toegevoegde zaken (die schijnbestanddelen waren van de bioscoopruimte), maar doordat het Wegnahmerecht was vervallen, verkreeg de verpachter het rechtmatige bezit van deze zaken. Met het wegvallen van het wegneemrecht vervielen de acties op grond van de ongerechtvaardigde verrijking en kon de pachter evenmin een gebruiksvergoeding eisen.8
Tot slot het volgende. Een Wegnahmerecht rust niet op een bestanddeel van de zaak, maar op de gehele zaak. Hierdoor staat het zakelijke karakter van een wettelijk wegneemrecht niet op gespannen voet met §93 BGB. In dat artikel is het Duitse eenheidsbeginsel gecodificeerd, dat inhoudt dat geen zakelijke rechten kunnen rusten op wezenlijke bestanddelen. Ook het hierna te bespreken Aneignungsrecht, dat aan de wegneemgerechtigde de mogelijkheid geeft om het afgescheiden bestanddeel in eigendom te verkrijgen, is niet in strijd met §93 BGB.9 Dat recht heeft slechts betrekking op het afgescheiden bestanddeel, dat door de afscheiding van de eenheidszaak een zelfstandige zaak is geworden.