De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.5.4:16.5.4 Beloning
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.5.4
16.5.4 Beloning
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366081:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:357 lid 4 BW. Deze bepaling noemt een dergelijke vergoeding een mogelijkheid, maar in de praktijk wordt hiervan (zo goed als) altijd gebruik van gemaakt.
Hof Amsterdam (OK) 14 juni 2013, ARO 2013/104 (Auragenix).
Zie par. 16.3.4.
Hetzelfde geldt voor voorschotten. Zie Hof Amsterdam (OK) 13 juli 2015, ARO 2015/184 (Nieuwendijk Monumenten).
Zie par. 16.6.3.
Hof Amsterdam (OK) 13 augustus 2012, ARO 2012/126 (Mulix).
Josephus Jitta 2016, par. 8.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een secundair gevolg van de tijdelijke aanstelling van een bestuurder is dat deze recht heeft op een beloning.1 Deze beloning komt ten laste van de vennootschap. Veelal dient de vennootschap ook zekerheid te stellen. Een tertiair gevolg is dat de tijdelijke bestuurder vervolgens zijn werkzaamheden verricht en recht krijgt op betaling.
Met de hoogte van deze beloning bemoeit de ondernemingskamer zich slechts in beperkte mate. Illustratief is een Auragenix-beschikking.2 In een eerdere beschikking was een tijdelijke bestuurder aangesteld. De tijdelijke bestuurder werkte tegen een uurtarief en op voorschotbasis. Toen het eerste voorschot op was, wenste de tijdelijke bestuurders een aanvullend voorschot. Partijen weigerden dat, omdat zij meenden dat de tijdelijke bestuurder exorbitante financiële eisen stelde en geen rekening hield met de financiële positie van de rechtspersoon. De tijdelijke bestuurder verzocht de ondernemingskamer vervolgens om hem uit zijn functie te ontheffen. Tegen dat verzoek werd verweer gevoerd. In dat kader werd onder meer verzocht om het uurtarief van de tijdelijke bestuurder vast te stellen, alsmede om een maximum te stellen aan hetgeen de inzet van de tijdelijke bestuurder per maand mocht kosten. De beslissing van de ondernemingskamer viel uiteen in twee elementen. Ten eerste is er de tijd die de tijdelijk bestuurder besteedt aan zijn taakuitoefening. Daarover gaat de ondernemingskamer niet, omdat de tijdelijke bestuurder zijn taak zelfstandig verricht.3 Wat betreft het uurtarief overwoog de ondernemingskamer dat dit geen aanleiding vormde om de tijdelijke bestuurder te vervangen.4 Daaruit blijkt mijns inziens dat de hoogte van het uurtarief een proportionaliteitskwestie is.5 De hoogte van het uurtarief blijkt overigens niet uit de beschikking.
Het feit dat geen zekerheid werd gesteld voor de beloning van de tijdelijke bestuurder, was een reden om de tijdelijke bestuurder uit zijn functie te ontheffen.
Ook nadat de bestuurstaak van de tijdelijke bestuurder erop zit, stelt de ondernemingskamer niet vast wat de beloning van de tijdelijke bestuurder is.6 Als een tijdelijke bestuurder ook is aangesteld als vereffenaar van een vennootschap die de ondernemingskamer heeft ontbonden, stelt de ondernemingskamer wel het salaris van de vereffenaar vast.7 Dat geschiedt op basis van art. 2:23 lid 2 BW.
Josephus Jitta8 meent dat de ondernemingskamer zich activer kan en moet bemoeien met het vaststellen van de beloning van de tijdelijke bestuurder. Dit, omdat de leden van de organen van de vennootschap niet vrij en onbevangen tegenover de tijdelijke bestuurder staan en geen zicht hebben op hoe de tijdelijke bestuurder functioneert. Mijns inziens zou dit op gelijke wijze kunnen plaatsvinden als het geval is ten aanzien van faillissementscuratoren, waarbij vaste tarieven gelden.