Intellectuele eigendom in het conflictenrecht
Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/7.2.2.c.i:7.2.2.c.i Achtergrond
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/7.2.2.c.i
7.2.2.c.i Achtergrond
Documentgegevens:
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465279:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Over de subject-vraag ten aanzien van cinematografische werken vóór de Stockholmse conferentie, zie onder meer Bureau de 1'Union, DdA 1935.
Reimer & Ulmer 1967, p. 448; Saito 1985, p. 280.
Zie Actes BC 1967, p. 1176 (Report Main Committee I); Reimer & Ulmer 1967, p. 448; Ricketson & Ginsburg 2006, p. 379 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
1009. Brusselse regime. Vóór de Stockholmse conferentie kende de conventie een bepaling over het cinematografische werk die kort gezegd inhield dat zo'n werk als een oorspronkelijk werk wordt beschermd, zulks onverminderd de rechten van de auteur van het werk dat wordt verfilmd, bijvoorbeeld een boek (artikel 14 van de Berner Conventie zoals herzien in Brussel in 1948). Over de vraag ten gunste van wie het auteursrecht op het cinematografische werk ontstaat, zweeg deze bepaling. Bijgevolg werd de subject-vraag ten aanzien van het cinematografische werk, net als de subject-vraag ten aanzien van andere werken, beantwoord aan de hand van het ingevolge de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling toepasselijke recht.1
1010. Nationale verschillen. De nationale rechtsstelsels regelden de subject-vraag ten aanzien van het cinematografische werk op sterk uiteenlopende wijze. Deze verschillen — die tot op de dag van vandaag bestaan — werden met name veroorzaakt doordat bij de totstandkoming van een cinematografisch werk een veelheid van personen betrokken is, zodat ruimte ontstaat voor uiteenlopende opvattingen over de allocatie van het auteursrecht. De Stockholmse verdragsopstellers wisten zich geconfronteerd met grofweg drie opvattingen. In de eerste plaats was er de Anglo-Amerikaanse opvatting, waarin het auteursrecht ten gunste van de producent van het cinematografische werk ontstaat (het 'film-copyright systeem'). Dit vereenvoudigt de exploitatie van het cinematografische werk aanzienlijk Immers, geen van de vele personen die een bijdrage hebben geleverd aan het cinematografische werk, kan de exploitatie daarvan in de wielen rijden. In de meeste continentaal-Europese landen bestond daarentegen de opvatting dat het recht ontstaat ten gunste van de scheppers van het cinematografische werk (het `schepper-systeem'), met dien verstande dat zij soms worden vermoed hun exploitatierechten te hebben overgedragen aan de producent. Ten slotte ontstond in enkele landen het recht ten gunste van de schepper, maar werd dit recht bij wet overgedragen aan de producent (het `cessio legis-systeem').2
1011. Probleem. Deze diversiteit verstoorde de internationale exploitatie van het cinematografische werk binnen de Berner Unie, hetgeen met name door de opkomst van de televisie sinds de Brusselse conferentie als problematisch werd ervaren.3 Om een cinematografisch werk internationaal te kunnen exploiteren, moest immers per land worden vastgesteld aan wie de rechten toekwamen. Met name omdat bij de totstandkoming van een cinematografisch werk veel personen betrokken zijn, was dat geen gemakkelijke zaak in de landen met het schepper-systeem. De lobby van filmproducenten drong aan op een oplossing. Na jarenlange voorbereiding en moeizame onderhandelingen werd tijdens de Stockholmse conferentie in 1967 uiteindelijk een compromis bereikt, het huidige artikel 14bis. De bepaling draagt duidelijk de sporen van de strijd.