Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/9.5.4
9.5.4 Tussenconclusie
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS457704:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Chiti & Teixeira 2013; Editorial Comments, ‘Some thoughts concerning the Draft Treaty on a Reinforced Economic Union’, Common Market Law Review 2012-1, p. 4-9; Peers 2013; Tuori & Tuori 2014, p. 216-221; Schwarz 2014; Maris & Sklias 2015; Hinarejos 2015b, p. 86-102; Rodi 2015, p. 739-740; Dimopoulos 2016; Raad van State 2017, p. 32.
Borger & Cuyvers 2012, p. 390.
Zie bijvoorbeeld: Tuori & Tuori 2014, p. 220. Zie voor suggesties voor meer democratisering in het algemeen als antwoord op de eurocrisis: Pernice e.a. 2012.
Handelingen II 2012/13, 66, 13, p. 27; Handelingen I 2012/13, 32, 2, p. 2.
Handelingen II 2012/13, 78, 11, p. 25; Handelingen I 2013/14, 12, 8, p. 15.
De parlementaire behandeling van het Stabiliteitsverdrag laat allereerst zien dat de regering in dit kader een meer formele invulling gaf aan het budgetrecht. Zij stelde immers dat het begrotingsrecht inhoudt dat het parlement uitgaven goedkeurt via begrotingen. Dat het Stabiliteitsverdrag de nationale begrotingsautonomie begrenst, doet daar volgens het kabinet niets aan af. Hiermee wordt echter ook de zeggenschap van het parlement kleiner bij de uitoefening van het budgetrecht. Die zeggenschap maakt kennelijk geen onderdeel uit van het budgetrecht, nu volgens de regering het parlementaire budgetrecht ten volle wordt gerespecteerd.
Verder valt op dat in het parlement nauwelijks is gesproken over de vermenging tussen Europese en intergouvernementele samenwerking. In reactie op de eurocrisis zijn steeds meer afspraken buiten de kaders van de EU gesloten.1 Zo hebben het EFSF, het ESM en het Stabiliteitsverdrag niet de formele status van Unierecht. Tegelijkertijd is de samenhang met het recht van de EU onmiskenbaar en zou een bespreking van Europese economische en monetaire integratie niet compleet zou zonder vermelding van het EFSF, het ESM en het Stabiliteitsverdrag. Bij de parlementaire behandeling van het Stabiliteitsverdrag is dit punt echter hoofdzakelijk door de Raad van State aangestipt.
Gelet op deze ontwikkeling, stellen Borger en Cuyvers voor om een tweede ring van Unierecht te erkennen, als intermediaire, hybride rechtsorde tussen de EU en het internationale recht, die onderdeel uitmaakt van beide.2 Het is de vraag of dit een wezenlijke toevoeging oplevert ten opzichte van de huidige typeringen, al kan het bestaan van een dergelijke tussencategorie niet ontkend worden. Deze tussencategorie is in het bijzonder relevant voor de parlementaire controle daarop. Bij Unierecht vindt controle immers plaats via zowel het Europees Parlement als de nationale parlementen, terwijl bij intergouvernementele samenwerking uitsluitend de nationale parlementen aan zet zijn. Juist omdat bij bijvoorbeeld het Stabiliteitsverdrag wel gebruik wordt gemaakt van andere Europese instellingen, wringt volgens sommigen het buitenspel zetten van het Europees Parlement des te meer.3
De Kamers zagen dat echter kennelijk niet als een probleem en stemden in maart en juni 2013 in met de goedkeuringswet bij het Stabiliteitsverdrag.4 De Eerste Kamer deed dat overigens zonder beraadslaging en zonder stemming. Alleen de SP-fractie gaf aan tegen het wetsvoorstel te zijn. De Wet HOF kreeg instemming van de Tweede en de Eerste Kamer in respectievelijk april en december 2013.5