PJ 2025/48
De Hoge Raad oordeelt dat de verjaring van de vordering van een bedrijfstakpensioenfonds tot betaling van pensioenpremie opeisbaar is op het tijdstip vastgelegd in het uitvoeringsreglement met inachtneming van de grenzen van artikel 26 Pensioenwet. Dat markeert de aanvang van de verjaring van artikel 3:308 BW.
HR 21-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:423, m.nt. mr. L.A.J. Kuijpers en mr. R.C. Akkermans
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21 maart 2025
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, K. Teuben
- Zaaknummer
24/01556
- Conclusie
A-G mr. B.J. Drijber
- Noot
mr. L.A.J. Kuijpers en mr. R.C. Akkermans
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD9599:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Vermogensrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Sociale zekerheid ouderen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:423, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1082, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑10‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑05‑2024
- Wetingang
Art. 4 Wet Bpf 2000; art. 3:308, 3:320, 3:321 onder f, 6:2 (2) BW; Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds PGB van 24 december 2020 (Strt. 2020, 67755)
Essentie
De Hoge Raad oordeelt dat de verjaring van de vordering van een bedrijfstakpensioenfonds tot betaling van pensioenpremie opeisbaar is op het tijdstip vastgelegd in het uitvoeringsreglement met inachtneming van de grenzen van artikel 26 Pensioenwet. Dat markeert de aanvang van de verjaring van artikel 3:308 BW.
Samenvatting
De Hoge Raad schept duidelijkheid over de toepasselijke verjaringstermijn bij premievorderingen van een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds én het moment van opeisbaarheid. De Hoge Raad oordeelt dat verjaring wordt beheerst door artikel 3:308 BW en overweegt dat de vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever voor ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.