Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/15.1
15.1 Inleiding
prof. mr. K. de Graaf, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. K. de Graaf
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uitspraakbevoegdheden: afd. 8.2.7 Awb (tussenuitspraak), art. 8:55d Awb (in het beroep bij niet tijdig handelen), art. 8:70, 8:72, 8:72a en art. 8:95 Awb (einduitspraak) en art. 8:74 en 8:75 Awb (nevendicta). Ik ga in deze bijdrage voorbij aan de voorlopigevoorzieningprocedure.
Zoals het vaststellen welke bestuursrechtelijke rechtsbetrekking geldt (maar ook de onverbindendverklaring van een besluit van algemene strekking), zie o.a. PG Awb II, p. 469-473 (nader rapport).
In het afgelopen decennium viel met name op de in 2010 geïntroduceerde mogelijkheid een tussenuitspraak te doen over de rechtmatigheid van het bestreden besluit zonder (direct) een vernietiging uit te spreken (Stb. 2009, 570) en kan gewezen worden op de meer symbolische invoering van art. 8:41a Awb (de bestuursrechter beslecht het geschil zo mogelijk definitief) en de daaraan verbonden verandering van de volgorde van uitspraakbevoegdheden in art. 8:72 Awb in 2013 (Stb. 2012, 682).
Zie par. 3 voor voorbeelden. Uitbreiding van de rechtsmacht van de bestuursrechter betrof steeds geschillen die nauw verband hebben met een appellabel besluit, hetzij geschillen die het zogenaamde omringende bestuursrecht betreffen, zoals feitelijke voorbereidings- en uitvoeringshandelingen, hetzij besluiten die accessoir zijn aan eerdere besluiten, met over de (vermogensrechtelijke) afwikkeling van eerdere besluiten.
Dat is in de afgelopen 25 jaar ook door velen geconstateerd, zie o.a. VAR Commissie Rechtsbescherming, De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid. Van toetsing naar beslechting, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2004.
Zoals ik – en/met anderen – ook al eerder heb gesteld, zie K.J. de Graaf, ‘Verzoek naast beroep? Een rechtsvergelijkend perspectief’, in: F.J. van Ommeren, P.J. Huisman, G.A. van der Veen & K.J. de Graaf, Het besluit voorbij (VAR-reeks 150), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 217-307; J.C.A. de Poorter & K.J. de Graaf, Doel en functie van de bestuursrechtspraak. Een blik op de toekomst, Den Haag: Raad van State 2011, p. 187 e.v.
R.J.N. Schlössels, ‘Van een ‘toolbox ’ -approach naar doorwrocht procesrecht?’, NTB 2012, 2; R.J.N. Schlössels, ‘Het bestuursproces: een agenda voor de 21ste eeuw’, Trema 2011/9, p. 315-16.
Kern van deze bijdrage zijn de in de Awb neergelegde uitspraakbevoegdheden van de bestuursrechter.1 Die zijn in hoge mate bepaald door de (beperkte) aard van het in de Awb neergelegde uniforme bestuursprocesrecht, waaruit blijkt dat bestuursrechtspraak primair draait om het verkrijgen van een rechtmatigheidsoordeel over een appellabel besluit. Het vernietigen van een in rechte bestreden besluit is nog altijd de voornaamste uitspraakbevoegdheid van de bestuursrechter is. Deze bijdrage bepleit niet daar afscheid van te nemen. Wel wil ik een lans breken voor het (verder) introduceren van andere, algemene uitspraakbevoegdheden voor de bestuursrechter, onder meer ten behoeve van de rechtsontwikkeling.
Uit de parlementaire geschiedenis van de Awb volgt dat de regering onvoldoende reden heeft gezien de bestuursrechter de bevoegdheid te geven een declaratoire uitspraak te doen.2 Evenmin is er – gelet op de beperkte reikwijdte van het uniforme bestuursprocesrecht – de algemene bevoegdheid om een bestuursorgaan te ge- of verbieden een feitelijke handeling te verrichten. Nu zijn de in hoofdstuk 8 Awb neergelegde uitspraakbevoegdheden in de afgelopen 25 jaren weliswaar gewijzigd en uitgebreid, maar zij zijn nog altijd uitdrukking van het idee dat bestuursrechtspraak primair een besluitenprocesrecht is. Door maatschappelijke wensen als effectieve, finale geschilbeslechting binnen een redelijke termijn,3 efficiënte rechtsmachtverdeling en adequate rechtsbescherming, maar ook door de geleidelijke uitbreiding van de rechtsmacht van de bestuursrechter door wetswijzigingen en jurisprudentie,4 is het perspectief op de reikwijdte van de bestuursrechtspraak gewijzigd. De bij het uniforme bestuursprocesrecht behorende uitspraakbevoegdheden volstaan daarom niet langer voor de beslechting van de diversiteit van de aan de bestuursrechter voorgelegde geschillen.5 Al te rigide pogingen om alle bestuursrechtelijke geschillen in de mal van het besluitmodel te drukken, bemoeilijken bovendien de verdere rechtsontwikkeling. Inzicht in de verschillende kenmerken van de geschillen waarover de bestuursrechter oordeelt, leidt tot het besef dat een volwassen bestuursrechtspraak niet enkel over de rechtmatigheid van besluiten gaat, maar dat in daaraan nauw verwante geschillen ook behoefte bestaat aan declaratoire uitspraken en ge- en verboden.6 Differentiatie van rechts(in)gangen en uitspraakbevoegdheden is daarbij het toverwoord.7 Wil de Awb ook de komende 25 jaar een kader bieden voor rechtsontwikkeling op het terrein van de rechtsbescherming tegen de overheid door de bijzondere bestuursrechter, dan moet worden nagedacht over codificatie en systematisering van uitspraakbevoegdheden die uitdrukking geven aan de verscheidenheid van bestuursrechtelijke geschillen.
In het vervolg betoog ik dat wetgever en bestuursrechter voor specifieke bestuursrechtelijke geschillen reeds gekozen hebben voor andere uitspraakbevoegdheden (paragraaf 2). Er zijn redenen om aan te nemen dat daaraan in de toekomst meer behoefte zal bestaan, waardoor het voor de hand ligt dat systematische codificatie van dergelijke uitspraakbevoegdheden de rechtsontwikkeling in de bestuursrechtspraak de komende 25 jaar kan bevorderen (paragraaf 3). Ik sluit af met een korte uitleiding (paragraaf 4).