Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/4.2.5
4.2.5 Kapitaalvermindering, evenredigheid en afbreuk aan rechten (2:99 BW)
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS368234:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 juni 2006, JOR 2006/206, m.nt. M. Brink (Unilever/Mellon).
Tweede Richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PbEG 1977, L 026).
Aldus A-G Timmerman in zijn conclusie bij gemeld arrest, r.o. 3.11, onder verwijzing naar Maeijer, Westbroek & Van der Grinten 1979, p. 55 en Schutte-Veenstra 1991, p. 194.
Artikel 2:99 lid 3 BW bepaalt dat vermindering van het bedrag van aandelen zonder terugbetaling en zonder ontheffing van de verplichting tot storting moet geschieden naar evenredigheid op alle aandelen van eenzelfde soort. Van het vereiste van evenredigheid mag worden afgeweken met instemming van alle betrokken aandeelhouders. Dit is een uitwerking van het gelijkheidsbeginsel. Alle aandeelhouders van een soort dienen dus voor wat de terugbetaling op aandelen betreft gelijkelijk te worden behandeld. Dat betekent echter nog niet dat de houders van aandelen van een bepaalde soort er niet alsnog relatief slecht van af zouden kunnen komen. Indien, bijvoorbeeld, de vennootschap twee soorten aandelen kent, aandelen A en aandelen B, waarvan de houders van aandelen A in de meerderheid zijn, en de aandeelhouders A willen wegens matige winstvooruitzichten van de vennootschap overgaan tot terugbetaling van kapitaal op A aandelen, worden de B aandeelhouders weliswaar allemaal gelijk behandeld (op hun aandelen wordt niet terugbetaald) maar dat helpt hen niet.
Artikel 2:99 lid 4 BW schrijft voor dat gedeeltelijke terugbetaling op aandelen of ontheffing van de stortingsplicht naar evenredigheid op alle aandelen dient te geschieden, tenzij voor de uitgifte van een bepaalde soort aandelen in de statuten is bepaald dat terugbetaling of ontheffing kan geschieden uitsluitend op die aandelen. Voor die aandelen geldt weer het vereiste van evenredigheid waarvan ook weer kan worden afgeweken met instemming van alle betrokken aandeelhouders.
Artikel 2:99 lid 5 BW bepaalt dat indien er verschillende soorten aandelen zijn, voor een besluit tot kapitaalvermindering een voorafgaand of gelijktijdig goedkeurend besluit is vereist van elke groep houders van aandelen van eenzelfde soort aan wier rechten afbreuk wordt gedaan. Deze regel is de kapitaalverminderingspendant van artikel 2:96 lid 2 BW. Ook hier dient niet iedere vermindering van rechten onmiddellijk als afbreuk van rechten te worden gezien. Ik verwijs naar hetgeen hieromtrent onder 4.2.4 is vermeld. Als afbreuk van rechten zou wel kunnen worden beschouwd een kapitaalvermindering die ten aanzien van een bepaalde groep aandeelhouders nadelig is. De vraag komt op wat de regel van lid 5 aan het bepaalde in de leden 3 en 4 toevoegt. In zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 20061 stelt A-G Timmerman dat hij meent dat een intrekking nimmer als een afbreuk van rechten kan kwalificeren, ‘eenvoudigweg omdat de aandeelhouders vanaf het moment van uitgifte rekening hebben kunnen houden met deze mogelijkheid. Deze uit de tweede EEG-richtlijn inzake het vennootschapsrecht van 13 december 19762 stammende bepaling mist dan ook feitelijke betekenis voor het Nederlandse vennootschapsrecht voor zover het betreft intrekking van aandelen. Het Nederlandse vennootschapsrecht geeft reeds zoveel waarborgen dat men aan afbreuk van recht in de praktijk niet toekomt. Ook Van der Grinten en Schutte-Veenstra zijn deze mening toegedaan.’3Artikel 2:99 lid 6 BW bepaalt dat voor een besluit tot kapitaalvermindering een meerderheid van ten minste twee derden van de uitgebrachte is vereist, indien minder dan de helft van het geplaatste kapitaal in de vergadering is vertegenwoordigd. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op een besluit als bedoeld in artikel 2:99 lid 5 BW.