Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.H.1
1. Rechtsbescherming en kavelruil
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS471289:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Het Landbouwschap, Beleidsaspecten nieuwe wettelijke regeling landinrichting, p. 13. Zie tevens H.A. F. Wennink, ‘De rechtsbescherming in de Landinrichtingswet’, in: Agrarisch recht 1985/12, p. 558 e.v.
Zie Kamerstukken II 1983/1984, 15907, nr. 74-4.
Zie bijv. de conclusie van A-G Mok (ECLI:NL:PHR:1980:AD4143) bij het arrest HR 20 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AD4143, NJ 1980/377.
Zie onderdeel A.3.b van dit hoofdstuk.
Kamerstukken II 1982/1983, 15907, nr. A-B, p. 19.
Zie nader onderdeel B.7 van dit hoofdstuk.
De Hoge Raad heeft zich tot dusverre slechts eenmaal gebogen over een (Liw) kavelruil: HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1262. Zie tevens J.W.A. Rheinfeld, De ene kavelruil is de andere niet, in: FBN 2013/13. Zie voor een volledige beschrijving van het fiscale procesrecht J.C. van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, p. 481 e.v.
Zulks o.g.v. de in onderdeel F.3 van dit hoofdstuk besproken mandaatbesluiten.
Uiteraard kan dit oordeel doorspekt zijn van civielrechtelijke (en fiscale) opmerkingen, aangezien de subsidievereisten van de provincies zich tevens over deze rechtsgebieden uitstrekken.
Zie nader onderdeel B.S van dit hoofdstuk.
Zie hfdst. II, onderdeel C van de fiscale grenspost van dit onderzoek.
Zie hiervoor hfdst. II, onderdeel D van de fiscale grenspost.
Zie over rechtsbescherming bij herverkaveling J.A. Zevenbergen, H.E. van Rij, ‘Het ontwerp Wet inrichting landelijk gebied (Wilg), een eerste verkenning’, p. 686. Zie voor een overzicht van de rechtsbescherming onder het regime van de WILG Commissie Wilg, ‘Advies over de Wet Inrichting landelijk gebied (Wilg)’, p. 489-490, waar o.m. te lezen is dat op het besluit tot vaststelling van het inrichtingsplan, alsmede op het ruilplan en de Lijst der Geldelijke Regelingen de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. De commissie concludeert: ‘Dat de opstellers van de Wilg betrekkelijk weinig over rechtsbescherming hebben nagedacht, moge ook blijken uit de hoeveelheid test die er in de toelichting aan gewijd is’. Zie tevens H.W. Mojet, Regelgeving inrichting landelijk gebied, p. 43. Zie voor een recente procedure, waarin gepoogd is een rechter-commissaris en een griffier in een ruilverkavelingsprocedure te wraken Rb Noord-Nederland 10 februari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:759.
Zie nt. 1093. Zie tevens G. Heida, Rechtspraak in agrarische zaken, in het bijzonder in pacht- en ruilverkaveiingszaken, rede 9 mei 1980, Deventer: Kiuwer 1980, p. 11.
Op sommige plaatsen in de literatuur, 1 in parlementaire documenten2 en in de jurisprudentie3 is, vooral in de periode van de totstandkoming van het wetsontwerp Landinrichtingswet, gepleit voor een wettelijke regeling van de rechtsbescherming bij kavelruil. In zijn advies bij de Landinrichtingswet heeft de Raad van State echter aangegeven dat een dergelijke wettelijke regeling niet nodig is. Vaak zal de ruilverkavelingsovereenkomst immers een geschillenregeling en forumkeuze bevatten: bepalingen die aangeven wat er dient te gebeuren bij geschillen in het kader van de kavelruil en bij welke gerechtelijke instantie men terecht kan. Zo kon men overeenkomen dat deze geschillen bij wijze van bindend advies door de Centrale Landinrichtingscommissie worden beslecht, een mogelijkheid die sinds 1996 niet meer bestaat, doordat de CLC in dat jaar ter ziele is gegaan.4 Een andere mogelijkheid is de aanwijzing van de civiele rechter, waar men op basis van de verbintenisrechtelijke wetsbepalingen een procedure kan starten. Een wettelijke regeling van de rechtsbescherming zou volgens de Raad van State ook afbreuk doen aan het vrijwillige karakter van de kavelruil.5
Door het uitblijven van de wettelijke regeling van rechtsbescherming, levert een overzicht van de mogelijke rechtsgangen bij kavelruilkwesties thans het volgende, enigszins fragmentarische, beeld op:
Civielrechtelijke kwesties (onder meer inzake de toepassing van de ‘onbevoegdheidsregeling’ uit artikel 86 lid 2 WILG)6 kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter, waarbij de geschillenregeling en de rechts- en forumkeuzebedingen in de kavelruilovereenkomst leidend zijn. Dit is een breuk met het verleden: onder het regime van de Landinrichtingswet, waar de weigering van de toestemming door de DLG een appellabel besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht was, vormde de beschikking van DLG, na bezwaar bij Gedeputeerde Staten, de rechtsingang bij de Rechtbank. De eindinstantie waar kon worden geklaagd was de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
Fiscale kwesties (betreffende de vrijstelling van overdrachtsbelasting) kunnen via de fiscale rechtsmiddelen aanhangig worden gemaakt. De route luidt aldus: bezwaar bij de inspecteur, beroep bij de arrondissementsrechtspraak, hoger beroep bij het Gerechtshof en cassatie bij de Hoge Raad;7
Subsidiebeslissingen, zijnde besluiten van de provincie (al dan niet gedelegeerd aan DLG), 8 zetten de belanghebbende op het bestuursrechtelijke spoor: tegen het besluit vanwege de provincie kan bezwaar worden aangetekend bij Gedeputeerde Staten, Daarna volgt beroep bij de Rechtbank, Het eindstation is de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze laatste instantie zal, in tegenstelling tot het regime onder de Landinrichtingswet, bij WILG-kavelruilen enkel nog mogen oordelen over subsidie-aangelegenheden.9
Overigens zij in dit kader opgemerkt dat, als gevolg van de generieke regeling uit artikel 21 RILG, die dient ter vervanging van de (verplichte) goedkeuring van afzonderlijke kavelruilovereenkomsten door DLG, 10 tezamen met de fiscale ontwikkelingen op het terrein van de kavelruil, 11 de civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke beoordeling in belangrijke mate ‘ineengeschoven’ zijn: de fiscale beoordeling van de kavelruil is beperkt tot een toetsing aan de artikelen 85-88 WILG en 31a B1LG. Een (uitsluitend) civielrechtelijke beoordeling door de fiscus derhalve. De discussie omtrent de wenselijkheid van deze ontwikkeling12 staat los van de regeling van de rechtsbescherming: de besluiten van de fiscus kunnen in rechte worden aangevochten door de justitiabele.
Met het vorenstaande (rechts-en forumkeuze in de overeenkomst van kavelruil en de civiele rechter bij civiele aangelegenheden, de fiscale rechtsgang bij fiscale kwesties en de bestuursrechtelijke rechtsgang bij subsidiekwesties) is de rechtsbescherming voor de kavelruil naar mijn mening voldoende vormgegeven.13 Aan de door het Landbouwschap bepleite instelling van permanente Kamers voor de Landinrichting bij de Rechtbanken is mijns inziens dan ook geen behoefte.14