Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.2.1
2.2.1 Directe versus indirecte medezeggenschap
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS488611:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Lamers 1995, p. 30-31.
Timmerman 1988, p. 9.
Slagter 2005, p. 16.
Van het Kaar 1993, p. 8 en Van het Kaar & Smit 2007, p. 37.
Geers 1988, p. 12.
Verburg 2007a, p. 26
Van Esveld 1970, p. 110.
Om commissarissen vertegenwoordigers van de werknemers noemen gaat mij, ook als ze op voordracht van de ondernemingsraad worden benoemd, te ver. Dat lijkt zich moeilijk te verdragen met de taak die zij uitoefenen en met de belangen die zij daarbij hebben te behartigen.
Bakels 2011, p. 273-274.
Roest 1996, p. 4-5.
Kamerstukken II 1975-1976, 13 873, nrs. 1-4, p. 11.
Aardig is dat hetzelfde geldt voor de directe en indirecte medezeggenschap in de door Roest bedoelde zin.
In de art. 23 lid 2 en 24 lid 1 WOR vindt beleid zijn weerslag in de woorden ‘de aangelegenheden, de onderneming betreffende’ respectievelijk ‘de algemene gang van zaken’.
Zie onder andere Kamerstukken II 2008-2009, 31 877, nr. 3, p. 2 en 4, Kamerstukken II 2009-2010, 31 877, nr. 5, p. 1-2, 5-6 en 13, en Kamerstukken I 2009-2010, 31 877 C, p. 2.
Ik kom daar in par. 5.6.1. uitgebreider over te spreken.
Ik realiseer mij dat art. 2:107a BW geldt voor de naamloze vennootschap, en niet voor de coöperatieve vennootschap. Het gaat mij op deze plaats echter uitsluitend om het directe karakter van de deelname aan de vergadering en van de uitoefening van het stemrecht.
Dat wil zeggen het uitoefenen van invloed, door de ondernemingsraad of door werknemersvertegenwoordigers, op de gang van zaken bij de SE/SCE door het recht een aantal leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan te benoemen of door het recht met betrekking tot de benoeming van een aantal of van alle leden van die organen aanbevelingen te doen of bezwaar te maken (vgl. de artikelen 1:1 lid 1 en 2:1 lid 1 WRW).
Zie ook SER-advies 2003/08, p. 25.
Kamerstukken II 2003-2004, 29 298, nr. 3, p. 28 en Kamerstukken II 2005-2006, 30 386, nr. 3, p. 24.
Diverse schrijvers maken een onderscheid tussen directe (ook wel aangeduid als rechtstreekse) en indirecte medezeggenschap. Lamers onderscheidt indirecte medezeggenschap via vakorganisaties van directe medezeggenschap door ondernemingsraden.1 Timmerman plaatst rechtstreekse medezeggenschap van individuele werknemers tegenover de indirecte medezeggenschap door tussenkomst van gekozen organen, waaronder de ondernemingsraad2 Ook Slagter,3 Van het Kaar,4 Geers,5 en Verburg6 spreken van rechtstreekse of directe medezeggenschap door werknemers persoonlijk en van indirecte medezeggenschap door gekozen vertegenwoordigers in de vorm van ondernemingsraden. Van Esveld spreekt niet van directe maar van functionele medezeggenschap: de mogelijkheid van een individuele werknemer om vanuit zijn functie, kennis, ervaring en betrokkenheid bij de onderneming mee te praten over bijvoorbeeld werkvoorbereiding en taakuitvoering.7
Wie medezeggenschap naar het niveau van individuele werknemers brengt, rekt het begrip te ver op. Ongeacht of die nu direct of indirect wordt uitgeoefend, medezeggenschap betreft beïnvloeding in georganiseerd verband door de gezamenlijke werknemers, en niet individuele beïnvloeding van allerlei besluiten en beslissingen die voortdurend en op alle niveaus in de onderneming worden genomen. Een stap in de goede richting is het onderscheid dat Bakels maakt. Met als uitgangspunt dat van medezeggenschap slechts sprake is bij gezamenlijke beïnvloeding van beleidsbeslissingen, onderscheidt hij de indirecte medezeggenschap door vertegenwoordigers in vakorganisaties, in ondernemingsraden en in raden van commissarissen8 van de directe medezeggenschap waarbij rechtstreekse raadpleging plaats vindt, bijvoorbeeld in de vorm van de personeelsvergadering (art. 35b WOR).9 Roest maakt weer een ander onderscheid.10 Zij kwalificeert directe medezeggenschap als een vorm van invloedsuitoefening door werknemers waarbij hun belangen worden behartigd door een instantie of een orgaan waarin zij (dat wil zeggen die werknemers) zelf zitting hebben; de ondernemingsraad dus, wellicht ook de personeelsvertegenwoordiging (art. 35c WOR). Bij indirecte medezeggenschap maken de werknemers geen deel uit van het orgaan dat of de instantie die het ondernemingsbeleid kan beïnvloeden, maar hebben zij wel invloed op de samenstelling van dat orgaan of die instantie. De raad van commissarissen binnen het structuurregime is het meest sprekende voorbeeld van de door Roest bedoelde indirecte medezeggenschap.
Bij het maken van een onderscheid tussen directe en indirecte medezeggenschap mag niet uit het oog worden verloren dat onder medezeggenschap wordt verstaan beïnvloeding van beleid en besluiten door werknemers. Het onderscheidende criterium tussen directe en indirecte medezeggenschap is dan of werknemers de gelegenheid wordt geboden zich rechtstreeks uit te spreken over de inhoud van beleid en besluiten of dat hen de gelegenheid daartoe wordt geboden door invloed uit te oefenen op de samenstelling van het orgaan of de instantie dat resp. die betrokken is bij het vaststellen van beleid en het nemen van besluiten. In het eerste geval is sprake van directe, in het tweede geval van indirecte medezeggenschap. Dat ook de wetgever een dergelijk onderscheid voor ogen heeft gestaan, komt naar voren uit de Memorie van Toelichting bij de Grondwetswijziging van 1983.11 Daarin wordt directe medezeggenschap, overigens niet nader gedefinieerd, geplaatst tegenover die door middel van organen. Sprekend over Nederlandse ondernemingen, is de directe medezeggenschap hoofdzakelijk vorm gegeven in de Wet op de ondernemingsraden, de indirecte in Boek 2 BW.12 Kenmerkende voorbeelden van rechtstreekse betrokkenheid bij het bepalen van het beleid en de gang van zaken zijn de artikelen 23 lid 2 en 24 lid 1 WOR,13 van rechtstreekse betrokkenheid bij specifieke besluitvorming de artikelen 25, 27 en 30 WOR. Hoewel het primaire belang daarvan is dat de algemene vergadering van aandeelhouders bij het nemen van besluiten over alle relevante informatie beschikt,14 beschouw ik ook de art. 107a leden 3 en 4, 2:134a, 2:135 lid 2 BW als een vorm van directe medezeggenschap.15 Indirecte medezeggenschap treft men eerst en vooral in de structuurregeling, die de door de ondernemingsraad vertegenwoordigde werknemers invloed toekent op de samenstelling van de raad van commissarissen. De rol van werknemers in de SE en de SCE heeft zowel kenmerken van directe als van indirecte medezeggenschap. Raadpleging (art. 1:26 lid 2, 1:27 lid 2, 1:28 lid 2, 2:28 lid 2, 2:29 lid 2 en 2:30 lid 1 WRW) is een vorm van directe medezeggenschap die sterke gelijkenis vertoont met de directe medezeggenschap van art. 23 WOR. Deelname aan de algemene vergadering of aan de sector- of afdelingsvergadering en de uitoefening van het stemrecht in die vergaderingen (art. 2:40 WRW), is een vorm van directe medezeggenschap die zich laat zich vergelijken met die op grond van art. 2:107a BW.16 Wat de Richtlijnen en de WRW als medezeggenschap kwalificeren17 zie ik daarentegen als een vorm van indirecte medezeggenschap, vergelijkbaar met die op grond van de structuurregeling.18 Dit verklaart ook dat de structuurregeling, voor zover het de benoeming en de samenstelling van de raad van commissarissen betreft, bij de SE en de SEC buiten toepassing blijft (artt. 1:6 lid 2 en 2:6 lid WRW). Ik verwijs naar de Memories van Toelichting bij de wetsvoorstellen tot invoering resp. tot aanpassing van de WRW.19