Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.6.3
3.6.3 Hypothese 1: inhoudelijke omstandigheden spelen een beslissende rol
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS500899:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wessels en Jongeneel 1997, nr. 377 e.v.
Hof Amsterdam 26 januari 2006, NJ F 2006/269. Vgl. ook de ambtshalve toepassing van de toets waarbij het voorkomen van een beding op de Europese lijst volstaat om het beding als onredelijk bezwarend aan te merken: Ktr. Maastricht 19 augustus 2009, LJN BJ8252.
HR 23 februari 2001, NJ 2001/277 (Montoya en Cloudstorm/ABN AMRO); Hof Amsterdam 3 augustus 2010, LJN BN4198-BN4200.
Onder b dekt weliswaar niet alle procedurele omstandigheden die een rol zouden kunnen spelen.
Hof Leeuwarden 12 mei 2004, NJ F 2004/518, r.o. 21 (Weevers Stous/Stichting Parkwoningen). Uit het latere overleg blijkt dat Weevers Stous zich wel bewust is geweest van het potentieel nadelige karakter van het beding; niet is gebleken en feitelijk onmogelijk (gelet op de marktontwikkelingen) is dat zij de omvang van het nadeel kende.
Hof Leeuwarden 16 april 2008, LJN BC9764, r.o. 20.
Hof 's-Gravenhage 25 augustus 1998, NJ 1999/298, r.o. 5.4.
Loos 2007c, p. 5-6.
Jongeneel 2010b, p. 139. Dit blijkt ook uit de praktijk: Ktr. Almelo 27 januari 2009, LJN BH1279, r.o. 4.6. De tweezijdigheid van algemene voorwaarden is een omstandigheid waaraan in de praktijk wel een zeker gewicht wordt toegekend. In de volgende uitspraken is het een van de omstandigheden op grond waarvan de redelijkheid van het beding werd aangenomen: Ktr. Maastricht 1 november 1995, Prg. 1996/4602; Hof 's-Hertogenbosch 16 juli 2002, NJ 2003/445; Ktr. Nijmegen 4 juli 2008, LJN BD6324.
Loos 2001, nr. 124. Bepalend is volgens MiMenberg 1995, p. 204-205 of er een tegenprestatie/compensatie (elders in de voorwaarden) bestaat, die het beding zijn oneerlijke karakter ontneemt (inhoudelijke omstandigheid).
Ktr. Haarlem 22 november 2006, LJN AZ3131 (geen consument): 'De stelling van Methon dat het beding niet onredelijk bezwarend is, is op zichzelf juist maar doet niet ter zake, omdat de vernietigbaarheid reeds met succes op andere gronden kan worden gestoeld (art. 6:233 onder b — CMDSP).'
Noot Snijders onder HR 23 maart 1990, NJ 1991/214, ov. 2.1(Botman/Van Haaster; met verwijzing naar HR 16 januari 1987, NJ 1987/553, r.o. 3.3(Hooijen/De Tilburgse)): 'Een beding in algemene voorwaarden kan in het licht van omstandigheden die de inhoud van dat beding raken geheel of ten dele onredelijk bezwarend zijn.'
130. Omstandigheden met betrekking tot het sluiten van de overeenkomst zijn volgens Wessels en Jongeneel 'veel minder relevant' voor de beoordeling van exoneratieclausules dan inhoudelijke omstandigheden.1 Deze constatering biedt steun aan hypothese 1, die de volgende varianten kent:
inhoudelijke oneerlijkheid volstaat om de onredelijk bezwarendheid vast te stellen en naar procedurele omstandigheden hoeft niet te worden gekeken (hypothese la);
inhoudelijke eerlijkheid volstaat om de onredelijk bezwarendheid uit te sluiten en naar procedurele omstandigheden hoeft niet te worden gekeken (hypothese la');
inhoudelijke oneerlijkheid geeft de doorslag ook al is er sprake van procedurele eerlijkheid (hypothese 1b);
inhoudelijke eerlijkheid geeft de doorslag ook al is er sprake van procedurele oneerlijkheid (hypothese lb').
131. Hypothese la vindt steun in de parlementaire geschiedenis2 en met name in de opstelling van de lijsten. In de lijsten delven procedurele omstandigheden het onderspit en staat de inhoud van het beding centraal. Bij de toetsing aan de open norm spelen procedurele omstandigheden lang niet altijd een rol. Hypothese la vindt, mede gelet op het belang van de lijsten, ruime steun in de Nederlandse rechtspraak.3 Andersom geldt ook: de redelijkheid van het beding wordt lang niet altijd gestaafd door procedurele omstandigheden (hypothese la').4
132. Hypothese lb vindt deels steun in de Nederlandse wetssystematiek waaruit blijkt dat een beding dat de toets uit art. 6:233 onder b doorstaat, nog steeds aan de toets uit onder a kan worden onderworpen.5 In de praktijk gaat hypothese lb ook zonder meer op, zo blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraak van het Hof Leeuwarden inzake Weevers Stous/Stichting Parkwoningen:
`Weliswaar is de koper zich bewust geweest van de nadeligheid van het (antispeculatie)beding bij het sluiten van de overeenkomst (...). Hoe dan ook zou deze bewustheid niet kunnen afdoen aan het oordeel dat het beding als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt. '6
In een zaak betreffende een naar de aard en inhoud van de overeenkomst verrassend want zeer vergaand aansprakelijkheidsbeding, wordt de omstandigheid dat het beding kenbaar was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst (de informatieplicht is niet geschonden) in het voordeel van de gebruiker meegewogen. Echter:
`(...) bij het uiteindelijke oordeel over de kennelijke onredelijkheid van dit beding in een consumentenovereenkomst (is deze omstandigheid) toch van onvoldoende gewicht.'7
In beide zaken was overigens tegelijkertijd sprake van procedurele omstandigheden die wezen op de onredelijkheid van het beding. In een zaak betreffende een koppelverkoopbeding in de zin van art. 6:237 onder j was daarentegen slechts sprake van procedurele omstandigheden die wezen op de redelijkheid van het beding. Deze beletten echter niet de vernietiging van het beding:
`De omstandigheid dat de wederpartij voor het aangaan van de overeenkomst van hypothecaire geldlening uitgebreid op de hoogte wordt gebracht van het hanteren van het beding door Stad Rotterdam noch ook de omstandigheid dat de wederpartij de keuze heeft de door hem gewenste lening bij een andere financier af te sluiten wettigt de conclusie dat redelijkerwijze van de wederpartij gevergd kan worden de opstalverzekering betreffende het onderpand juist bij Stad Rotterdam of een daarmee verbonden vennootschap af te sluiten.'8
Bij hypothese lb past verder de kritiek op de door de CA getoonde coulance ten aanzien van tweezijdige voorwaarden.9 De enkele omstandigheid dat er is onderhandeld over de standaardvoorwaarden met een organisatie die de belangen van de consument behartigt (de Consumentenbond), ontneemt een beding niet zijn onredelijk bezwarend karakter.10 Een consumentenorganisatie kan wel degelijk een ander doel nastreven en bijvoorbeeld een voor de consument onredelijk bezwarend beding aanvaarden, als tegenprestatie voor de totstandkoming of het voortbestaan van een onafhankelijke geschillencommissie.11
Conclusie is dat omstandigheden die wijzen op de procedurele eerlijkheid in de praktijk geen beletsel vormen voor de vernietiging van het beding op grond van art. 6:233 onder a.
133. Hypothese lb' gaat ook op. Omstandigheden die wijzen op procedurele oneerlijkheid geven op een enkele uitzondering na (vgl. hierna hypothese 2b'), nooit de doorslag als er geen sprake is van inhoudelijke oneerlijkheid. De procedurele oneerlijkheid wordt gerepareerd door de aan de inhoudstoets voorafgaande toepassing van de regels van aanbod en aanvaarding, art. 6:233 onder b en art. 6:238 lid 2. Een beding kan op grond van de wet(sgeschiedenis) naar zijn inhoud aanvaardbaar zijn terwijl de procedurele gang van zaken oneerlijk was (schending van de informatieplicht).12 De toets betreft immers een inhoudstoets,13 waarbij de omstandigheden naar eigen inzicht door de rechter tegen elkaar worden afgewogen.