Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/1.2
1.2 Onderzoeksvragen
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS585068:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Boom 1999, p. 99 e.v.
Wiedemann 1988, p. 9; Altmeppen, ZIP 2017, 1977, § 1.
Zie onder andere: Algemene voorwaarden bedrijfsfinancieringen, De Rabobank, 2010; Algemene Bepalingen van Zakelijk Kredietverlening, ING Bank NV, maart 2015; Zakelijk Krediet. ‘Algemene Kredietvoorwaarden, Algemene Bepalingen van Pandrecht, Algemene Voorwaarden van de Bank’, ING Bank NV, januari 2017; Algemene Bepalingen voor het Ondernemerskrediet, ABN AMRO Bank NV, december 2009; Algemene Bepalingen voor Kredietverlening (voor zakelijke klanten), ABN AMRO Bank NV, november 2011; Algemene Bepalingen voor het Ondernemerskrediet, ABN AMRO Bank NV, januari 2016.
In de bovenstaande paragraaf is geconstateerd dat er in de literatuur en de praktijk onzekerheid bestaat over de aard en werking van het regresrecht tussen ter securering van het concernkrediet in hoofdelijkheid verbonden concernvennootschappen. Voor het rechtsverkeer is duidelijkheid onontbeerlijk. In geval van ontvlechting van een concern kan deze onzekerheid zorgen voor (juridische) problemen en leiden tot welvaartsverlies. Daarnaast is in de voorgaande alinea’s geconstateerd dat in de literatuur een extern rechtsvergelijkend perspectief ontbreekt. Om deze constateringen te adresseren zijn in dit onderzoek twee hoofdvragen gesteld.
Op welke wijze kan meer rechtszekerheid worden geboden bij regresvraagstukken die voortvloeien uit door concernvennootschappen verleende hoofdelijke zekerheid ten behoeve van het concernkrediet?
Waarom speelt regresproblematiek bij concernfinanciering niet in het Duitse en in het Belgische recht, maar wel in de Nederlandse rechtsorde?
De hoofdvragen zijn uitgesplitst in vijf deelvragen:
Wat is de aard en werking van het algemene regresrecht in de zin van art. 6:10-6:14 BW?
Wat is naar Nederlands recht de aard en werking van het concern als economisch, maatschappelijk en juridisch verschijnsel?
Welke rol speelt de visie op het concern in het wetenschappelijk debat over draagplicht bij concernfinanciering en bij de verschillende posities die in dit debat worden ingenomen?
Wat is naar Nederlands recht de effectiviteit van partijafspraken en maatregelen die als doel hebben tussen concernvennootschappen bestaande rechten uit regres en subrogatie te beïnvloeden?
Wat is de functie en de werking van het Duitse regresrecht (§ 426 BGB) en het Belgische regresrecht (art. 1214 B.W.) in concernfinancieringsverband?
Bij alle vragen wordt het vigerend recht geduid en wordt zo nodig de ontwikkeling die heeft geleid tot dit recht besproken. Ook wordt gebruikgemaakt van rechtsvergelijking, zowel intern als extern en zowel horizontaal als verticaal. Bij de externe rechtsvergelijking in verticale en in horizontale zin, is getracht om gemeenschappelijke wortels bloot te leggen die ten grondslag liggen aan de vigerende bepalingen van het regresrecht en de huidige zienswijze op het concern als verschijnsel in juridische zin. Ook worden met de externe rechtsvergelijking inzichten vergaard uit het oude en het vreemde recht met als doel om suggesties te doen voor het verbeteren van het huidige Nederlandse recht. Waar relevant, worden suggesties gedaan om het huidige recht te wijzigen, aan te vullen of een specifieke lezing van het recht te hanteren. In de onderstaande alinea’s volgt per deelvraag een toelichting.
Om uitspraken te kunnen doen over het onderzoeksobject van dit onderzoek: het regresrecht ex art. 6:10 e.v. BW dat voortvloeit uit de door concernvennootschappen verleende hoofdelijkheid als zekerheid voor de concernfinanciering, moet eerst worden ingegaan op twee achterliggende onderwerpen: (I) het algemene regresrecht en (II) het concern(recht). Deelvraag 1 richt zich op het eerste onderwerp. Deelvraag 1 gaat over de grenzen en de betekenis van het algemene regresrecht. Hierbij is er ook aandacht voor (regresversterkende) subrogatie in de zin van art. 6:12 BW.1
Bij deelvraag 2 wordt het concern(recht) uiteengezet. Dit gebeurt omdat het concern(recht) mogelijk bijzondere gevolgen heeft voor de werking van het regresrecht tussen de hoofdelijk aansprakelijke concernvennootschappen. Immers, zoals een Duitse juristenwijsheid luidt: Im Konzern ist alles anders.2 In dit licht wordt eveneens ingegaan op concernfinanciering en zekerheidsverlening. Ook deelvraag 2 wordt in een rechtsvergelijkend perspectief geplaatst.
Deelvraag 3 heeft tot doel om de draagplichtproblematiek te analyseren teneinde de (achterliggende) knelpunten van deze problematiek helder te krijgen. Hierbij wordt specifiek ingegaan op de standpunten die zijn ingenomen in het debat en de mate waarin deze standpunten in verbinding staan met verschillende visies op het concern.
Met deelvraag 4 wordt beoogd de effectiviteit van mogelijke partijafspraken en maatregelen inzake regres en subrogatie te beoordelen. Dergelijke afspraken zijn in de praktijk voornamelijk te vinden in de kredietvoorwaarden van de Nederlandse grootbanken.3 Tegen de achtergrond van de in de literatuur gesignaleerde problematiek, worden uitspraken gedaan over de juridische houdbaarheid van deze voorwaarden.
Met het beantwoorden van deelvraag 5 worden inzichten verkregen uit het vreemde recht waardoor het Nederlandse recht beter kan worden geplaatst. Daarnaast wordt met het onderzoek naar deze deelvraag een leemte in de literatuur opgevuld. Ook biedt het vergelijken van de verschillende rechtsorden aanknopings punten voor een verklaring waarom regresproblematiek bij concernfinanciering wel speelt in het Nederlandse recht en elders niet of nauwelijks.