Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.A.5
5. Overgangsrecht bestaande projecten/reflexwerking?
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS479827:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht en een nadere bespreking H.W. Mojet, ‘Landinrichting in de WILG en het overgangsrecht bij projecten’.
Zie tevens grenspost 2, hfdst. I, onderdeel B.2.
Het betreft hier de in onderdeel D van dit hoofdstuk nader te bespreken Regeling inrichting landelijk gebied.
Aldus H.W. Mojet, ‘Landinrichting in de WILG en het overgangsrecht bij projecten’. In § 3.5 van de Regeling inrichting landelijk gebied (artt. 23-26) is het bedoelde overgangsrecht opgenomen. Zie voor een voorbeeld van een overgangsrechtelijke maatregel het Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 27 januari 2014, nr. DGNR-PDJNG/14001844, houdende wijziging van de Regeling herverkaveling in verband met de ruilverkaveling Over-Betuwe-Oost, de herinrichting Haren en de ruilverkaveling Rijssen, blok Rijssen-West, waarover nader grenspost 2, hfdst. II, onderdeel B.2. Zie tevens H.J.W. Leenen, ‘De Wet inrichting landelijk gebied; Decentraal wat kan, centraal wat moet’, p. 578. Overigens is het Friese herverkavelingsproject ‘Swette-De Burd’ het eerste project in Nederland waarbij de ruilakte onder de WILG is gepasseerd. Zie http://www.dienstlandelijkgebied.nl/projecten/fryslan/fryslan/dossier/swette-de-burd, datum inzage 26 januari 2014.
Zie tevens Notamail 2007/14.
Zie voor een nadere bespreking van deze wetsartikelen onderdeel D van dit hoofdstuk.
Aldus B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10.
Ik heb deze verklaring zelf in ‘mijn’ (notariële) kavelruilpraktijk dikwijls gebruikt.
ABRS 27 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4939 (‘kavelruil Oldehove-Rasquert’), behandeld in het vorige hoofdstuk, onderdeel G.6.j.l0.
r.o. 2.1.
Zie P.J. Wattel ‘De juridische betekenis van uitlatingen van bewindslieden bij de totstandkoming van (belasting)wetgeving’, in: FED 1990/335, alsmede Ch.P.A. Gepaart, Fiscale rechtsvinding, Amsterdam: NV uitgeverij FED 1965, p. 57.
Ik verwijs in dit kader naar het – in het fiscale onderdeel van dit onderzoek (grenspost 2, hfdst II, onderdeel C.4.b) uitgebreid te beschrijven - arrest van de Hoge Raad d.d. 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1262. Ik citeer in dit kader onderdeel 6.21 van de conclusie van Advocaat-Generaal Wattel bij dit arrest (ECLI:NL:PHR:2013:BY1262): ‘(…) dat in het algemeen geen bijzondere juridische betekenis toekomt aan een uitlating van de regering bij de parlementaire behandeling van een ander en posterieur wetsvoorstel, over hoe een 22 jaar eerder in werking getreden wet toegepast moet worden (…).’
In verband met de invoering van de WILG zijn diverse overgangsrechtelijke voorzieningen getroffen.1 Deze voorzieningen zien uitsluitend op de wettelijke herverkaveling. Het overgangsrecht met betrekking tot landinrichtingsprojecten die onder het regime van de Landinrichtingswet zijn aangevangen, is neergelegd in artikel 95 van de WILG. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de Landinrichtingswet van toepassing blijft op landinrichtingsprojecten die reeds in voorbereiding of in uitvoering zijn, tenzij nog geen wenszitting heeft plaatsgevonden (artikel 95 lid 3).2 Ten aanzien van de projecten waarop de Landinrichtingswet van toepassing blijft, verwijst artikel 95 lid 4 naar een ministeriële regeling3 waarin wordt bepaald op welke wijze procedure- onderdelen en -besluiten op basis van de Landinrichtingswet of de Reconstructiewet concentratiegebieden worden gelijkgesteld met procedure-onderdelen en -besluiten op grond van de WILG.4
De WILG bevat voor de kavelruil geen (specifieke) overgangsregeling.5 Daardoor is onder meer geen voorziening aanwezig voor het geval vóór 1 januari 2007 een overeenkomst van kavelruil is aangegaan waarop de goedkeuring van DLG is aangevraagd, terwijl de notariële akte van verdeling na 31 december wordt verleden. Preller adviseert daarom voor dergelijke gevallen in de akte van verdeling de volgende partijverklaring op te nemen:
“In de kavelruilovereenkomst zijn met instemming van de directeur DLG onder meer de artikelen 160, leden 2, 3 en 4, 207, leden 2 en 4 en 208, leden 3 en 4, van de Landinrichtingswet op de overeenkomst van overeenkomstige toepassing verklaard. Op 1 januari 2007 is de Wet inrichting landelijk gebied (WILG) in werking getreden, waarbij de Landinrichtingswet is vervallen. De tekst van genoemde van toepassing verklaarde wetsbepalingen is inhoudelijk geheel opgenomen in de WILG en wel in respectievelijk artikel 60, leden 2, 3 en 4, artikel 81, leden 2 en 4 en artikel 82, leden 3 en 4.6 In verband daarmee zijn de in de vorige zin genoemde bepalingen van de WILG van overeenkomstige toepassing op de onderhavige kavelruilovereenkomst.”7
Deze partijverklaring is een praktische oplossing ter voorkoming van overgangsrechtelijke vraagstukken, die in de praktijk navolging heeft gevonden.8
Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 mei 20 099 blijkt dat de overgangsrechtelijke regels van artikel 95 WILG ook kunnen worden toegepast op kavelruilen. De Afdeling overweegt als volgt:
“Bij artikel 95, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied (hierna: Wilg), in werking getreden op 1 januari 2007, is de Landinrichtingswet ingetrokken. Ingevolge artikel 95, tweede lid, van de Wilg, blijft de Landinrichtingswet van toepassing op landinrichtingsprojecten die reeds in voorbereiding of in uitvoering zijn. Nu die situatie zich hier voordoet, heeft de Rechtbank het aan haar voorgelegde geschil terecht aan de hand van de Landinrichtingswet en daarop gebaseerde regelgeving beoordeeld. Zij heeft voorts terecht overwogen dat de minister ingevolge artikel 93, eerste en derde lid, van de Wilg, gelezen in samenhang met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling inrichting landelijk gebied (Ster. 2006, 249), in het voorliggende geval het bevoegde bestuursorgaan is.”10
Een ruime uitleg van artikel 95 WILG, een artikel dat primair voor de ruilverkaveling geschreven is, leidt volgens de Afdeling tot toepasselijkheid van deze regels op kavelruilprojecten. Hoewel juridisch-technisch niet geheel zuiver, valt deze uitkomst in mijn opinie te billijken.
Hoewel het formeel-juridisch niet een overgangsrechtelijke kwestie betreft, hecht ik eraan reeds op deze plaats op te wijzen dat aan uitspraken gedaan in het kader van de parlementaire behandeling van de kavelruil binnen de WILG geen enkele reflexwerking toekomt voor kavelruilprojecten onder het regime van de Landinrichtingswet In algemene zin geldt: voor de uitleg van een anterieure wet kan geen betekenis worden toegekend aan de bedoeling van de latere wetgever.11 Hoe duidelijk deze constatering ook moge zijn, in de praktijk blijkt men zich niet altijd bewust van deze gang van zaken.12