Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.2
8.2 Omvang vervreemdingsvoordelen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS458981:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Is ter zake van hetzelfde aanmerkelijkbelangpakket in één jaar zowel sprake van een winst als van een verlies, dan vindt blijkens HR 10 maart 1993, BNB 1993/130 saldering plaats. Betreft het een winst en verlies uit verschillende aanmerkelijkbelangpakketten, dan vond onder de oude aanmerkelijkbelangregeling volgens HR 14 januari 1959, BNB 1959/73 geen saldering plaats. Dit laatste arrest heeft met ingang van 1 januari 1997 zijn betekenis verloren, nu art. 20a Wet IB spreekt over 'het gezamenlijke bedrag van etc'. Onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling dient voortaan wel saldering plaats te vinden van positieve en negatieve voordelen van verschillende aanmerkelijkbelangpakketten.
Met betrekking tot schuldvorderingen wijs ik nog op de eventuele samenloop met art. 13b Wet Vpb. Met ingang van 1 januari 1997 leidt de vervreemding van een ten laste van in Nederland belastbare winst afgewaardeerde vordering voor de werkelijke waarde (en beneden de nominale waarde) aan een verbonden natuurlijk persoon op de voet van art. 13b Wet Vpb. tot het terug- nemen van de afwaardering bij het lichaam. Behoort de schuldvordering bij de verbonden natuurlijk persoon vervolgens tot een aanmerkelijk belang, dan wordt ditzelfde bedrag te gelegener tijd - uiteindelijk bij aflossing - nogmaals bij de verbonden natuurlijk persoon/aanmerkelijkbe-langhouder in de aanmerkelijkbelangheffing betrokken. Diens (subjectieve) verkrijgingsprijs bedraagt immers de werkelijke waarde van de schuldvordering. De wet voorziet niet in enige vorm van voorkoming van deze dubbele belastingheffing. Mijns inziens brengt een redelijke wetstoepassing met zich mee in een dergelijke situatie bij de verbonden natuurlijk persoon/aanmerkelijk-belanghouder de nominale waarde van de schuldvordering als de verkrijgingsprijs in aanmerking te nemen. Vgl. tevens de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 11-12.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 54-55.
HR 28 november 1956, BNB 1957/31, HR 22 april 1964, BNB 1964/179 en met name HR 16 oktober 1985, BNB 1986/15.
Het aflossen van schuldvorderingen wordt als een (fictieve) vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling aangemerkt. Zie hoofdstuk 7, onderdelen 7.3.5, 7.5.3 en 7.5.4.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 48.
Hiermee is tevens de bodem komen te ontvallen aan de bestrijding van de zgn. agio(-op-pompjconstructies en de turboconstructies (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.3). Bij Besluit van 6 juni 1997, nr. DB97/1501M, BNB 1997/251 zijn de Mededeling van 27 september 1994, nr. DB94/3477M, Infobulletin 94/763, V-N 1994, blz. 3179 betreffende bestrijding van agio(-op-pomp)constructies en de Resolutie van 7 november 1991, nr. DB91/6081, BNB 1992/20 betreffende de bestrijding van turboconstructies dan ook met ingang van het belastingjaar 1997 ingetrokken.
Voorts is in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling de verzachtingsregeling van art. 39, derde lid, derde volzin, (oud) Wet IB voor aandelen die op grond van de soortbenadering tot een aanmerkelijk belang behoren, komen te vervallen. Ingevolge deze regeling bleef bij vervreemding van dergelijke aandelen buiten aanmerking de winst die weliswaar was ontstaan in de bezitsperiode van de belastingplichtige, doch die geen verband hield met de aangroei van de waarde van het vermogensbestanddeel of van de reserves, waarin de aandeelhouder op bijzondere wijze was gerechtigd. Zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.2.2.3.
In dezelfde zin I.J.F.A. van Vijfeijken in haar noot onder HR 11 juni 1997, BNB 1997/274.
De omvang van de vervreemdingsvoordelen is uitvoerig geregeld in art. 20c Wet IB dat maar liefst negentien leden telt. Hiermee is dit artikel het meest omvangrijke artikel van de Wet IB. Ingevolge de hoofdregel van art. 20c, eerste lid, Wet IB worden de vervreemdingsvoordelen gesteld op de overdrachtsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs. Is de aldus berekende winst uit aanmerkelijk belang negatief, dan wordt dit verlies blijkens art. 20a, tweede lid, Wet IB in aanmerking genomen op de voet van art. 60 Wet IB (zie hoofdstuk 10, onderdeel 10.2).1 Dit was ook onder het tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregime reeds het geval (art. 39, eerste lid, tweede volzin, (oud) Wet IB). Hierbij wordt in beginsel geen verschil gemaakt tussen de vervreemdingsvoordelen van aandelen, winstbewijzen, schuldvorderingen of koopopties.2
Wordt een gedeelte van de in aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen besloten liggende rechten vervreemd, zoals bijvoorbeeld het geval is bij de vervreemding van claims en de vestiging van een niet-tijdelijk genotsrecht (art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB, zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.2.2), dan was onder de oude aanmerkelijkbelangregeling niet geregeld wat als verkrijgingsprijs in aanmerking moest worden genomen. In de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling wordt blijkens art. 20c, eerste lid, tweede volzin, Wet IB in genoemde situaties een evenredig gedeelte van de verkrijgingsprijs in aanmerking genomen. Het gedeelte van de verkrijgingsprijs dat alsdan in aanmerking wordt genomen, wordt bepaald aan de hand van de breuk waarbij de waarde van het vervreemde deel wordt afgezet tegen de waarde van het volledige aandeel, winstbewijs of schuldvordering direct voorafgaande aan de vervreemding.3 Deze benadering is weliswaar minder genuanceerd dan bijvoorbeeld de oplossing die de Hoge Raad voor de verkoop van claims heeft gekozen, maar wel overzichtelijker en eenvoudiger te hanteren.4
Het vorenstaande geldt op dezelfde wijze als schuldvorderingen niet geheel doch slechts gedeeltelijk worden afgelost resp. kwijtgescholden.5 Alsdan dient eveneens een evenredig gedeelte van de verkrijgingsprijs in aanmerking te worden genomen. De memorie van toelichting geeft het volgende voorbeeld:6 Een belastingplichtige heeft een schuldvordering op een vennootschap met een nominale waarde van ƒ 1 000 000 gekocht voor ƒ 100 000. De schuldvordering behoort tot een aanmerkelijk belang. Ingeval de schuldvordering op enig tijdstip geheel wordt afgelost, wordt het vervreemdingsvoordeel gesteld op ƒ 1 000 000 -/- ƒ 100 000 = ƒ 900 000. Ingeval de schuldvordering gedeeltelijk wordt afgelost, bijvoorbeeld ƒ 600 000, dan wordt het vervreemdingsvoordeel gesteld op ƒ 600 000 -/- ƒ 60 000 = ƒ 540 000. Het nog niet afgeloste deel van de schuldvordering heeft een resterende verkrijgingsprijs van ƒ 40 000.
In vergelijking met het oude aanmerkelijkbelangregime is in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling een belangrijke systeemwijziging aangebracht, nl. het verdwijnen van de minimumkapitaalregeling van het art. 39, vierde lid, slot, (oud) Wet IB. Zoals in hoofdstuk 3, onderdeel 3.3 was gebleken, kon door de werking van deze regeling onder het oude aanmerkelijkbelangregime een deel van de aanmerkelijkbelangclaim definitief verloren gaan. Teneinde dit effect onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime te vermijden is met ingang van 1 januari 1997 deze zgn. minimumkapitaalregeling van art. 39, vierde lid, slot, (oud) Wet IB vervallen.7 Dit betekent dat in alle gevallen voor de berekening van de aanmerkelijkbelangwinst wordt uitgegaan van de subjectieve verkrijgingsprijs, ook als deze minder bedraagt dan het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal. Anderzijds zijn interingen op het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal ook op de normale wijze als negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking te nemen. In een gesubjectiveerd (aanmerkelijkbelang)regime is voor een dergelijke minimumkapitaalregeling immers geen plaats meer. Als gevolg van deze subjectivering kon in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling tevens de bijzondere reductieregeling bij liquidatie van art. 59 (oud) Wet IB vervallen.8 Aan de in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling nog aan te treffen verwijzingen naar de bron ^'inkomsten uit vermogen', zoals art. 20c, negende lid, Wet IB (zie hierna onderdeel 8.2.2.1), moet dan ook geen andere betekenis worden gehecht dan de voorkoming van dubbele belastingheffing.
In de tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregeling was zonder twijfel een duidelijke link aanwezig met de objectieve bron 'inkomsten uit vermogen'. Dit betekende dat de basisconceptie die ten grondslag lag aan de belastingheffing met betrekking tot de inkomsten uit aandelen, ook voor de aanmerkelijkbelangregeling het uitgangspunt vormde: Voor de totaliteit van aandeelhouders werd uiteindelijk als inkomen beschouwd het totaal van de door de vennootschap vanaf de oprichting tot en met de liquidatie behaalde en hun als zodanig toekomende winst (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.2). Hieruit volgde dat naar doel en strekking van de aanmerkelijkbelangregeling slechts belast was als winst uit aanmerkelijk belang de toe- resp. afname van de winstreserves van de vennootschap gedurende de bezitsperiode van de aanmerkelijkbelanghouder; dit was immers de winst die de vennootschap had gecreëerd bovenop het gestorte kapitaal en die aan de aandeelhouders als zodanig ter beschikking stond. Onder de oude aanmerkelijkbelangregeling geschiedde dit echter op een onvolkomen wijze door uit te gaan van de verkrijgingsprijs resp. overdrachtsprijs. Beide prijzen bevatten immers elementen die niet zijn terug te voeren op wijzigingen van de winstreserves bij de vennootschap, zoals goodwill, valutakoersresultaten e.d. De wet bood echter geen ruimte om de verkrijgingsprijs resp. overdrachtsprijs meer in overeenstemming met de ratio van de aanmerkelijkbelangregeling te interpreteren.
Zoals in hoofdstuk 4, onderdeel 4.2. is uiteengezet, is in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling de relatie met de objectieve bron 'inkomsten uit vermogen' komen te vervallen. Weliswaar bevat de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling, in het bijzonder de categorie reguliere voordelen van art. 20b Wet IB, nog rudimenten uit het objectieve regime van de inkomsten uit vermogen doch dit betreffen slechts verschuivingen van de belastingheffing in de tijd. Gedurende de gehele bezitsperiode van de aanmerkelijkbelanghouder wordt zijn subjectieve aanmerkelijkbelangwinst in de belastingheffing betrokken. Dit betekent tevens dat de relatie met de winstreserves van de vennootschap uit beeld is verdwenen. In die zin is de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling veel meer opgeschoven in de richting van een afzonderlijk regime tussen de ondernemer enerzijds en de aandeelhouder/belegger anderzijds, waar de oude aanmerkelijkbelangregeling primair nog de aandeelhouder/belegger als uitgangspunt nam (zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.4). Hieruit volgt dat het mijns inziens niet langer in strijd komt met doel en strekking van de aanmerkelijkbelangregeling om elementen als onderdeel van de verkrijgings- resp. overdrachtsprijs in de belastingheffing te betrekken die niet zijn terug te voeren op de (aanwezige) winstreserves van de vennootschap, zoals goodwill en valutakoersresultaten. Gelet op de doorgevoerde subjectivering van de aanmerkelijkbelangregeling past het in de ratio van deze regeling om voor de belastingheffing aansluiting te zoeken bij de subjectieve winst uit aanmerkelijk belang, ongeacht of deze winst kan worden teruggevoerd op de (winst)reserves van de vennootschap of andere, volledig externe factoren.9