Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/5.2.6.2
5.2.6.2 De sanctiefase: is algeheel verval gerechtvaardigd?
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS361918:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
NvW I, Kamerstukken II1999/2000, 19 529, nr. 5, p. 27-28.
NJ 2005, 160, m.nt. MMM.
Het arrest is onder meer besproken door Kamphuisen in AV&S nr. 1/2005: 'Ook de Hoge Raad aanvaardt verlies van dekking bij bedrog', p. 32 e.v., N. van Tiggele-van der Velde, Kroniek (schade)verzekeringsrecht, NTBR 2005/10, p. 518, P. van den Broek, Bb 2005, nr. 15, M.L. Hendrikse, NTHR 2005-1: 'Eindelijk duidelijkheid over de fraudevervalclausule', p. 25 e.v.
NvW I, Kamerstukken II, 1999/2000, 19 529, nr. 5, p. 27-28.
Zie ook hiervoor onder 5.2.6; de uitspraak waar de Hoge Raad naar verwijst is die van 8 april 2002, nr. 2002/11 Br, waarin de Raad van Toezicht uitsprak: een verzekeraar die aldus de sanctie van geheel verval van het recht op uitkering wil inroepen, is gehouden te onderzoeken of de bijzondere omstandigheden van het concrete geval nopen tot het toepassen van een minder vergaande sanctie. Daarvan zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn bij frauduleus handelen dat slechts betrekking heeft op één van de verschillende schadevorderingen die de verzekerde onder verschillende rubrieken van de polis heeft ingediend, terwijl de overige schades onder andere rubrieken met inachtneming van strenge eisen van bewijs zijn komen vast te staan. In zoverre handhaaft de Raad zijn eerdere rechtspraak. Ook kan bijvoorbeeld in aanmerking worden genomen de ernst van het bedrog of de betrekkelijk geringe gevolgen ervan en kan worden gedacht aan gevallen waarin een algeheel verval van de uitkeringsplicht ontoelaatbaar hard zou zijn.'
De uitspraak is onder 'oud' recht gedaan.
Prg. 2000, 5565, m.nt. M.L. Hendrikse.
Het arrest is één van de uitspraken, waarin de civiele rechter afstand nam van de door de Raad van Toezicht uitgezette lijn en waarin het hof dus concludeerde tot algeheel verval bij partieel bedrog. Zie hiervoor ook de inleiding onder 5.2.6.
Zie ook onder 1.1.
Een volgende vraag die rijst indien opzet tot misleiding van de verzekeraar aangenomen kan worden, is die van de sanctie. Uitgangspunt in de sanctiefase, zo leert de toelichting in de parlementaire geschiedenis, is dat alleen in bijzondere gevallen aangenomen kan worden dat het (gehele) verval van uitkering niet gerechtvaardigd is. De in de wet genoemde laatste zinsnede 'behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt' beoogt de rechter bij toepassing van de sanctie de mogelijkheid te geven met de bijzonderheden van elk geval rekening te houden, zodat deze een gezien de zwaarte van het bedrog passende, meer proportionele sanctie kan toepassen.1
Een invulling van de 'bijzonderheden' waarmee rekening gehouden dient te worden, is nog slechts ten dele gegeven en wel in de eerder genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 3 december 2004.2 Hoewel de uitspraak al veel besproken is,3 is het voor een goed begrip van de materie zinvol om de casus kort te schetsen: in de polisvoorwaarden van de zgn. 'alles-onder-één-dak-polis', waaronder mede diefstal verzekerd was, was onder meer de bepaling opgenomen dat 'elk recht op schadevergoeding vervalt als verzekerde bij schade opzettelijk onjuist gegevens verstrekt'. Wanneer verzekeringnemer aangifte doet van diefstal uit haar woning, claimt zij totaal ruim ƒ10 000,- bij haar schadeverzekeraar, van welke schadeclaim deel uitmaakt de diefstal van een Lorus-horloge en een broche. Door de expert wordt tijdens het onderzoek vastgesteld dat verzekeringnemer over de waarde van deze twee voorwerpen onjuiste gegevens had verstrekt: het horloge had geen waarde van ƒ 659,-, maar van ƒ 59,-, terwijl de broche geen ƒ 726,-, maar ƒ 626,- waard was.
De Hoge Raad oordeelt dat (a) gelet op de tekst van art. 7.17.1.14 lid 5Ontwerp BW (7:941 lid 5 BW, NvT), de toelichting daarop4 en het feit dat de Raad van Toezicht zich hierbij heeft aangesloten5 en (b) in aanmerking nemend dat er grond bestaat om voor de inhoud van de op het onderhavige punt in Nederland levende rechtsovertuiging betekenis toe te kennen aan het standpunt van de Raad van Toezicht, dat ook voor het thans geldende recht6 moet worden uitgegaan van het bepaalde in art. 7:941 lid 5 BW. Door algeheel verval van schade-uitkering voorop te stellen bij verzekeringsbedrog heeft het hof naar het oordeel van de Hoge Raad niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ook het in het oordeel van het hof besloten liggend standpunt dat hij de omstandigheid dat de fraude slechts een gering gedeelte van de schade betrof, niet zodanige oordeelde dat op grond daarvan het verval van het recht op uitkering niet gerechtvaardigd was, heeft de Hoge Raad niet onjuist geoordeeld.
De geringe omvang van de fraude lijkt daarmee, kort gezegd, niet voldoende om elk verval van het recht op uitkering - met gebruikmaking van de laatste zinsnede van lid 5 - te voorkomen. Aan welke omstandigheden dient dan (wel) gedacht te worden? In de parlementaire behandeling wordt het voorbeeld gegeven dat een meer proportionele sanctie (dan die van algeheel verval) toegepast zal kunnen worden indien het frauduleus handelen slechts betrekking heeft op één van verschillende vorderingen die de verzekerde onder verschillende rubrieken van de polis heeft ingediend.7
Een uitspraak die aan de invulling van 'omstandigheden' als hiervoor bedoeld, verder nog richting kan geven, is die van het Hof Den Haag van 22 augustus 2000.8 In deze zaak werd door de verzekerde na diefstal met braak een vordering tot schadevergoeding ingediend van ƒ 120 000,-, van welk bedrag deel uitmaakt een bedrag ad ƒ 20 000,- voor niet-gestolen goederen. Het hof concludeert in deze zaak tot opzet tot misleiding op grond van de omstandigheden van het geval:
'(... ) Ook de poging van [verzekerde] van 9 januari 1996 om de litigieuze partij (niet-gestolen, NvT) zeiljacks te verhuizen, teneinde ontdekking door [verzekeraar] van die, als gestolen opgegeven partij te voorkomen, is van belang. Uit die feiten blijkt genoegzaam van de bewustheid van [verzekerde] van de onjuistheid van haar schade-opgave en de daarin besloten liggende misleiding van [verzekeraar] dienaangaande, als ook van haar opzet tot (de volharding in) die misleiding. (...)'.
Het hof noemt ter motivering van zijn beslissing dat algeheel verval van uitkering aanvaardbaar is, nog een aantal andere omstandigheden. Hoewel het arrest gelezen dient te worden in het 'tijdperk' dat algeheel verval geen regel (maar uitzondering) was,9 zijn de door het hof benoemde omstandigheden mijns inziens wel punten die de rechter in zijn beoordeling - zij het dan in het kader van de beoordeling van de vraag of deze de uitzondering op de regel van algeheel verval rechtvaardigen - zal kunnen betrekken. Ik doel daarbij, naast de genoemde opzettelijke volharding in misleiding van de verzekeraar, op de tijdspanne waarin dat het geval was (gedurende geruime tijd?), de vraag door wie de misleiding werd ontdekt (door de verzekeraar zelf of door eigen opgave?), de meermaals bewust gedane onware mededelingen, het ontbreken van iedere aanwijzing voor een voornemen om zelf op de schreden terug te keren, de grove schending van contractuele verplichtingen en in acht te nemen fatsoen.
Tenslotte is het goed er op deze plaats nog eens op te wijzen dat het bewijs-risico ter zake van de stelling dat algeheel verval niet gerechtvaardigd is, op de verzekerde rust: de uitzondering is immers ten behoeve van hem opge-nomen10 en het is mitsdien aan hem om feiten en omstandigheden aan te voeren die het oordeel rechtvaardigen dat de misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt.