Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.4.2
21.4.2 Oprechtheidstoets
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457636:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Council of Europe 2015. Zie echr.coe.int.
EHRM 1 juli 2014, nr. 43835/11 (S.A.S. v Frankrijk), par. 55. Zie ook EHRM 21 september 2005, nr. 35021/05 (Kovalkovs v Letland), par. 57; EHRM 17 december 2013, nr. 14150/08 (Vartic v Roemenië),par. 46. In Skugar e.a. v Rusland lijkt het EHRM toch ook een wat meer objectiverende benadering van de oprechtheid niet uit te sluiten: ‘This does not, nevertheless, prevent the Court from making factual findings as to whether an applicant's religious claims are genuine and sincerely held’. Zie EHRM 3 december 2009 (ontv.), nr. 40010/04 (Skugar e.a. v Rusland).
Helfand, U. Ill. L. Review 2016, p. 1801; Chapman, Washington Law Review 2017; Levine, Notre Dame Law Review Online 2015, p. 26, 46.
In de Amerikaanse rechtspraktijk wordt het leerstuk de ‘Religious Question Doctrine’ genoemd. Zie hierover: Gedicks, The George Washington Law Review 2017, p. 94-151.
Hambler, Ecclesiastical Law Society 2011, p. 150.
EHRM 21 februari 2008, nr. 19516/06 (Alexandridis v Griekenland), par. 38.
Anders zou men bijvoorbeeld een dominee die de Bijbel niet van kaft tot kaft gelooft kunnen betichten van onoprechtheid terwijl hij er wel degelijk ernstige geloofsopvattingen op na houdt.
Helfand, U. Ill. L. Review 2016, p. 1801.
Van Halder, Asiel & Migratierecht 2010, p. 477.
Een godsdienst of religie bestaat uiteraard bij de gratie van haar aanhangers. Het zijn de aanhangers die op- of onoprecht zijn met als gevolg dat de godsdienst oprecht of onoprecht is.
Adams & Barmore, Standard Law Review Online 2014, p. 60.
Adams & Barmore, Standard Law Review Online 2014, p. 59-66.
HR 22 januari 1988, AB 1988, 96, m.nt. FHvdB; Gerechtshof Amsterdam 24 juli 2007, JA 2007, 140; NJF 2007, 389.
Hambler, Ecclesiastical Law Society 2011, p. 146-156.
Het EHRM heeft in zijn jurisprudentie de eis geformuleerd dat godsdienstige of levensbeschouwelijke denkbeelden een bepaalde mate van serieusheid of ernst moeten bezitten willen ze als godsdienstig of levensbeschouwelijk worden gekwalificeerd. Deze eis heeft een begripsmatig karakter: het fenomeen godsdienst of levensbeschouwing moet een bepaalde mate van serieusheid of ernst in zich dragen. Het eisen stellen aan het fenomeen an sich (aan de dogmatiek ervan) is een objectivering van het godsdienstbegrip. Strikt genomen is serieusheid of ernst een menselijke stemming. Alleen de aanhangers van een godsdienst of levensbeschouwing kunnen serieus of ernstig zijn in hun opvattingen, een ‘geloofssysteem’ op zich in wezen niet. Daarom zou ik willen voorstellen dat bij religieuze claims niet alleen wordt gekeken of de ‘godsdienst’ an sich serieus van aard is maar ook of het rechtssubject oprecht is in zijn claim. Men kan immers onoprecht een (serieuze) godsdienst aanhangen. Dit kan men doen om er zelf beter van te worden. Bijvoorbeeld een asielzoeker die stelt christen te zijn en om die reden is weggevlucht uit zijn land van herkomst, terwijl hij in werkelijkheid om economische redenen is weggevlucht. Het is niet wenselijk dat het recht onoprechte claims honoreert omdat daarmee in feite het recht misbruikt wordt.
Opmerkelijk is dat het EHRM juist ten aanzien van de oprechtheid van een rechtssubject in algemene zin een meer subjectiverende benadering lijkt voor te staan.1 Zo stelt het in S.A.S. tegen Frankrijk:
‘(…) applicants claiming that an act falls within their freedom to manifest their religion or beliefs are not required to establish that they acted in fulfilment of a duty mandated by the religion in question’.2
In het Angelsaksische debat hecht men daarentegen in toenemende mate belang aan een oprechtheidstest. Meerdere auteurs vinden dat een accommodationistische benadering waarin religieuze claims zoveel mogelijk worden geaccommodeerd (subjectiverende kwalificatie) gepaard moet gaan met een ‘increased sincerity skepticism’. Helfand stelt:
‘The more considerations courts can incorporate into their sincerity analysis, the better courts can serve as gatekeepers, ensuring the overall integrity of a religious accommodations regime.’3
Hambler stelt:
‘… if there is no “doctrinal” inquiry [vanwege het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid,4 JV] of any kind, then sincerity of belief can be the only realistic test.’5
Wanneer we in Nederland de kant op gaan van een sterk gesubjectiveerd begrip van godsdienst, dan denk ik dat een strengere objectieve toets van de oprechtheid van een rechtssubject ook voor de Nederlandse rechtspraktijk is aan te bevelen.
Waarom het EHRM een subjectiverende benadering van de oprechtheid voorstaat motiveert het niet. Het stelt enkel dat het daarvoor niet is uitgerust. Mogelijk dat dit is ingegeven door bezorgdheid over een schending van het forum internum. Misschien vreest het dat het testen van de geloofwaardigheid het karakter krijgt van een kruisverhoor of erger een inquisitie. Deze vrees lijkt niet geheel ongegrond. Daarom dient de rechter zich wel terughoudend op te stellen. Een rechtssubject mag niet gedwongen worden om openheid van zaken te geven over religieuze denkbeelden.6 De oprechtheidstoets dient betrekking te hebben op de subjectieve opvattingen van de justitiabele en daarbij niet een geobjectiveerd beeld van godsdienst als meetlat te nemen.7 Aan de andere kant dient het materiële waarheidsbegrip wel als uitgangspunt te gelden. De rechter dient ervan overtuigd te zijn dat een rechtssubject oprecht of onoprecht is. Bij twijfel kan hij het rechtssubject het voordeel van de twijfel geven.
In de Angelsaksische literatuur worden twee manieren onderscheiden waarop de rechter de oprechtheid van een godsdienstige overtuiging kan toetsen. Ten eerste kan de rechter in de feiten over de godsdienstoefening een belangrijk aanknopingspunt vinden. De gedachte hierachter is dat ‘People are entitled to their own religious beliefs but not to their own facts’.8 De rechter zou het rechtssubject feitelijke vragen kunnen stellen over religieuze ervaringen, het proces van bekering, de wijze van verering en de plaats waar dit gebeurt en de waarde van religie voor het rechtssubject.9 Wanneer deze feiten kunnen worden nagegaan kan de rechter, zonder inhoudelijk in te gaan op de godsdienst zelf, oordelen over de oprechtheid van het rechtssubject.10 In de nationale jurisprudentie zien we ten aanzien van het asielrecht dat bestuursorganen en de rechter de betrouwbaarheid van het asielrelaas beoordelen aan de hand van feitelijke vragen over religieuze ervaringen, het proces van bekering, de wijze van verering, etc. Problematisch is wel dat er dan soms een geobjectiveerd beeld van godsdienst gehanteerd wordt en men verlangt dat het rechtsobject dit beeld kan bevestigen. Een dergelijke benadering staat op gespannen voet met het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid.
Ten tweede kan de rechter een aanknopingspunt vinden in de consistentie van het gedrag van het rechtssubject. De veronderstelling is dat een aanhanger van een godsdienst in zijn uitingen en gedragingen blijk geeft van de religieuze leer die hij aanhangt. De uitingen en gedragingen van een rechtssubject moeten een zeker conformiteit hebben met de vermeende godsdienstige leer. Veronderstel een persoon die claimt een religieus bezwaar te hebben tegen het eten van broccoli, terwijl bekend is dat deze persoon elke week broccoli eet. Een rechtbank kan deze religieuze claim afdoen als onoprecht zonder in te hoeven gaan op de theologische ‘waarheid’ van deze claim. Hij kan dit door door aan de hand van de gedragingen van het rechtssubject te concluderen dat de religieuze claim ongeloofwaardig is.11 Wanneer we denken aan een organisatie die stelt een kerkgenootschap te zijn en daarom belastingvoordelen wil genieten dan kan worden nagegaan of het motief van de organisatie om kerkgenootschap te zijn is ingegeven door winstbejag. Het gedrag van een dergelijke organisatie kan onthullen of ze daadwerkelijk religieus zijn. Zijn er andere gedragingen waaruit blijkt dat de organisatie zijn religie laat prevaleren op winstbejag? Bijvoorbeeld dat een vermeende christelijke organisatie geen alcohol verkoopt, doneert aan religieuze doeleinden (en door dit gedrag minder winst maakt), etc.12
In de nationale rechtsorde vinden we een consistentie-test terug in de jurisprudentie in het kader van de AWGB. Aan bijzondere scholen en religieuze instellingen wordt de eis gesteld dat zij wanneer onderscheid willen maken op basis van hun godsdienstige grondslag het toelatingsbeleid voldoende consistent en consequent is.13 Deze eis is zonder dat hij als zodanig wordt benoemd, in feite een oprechtheidstest van het rechtssubject, in dit geval een collectief rechtssubject. Naast deze eis komen we in de EHRM en nationale jurisprudentie een dergelijke consistentie-eis niet tegen.
Opgemerkt dient te worden dat er soms goede redenen zijn waarom het gedrag van het rechtssubject niet consistent is met zijn beweerdelijk aangehangen godsdienst. Bijvoorbeeld 1) een afwijkende interpretatie van de doctrine, 2) angst voor iets of iemand, 3) een kort geleden bepalende religieuze ervaring (bijvoorbeeld een bekering), 4) een moreel falen (in de christelijke traditie heet dit ‘zondigen’), 5) veranderende religieuze inzichten. Een rechter die de consistentie van de beweerdelijk aangehangen religieuze leer of traditie met de uitingen en gedragingen van het rechtssubject toetst moet daarom altijd nagaan in hoeverre een inconsistentie te rechtvaardigen is.14