Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.3.5.4
5.3.5.4 Ondermijning van art. 3:239 lid 1 BW
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS479308:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Nogmaals in HR 1 februari 2013, JOR 2013/155, m.nt. B.A. Schuijling & N.E.D. Faber, NJ 2013/156, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Van Leuveren q.q./ING), r.o. 4.1.
HR 3 februari 2012, JOR 2012/200, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/261, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Dix q.q./ING), r.o. 4.8.1-4.8.3.
HR 3 februari 2012, JOR 2012/200, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/261, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Dix q.q./ING), r.o. 4.9.1-4.9.4.
Zie in dit verband ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 762-763, zie ook MvA II en MO I, Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 157 en 160.
Zie Kaptein 2012a voor een kritische bespreking van deze argumenten.
Zie nr. 203-204.
Zie nr. 204.
Zie ook Verstijlen 1994 en Verhagen 2002.
226. De verzamelakteconstructie roept, naast juridisch-technische kwesties omtrent vertegenwoordiging, ook de vraag op naar een eventuele strijdigheid met de strekking van art. 3:239 lid 1 BW. Deze wetsbepaling sluit immers de stille verpanding bij voorbaat van absoluut toekomstige vorderingen uit, teneinde andere schuldeisers verhaalsmogelijkheden te bieden op deze vorderingen. Echter, de verpandingsconstructie zorgt ervoor dat absoluut toekomstige vorderingen vrijwel onmiddellijk na hun ontstaan met een stil pandrecht van de bank worden belast op eenvoudige wijze en zonder tussenkomst van de pandgever door registratie van de verzamelakte door de pandhouder. Het algemene bezwaar dat de constructie art. 3:239 lid 1 BW onaanvaardbaar ondergraaft omdat het de verhaalsmogelijkheden van concurrente schuldeisers vrijwel illusoir maakt, is verworpen in het arrest Dix q.q./ING.1
Volgens de Hoge Raad is de constructie niet gemakkelijk te verenigen met de in de wetsgeschiedenis gemaakte opmerking dat art. 3:239 lid 1 BW ruimte laat voor concurrente schuldeisers die in de praktijk in belangrijke mate op derdenbeslag zijn aangewezen. De constructie leidt echter niet tot een onaanvaardbare ondergraving van de wetsbepaling. Hoewel de Hoge Raad erkent dat de concurrente schuldeisers feitelijk niet of nauwelijks verhaal kunnen nemen op de vorderingen (en overige goederen) van bedrijven en dat de uitgangspunten van de art. 3:276 (verhaalsrecht op alle goederen van de schuldenaar) en 3:277 BW (gelijkheid van schuldeisers) wat betreft concurrente schuldeisers verregaand zijn uitgehold, staat de strekking van art. 3:239 lid 1 BW niet aan de constructie in de weg.2 De Hoge Raad geeft hiervoor drie argumenten.3 Redengevend is ten eerste dat art. 3:239 lid 1 BW een tegemoetkoming vormt aan de wensen van de praktijk om vorderingen stil te verpanden, mede in het belang van een vlot functionerend kredietverkeer.4 Ten tweede zijn de concurrente schuldeisers (indirect) gebaat door de constructie, in de zin dat de financiering van bedrijven erdoor wordt bevorderd, zodat kredieten ruimer worden verleend en in kritieke situaties minder snel aanleiding bestaat de financiering te staken. Ook de belangen van andere betrokkenen bij het bedrijf, met name van de werknemers, zijn daarmee gediend. Ten derde gaat de Hoge Raad ervan uit dat schuldeisers bij het aangaan van overeenkomsten met een bedrijf zich zoveel mogelijk zullen instellen op de omstandigheid dat er niet of nauwelijks verhaal mogelijk zal zijn op het vermogen van hun wederpartij. Schuldeisers die goederen leveren of diensten verrichten, staan in het algemeen voldoende mogelijkheden ter beschikking voor de voldoening of het verhaal van hun vorderingen, zoals het bedingen van een eigendomsvoorbehoud of zekerheid.5
De Hoge Raad doet de nodige moeite om de geldigheid van de verzamelpandakteconstructie te rechtvaardigen. De reden daarvoor lijkt te liggen in de strekking die hij toekent aan art. 3:239 lid 1 BW, namelijk de bescherming van concurrente schuldeisers. Zoals ik hiervoor heb betoogd, is de strekking van de wetsbepaling meer beperkt en haast triviaal. De beperking geeft uitdrukking aan de gedachte om wat de stille verpanding van toekomstige vorderingen betreft alles praktisch bij het oude laten en daarmee geen verschuivingen in bestaande financieringspatronen in de hand te werken.6 De bescherming die de concurrente schuldeisers aan dit stelsel ontlenen, is dan ook niet zozeer de voornaamste reden van de beperking, maar veeleer een bijvangst van het handhaven van de stand van zaken. Bovendien bestaat de bescherming slechts daaruit dat de stil pandhouder en de beslaglegger een gelijke start krijgen in de “strijd” om de toekomstige vorderingen van hun schuldenaar. Een strijd die voor het overige ongelijk is. Ook zonder het gebruik van een verzamelpandakte zal een beslaglegger, die door tussenkomst van een deurwaarder (en niet zelden de rechter) onder een specifieke derde beslag moet leggen, het in de regel afleggen tegen een stil pandhouder die periodiek alle vorderingen van zijn schuldenaar aan zich laat verpanden. Aangezien art. 3:239 lid 1 BW geen obstakel vormt voor het herhaaldelijk stil verpanden door een individuele pandgever van zijn toekomstige vorderingen door middel van een generieke omschrijving van vorderingen, valt niet goed in te zien waarom een herhaaldelijke verpanding door middel van een verzamelpandakte spaak moet lopen.
227. De erkenning van de verzamelpandakteconstructie betekent dat de administratieve belasting van de periodieke stille verpanding van vorderingen veilig tot een minimum kan worden teruggebracht. De beperking van art. 3:239 lid 1 BW is door deze ontwikkeling inmiddels tot een tandeloze tijger verworden. De uiteindelijke afschaffing van de beperking ligt daardoor in de rede. De ongelukkige gelijkschakeling van beslag en stille verpanding kan daarmee ongedaan worden gemaakt. Zoals reeds aan de orde kwam, bestaan goede redenen voor een verschillende behandeling van beslag op en verpanding van toekomstige goederen.7 Afschaffing zou de stille verpanding van toekomstige vorderingen bovendien in de pas brengen met die van toekomstige roerende zaken, die thans onbeperkt mogelijk is op grond van art. (3:98 jo. 3:97 jo.) 3:237 BW.
Indien de beperking uit art. 3:239 lid 1 BW (en art. 3:94 lid 3 BW) wordt geschrapt, verdient een regeling van derdenbescherming bij de verkrijging en verpanding van vorderingen overweging. De beperking vormde immers een compensatie voor het schrappen van een dergelijke regeling in het ontwerp van een vierde lid van art. 3:239 BW. Naar huidig recht wordt een stille cessionaris of pandhouder slechts in zeer beperkte mate beschermd tegen een eerdere bezwaring (bij voorbaat) van de vordering, terwijl hem bovendien nauwelijks mogelijkheden ten dienste staan om met een redelijke mate van waarschijnlijkheid vast te stellen of de vordering reeds is bezwaard. Anders dan op grond van art. 3:86 lid 2 en 3:238 lid 2 BW geldt voor roerende zaken, bieden de art. 3:88 en 3:239 lid 4 BW de cessionaris of pandhouder geen bescherming tegen een beperkte beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder die het gevolg is van een eerdere bezwaring. Of het gerechtvaardigd is dit onderscheid tussen zaken en vorderingen te blijven maken in het kader van derdenbescherming valt te betwijfelen.8