Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/5.6.2.1
5.6.2.1 Inrichting van de stak
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957889:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een historische ontwikkeling van het stichtingenrecht Van Veen 2011. Uit de historische ontwikkeling van de stichting kan worden verklaard waarom het een rechtspersoon met grote inrichtingsvrijheid is. Zie ook Asser/Rensen 2-III 2022/322-328, 332 en 334 en Van Uchelen-Schipper 2018, hoofdstuk 3 waarin ze de historische ontwikkeling van governance bij de stichtingen beschrijft.
De werking van de tegenstrijdig belangregeling en de regeling omtrent de raad van commissarissen bij een familiebedrijf is onderzocht in Steegmans, Geerlings en Govers 2019.
Een doelomschrijving mag niet in strijd zijn met de openbare orde (art. 2:20 lid 1 BW). Zie over de doelomschrijving Asser/Rensen 2-III 2022/347.
Art. 2:294 lid 2 BW. Asser/Rensen 2-III 2022/430.
Zie over deze discussie Asser/Rensen 2-III 2022/430 en de daar genoemde literatuur.
Steegmans 2020.
De stichting is een rechtspersoon die moet worden opgericht bij notariële akte.1 In art. 2:286 lid 4 BW is bepaald welke bepalingen de statuten van de stichting in elk geval moeten bevatten. Dit betreffen onder andere de naam en het doel van de stichting en de wijze van benoeming en ontslag van bestuurders van de stichting.
In Titel 6 van Boek 2 BW is voor de stichting maar een beperkt aantal dwingendrechtelijke bepalingen opgenomen.2 Daarmee bestaat er voor de oprichter(s) van de stichting veel vrijheid om de stichting naar eigen inzicht in te richten. Op 1 juli 2021 is de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen in werking getreden waarbij er enkele bepalingen aan het stichtingenrecht zijn toegevoegd. Dit betreft onder andere het verplicht opnemen van een ontstentenis en beletregeling in de statuten (art. 2:291 lid 5 BW), een regeling in het geval van tegenstrijdig belang (art. 2:291 lid 6 BW) en een regeling ten aanzien van een raad van commissarissen (art. 2:292a BW).3 De vrijheid om de stichting naar eigen wens in te richten is daarmee enigszins ingeperkt.
In de statuten van de stak kunnen, naast de verplichte inhoud die hierboven benoemd is, bepalingen bevatten die op de certificering zien. Zo kan er in de statuten van de stak een bepaling worden opgenomen over de vergadering van certificaathouders. Deze vergadering kan als orgaan van de stak worden gezien.4 Aan de vergadering van certificaathouders kunnen bijvoorbeeld instemmings- of adviesbevoegdheden worden verleend. Ook kan worden bepaald op welke manier en hoe vaak per jaar de vergadering van certificaathouders bij elkaar komt. Een ander voorbeeld is de bepaling dat de stak met de certificaathouder(s) administratievoorwaarden zal overeenkomen of dat het bestuur deze zal vaststellen. Daarnaast is een bepaling over de mogelijkheid tot decertificering mogelijk en de wijze waarop die kan plaatsvinden. Tot slot kunnen bij ingrijpende besluiten zoals een statutenwijziging of ontbinding van de stak bepalingen worden opgenomen op welke manier de vergadering van certificaathouders een rol speelt in die besluitvorming.
Een belangrijk onderdeel van het inrichten van de stichting is tot slot het vaststellen en omschrijven van het doel van de stichting. De doelomschrijving mag heel algemeen worden beschreven.5 Bij een algemeen omschreven doel krijgt het bestuur van de stichting veel vrijheid om naar eigen inzicht te handelen in lijn met de doelstelling. Een algemeen omschreven doelstelling zorgt er ook voor dat er minder snel een noodzaak zal ontstaan tot wijziging van het doel. Bij een eventuele wijziging van het doel moet in beginsel het karakter van het oorspronkelijke doel zoveel mogelijk behouden blijven.6 Mocht in de statuten zijn opgenomen dat een statutenwijziging, waaronder doelwijziging mogelijk is, dan bestaat mogelijk iets meer ruimte om af te wijken van het oorspronkelijke doel van de oprichter(s).7
Een nadeel van een te algemene doelstelling kan zijn dat het voor het bestuur lastig is om in een specifieke situatie te bepalen hoe er moet worden gehandeld. Dit speelt met name bij de stak op het moment dat de belangen van de vennootschap waarvan de aandelen zijn gecertificeerd niet overeenkomen met de belangen van de certificaathouders. De vraag is hoe het bestuur van de stak moet bepalen naar welke belangen zij zich moet richten. Dit wordt in de volgende paragrafen behandeld. Het grootste deel van de inhoud van deze paragrafen is, vooruitlopend op dit onderzoek, eerder verschenen in ‘Rondom certificeren van aandelen’.8
5.6.2.1.1 Rechtspraak over botsende belangen binnen een stak5.6.2.1.2 Analyse uitspraken: naar welke belangen moet het bestuur zich richten?5.6.2.1.3 Conclusie ten aanzien van de belangenbehartiging door het bestuur van de stak