De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.5.3.2:11.5.3.2 Weerlegbare vermoedens (wenselijk recht)
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.5.3.2
11.5.3.2 Weerlegbare vermoedens (wenselijk recht)
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS366348:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Sijmonsma 2003, p. 636-637.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uitgaande van weerlegbare vermoedens kan de uit hoofde van de biedplicht aangesproken partij in de eerste plaats bewijs leveren tegen de feiten die door het vermoeden als in beginsel vaststaand mogen worden beschouwd (zie eerder § 11.5.2). Daarnaast is tegenbewijs mogelijk ten aanzien van het vermoeden zelf. Men spreekt dan van intermediaire feiten, dat wil zeggen het feit waarop het vermoeden rust. Toegepast op enkele hiervoor besproken acting in concert-gevallen: of er sprake is van een gemeenschap (§ 11.4.2.2) of bloed- of aanverwantschap (§ 11.4.2.4).
Het onderscheid tussen de beide hiervoor genoemde vormen van tegenbewijslevering is van belang bij de beoordeling van dat bewijs door de rechter. Aan het bewijs tegen de feiten worden minder zware eisen gesteld dan aan het bewijs tegen het vermoeden. Waar het bewijs in het eerste geval slechts ontzenuwd hoeft te worden, wordt in het tweede geval eerder een zogenaamd tegendeelbewijs verlangd.1