Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.4
26.4 De verjaringsrechtelijke classificatie van verhaalsrechten ex. art. 27 en art. 15 WAM en het aanvangsmoment van de verjaringstermijn
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369017:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 27 lid 1 luidt voor zover hier van belang: 'Het fonds heeft een recht van verhaal tegen alle aansprakelijke personen, alsmede tegen degene die zijn verplichting tot verzekering met betrekking tot het motorrijtuig, waarmede de schade is veroorzaakt of met betrekking tot het motorrijtuig aan boord waarvan de gevaarlijke stof zich bevond waarmede de schade is veroorzaakt, niet is nagekomen (...)'
Artikel 15 lid 1 luidt voor zover hier van belang: 'De verzekeraar die ingevolge deze wet de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering was gedekt, heeft voor het bedrag der schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon (...)'.
Zie nader over Bijlsma/ABP, BR 1 april 2005 en de verjaringsrechtelijke kwalificatie van zelfstandige verhaalsrechten § 21.2.4.
BR 7 november 1997, NJ 1998, 384.
R.o. 3.3.
RvdW 2005, 50. Zie nader over dit arrest en de vraag wiens kennis doorslaggevend is § 21.2.4.
De verjaring van de zelfstandige verhaalsrechten van het Waarborgfonds krachtens art. 27 WAM1 en van de WAM-verzekeraar krachtens art. 15 WAM2 worden beheerst door art. 3:310 BW en niet door art. 10 WAM. Men mag aannemen dat voor het aanvangsmoment van de relatieve verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW in de verhouding tussen enerzijds de aangesprokene en anderzijds het Waarborgfonds of de WAM-verzekeraar, doorslaggevend is het moment waarop de direct benadeelde de voor de aanvang van die termijn vereiste kennis verkrijgt.
De vraag door welke verjaringsregeling de zelfstandige verhaalsrechten krachtens art. 27 WAM en art. 15 WAM worden beheerst, is na Bijlsma/ABP en HR 1 april 2005 niet moeilijk meer: zij vallen beide onder het bereik van art. 3:310 BW.3 Door feitenrechters is zo ten aanzien van beide zelfstandige verhaalsrechten in de volgende uitspraken ook al geoordeeld.
Dat de verjaring van de verhaalsvordering van het Waarborgfonds krachtens art. 27 WAM wordt beheerst door art. 3:310 BW werd geoordeeld in Hof den Bosch 22 maart 1999;4 dat het zelfstandig verhaalsrecht van de WAM-verzekeraar krachtens art. 15 WAM tevens onder het bereik van art. 3:310 BW valt werd geoordeeld in Rechtbank Rotterdam 28 januari 2004:5 "In de WAM is niet voorzien in een verjaringstermijn voor deze verhaalsvordering, zodat de vraag is of de verhaalsvordering van de verzekeraar ex artikel 15 WAM is onderworpen aan de hoofdregel van artikel 3:306, te weten een verjaringstermijn van twintig jaar, of aan de vijfjarige termijn van artikel 3:310 betreffende "rechtsvorderingen tot vergoeding van schade". Aangezien laatstgenoemd begrip een ruime betekenis heeft en alle gevallen omvat waarop de regels van afdeling 6.1.10 BW ("Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding") van toepassing zijn en mede gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 31 mei 2002 (NJ 2004, 161 m.nt. JH) heeft overwogen — te weten dat het verhaalsrecht er niet toe mag leiden dat de laedens in een slechtere positie komt te verkeren dan waarin hij zou hebben verkeerd ingeval hij door de getroffene zelf tot schadevergoeding zou zijn aangesproken — is de rechtbank van oordeel dat de verhaalsvordering moet worden gekwalificeerd als een vordering tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 3:310 BW."
Dat de verjaring van de zelfstandige verhaalsvordering van het Waarborgfonds niet wordt beheerst door art. 10 WAM — dat zou men wellicht bij eerste beschouwing wel kunnen denken —, werd door de Hoge Raad al in 1997 nadrukkelijk bepaald.6 Het Waarborgfonds had uitgekeerd aan de gelaedeerde en wilde verhaal nemen op de laedens. De laedens stelde zich onder andere op het standpunt dat de vordering krachtens art. 10 WAM verjaard was. De Hoge Raad overwoog:7 "Het in artikel 27 lid 1 WAM aan het Waarborgfonds toegekende recht van verhaal, is een eigen recht van het Waarborgfonds, niet een recht dat bij wijze van subrogatie of anderszins op het Waarborgfonds is overgegaan. De verhaalsvordering van het Waarborgfonds ontstaat doordat dit fonds de schade aan de benadeelde vergoedt. Hieruit vloeit voort dat de verjaringstermijnen van de artikel 31 lid 8 (oud) WVW en artikel 10 WAM niet van toepassing zijn."
Na de constatering dat de onderhavige verhaalsrechten onder de werking van art. 3:310 lid 1 BW vallen, rijst de vraag wiens kennis voor het aanvangsmoment van de vijfjarige relatieve verjaringstermijn van het eerste lid van dat artikel doorslaggevend is: de kennis van de direct benadeelde of de kennis van de regresnemer. Het ligt voor de hand bij beantwoording van die vraag aansluiting te zoeken bij HR 1 april 2005.8 In dat arrest werd bepaald dat weliswaar in beginsel de termijn aanvangt op het moment dat de regres-nemer de vereiste kennis heeft, maar dat het niet strookt met het civiele plafond "aan te nemen dat een aansprakelijke persoon zich jegens het ziekenfonds erop kan beroepen dat het niet een rechtsvordering kan instellen die reeds zou zijn verjaard, zo deze niet door het ziekenfonds maar door de getroffene zelf zou zijn ingesteld." Met andere woorden: het moment waarop de direct benadeelde de voor de aanvang van de relatieve termijn vereiste kennis heeft, is doorslaggevend.
In het bij aanvang van deze paragraaf genoemde arrest van het Hof Den Bosch uit 1999 werd geoordeeld dat de relatieve termijn van art. 3:310 lid 1 BW aanvangt op het moment van uitkering door het Waarborgfonds. Mede in het licht van het voorgaande moet men aannemen dat deze beslissing, althans zonder nadere nuancering, niet langer voor juist kan worden gehouden. In zijn voornoemde arrest van 1 april 2005 heeft immers de Hoge Raad geoordeeld, kort gezegd, dat de aangesprokene krachtens het civiele plafond aan de regresnemer hetzelfde verjaringsverweer moet kunnen tegenwerpen als aan de direct benadeelde. Aan die vereiste is niet voldaan als men de termijn jegens de regresnemer laat aanvangen op het moment van uitkering; de termijn vangt dan jegens de regresnemer later aan dan jegens de direct benadeelde, zodat de verjaring later intreedt en dus het verjaringsverweer jegens de regresnemer zwakker is dan jegens de direct benadeelde. Dat gevolg kan men slechts afwenden door, zoals de Hoge Raad deed in zijn arrest van 1 april 2005, te overwegen dat de regresnemer zich jegens de aangesprokene op dat latere aflopen van de verjaringstermijn niet kan beroepen. Die toevoeging ontbreekt in het bedoelde hofarrest.