Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.2.3.2
4.2.3.2 Wederrechtelijkheid als bestanddeel bij klachtdelicten
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946161:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kelk & De Jong 2016, p. 154.
Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink: Het Wetboek van Strafrecht, inleidende opmerkingen, aant. 3.1 (online, bijgewerkt op 1 juni 2020).
Het betreft art. 285b, 310-315, 317-318, 321-323, 326, 326d, 328, 337, 350-352 Sr.
Riphagen 1932, p. 138-156 en Van Veen 1972, p. 466-469.
Kelk & De Jong 2016, p. 58; Knigge & Wolswijk 2015, p. 103; Schaffmeister & Heijder 1983, p. 446.
Zie Bakker 2017, p. 185. Hij verwijst daarbij ter illustratie naar: HR 16 oktober 1990, NJ 1991/153 m.nt. Th.W. van Veen en HR 26 november 2013 NJ 2014/40. Voorts wordt verwezen naar Knigge & Wolswijk 2015, p. 103. Daarbij plaatsen die auteurs de kanttekening dat zij er niet zeker van zijn dat dit standpunt voor alle strafbepalingen geldt waarvan de wederrechtelijkheid als bestanddeel onderdeel uitmaakt.
Het gaat daarbij om diefstal en stroperij (art. 310-315 Sr), afpersing en afdreiging (art. 317-318 Sr) en om een aantal vormen van oplichting (art. 326, 326d en 328 Sr).
Dit moet worden onderscheiden van het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening dat een voorwaarde is voor veel andere vermogensdelicten.
Zie Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 522. In relatie tot verduistering, bedrog en vernieling in de wetstoelichting vermeld: “Men mag in geen geval aan naaste bloedverwanten een vrijbrief geven om elkander te bestelen. Wel zal veelal eene strafvervolging onraadzaam zijn, omdat daardoor den bestolene een grievender leed wordt toegebracht dan door het misdrijf. Maar dit pleit in alle gevallen voor het vereischte eener klagte, in geen enkel voor volstrekte straffeloosheid.” Zie in relatie tot belaging: hoofdstuk 2, paragraaf 4.6.
Kelk & De Jong 2016, p. 154.
In het voorgaande is steeds aandacht besteed aan de wederrechtelijkheid als element van strafbaarstellingen. Er zijn echter ook strafbepalingen waarbij ‘wederrechtelijk’ als bestanddeel onderdeel uitmaakt van de delictsomschrijving. Kelk en De Jong beschrijven dit mooi door erop te wijzen dat
“de wederrechtelijkheid op verschillende niveaus binnen het dogmatische begrip strafbaar feit (en dus ook bij verschillende vragen van art. 350 Sv) een rol kan spelen”.1
De aanleiding voor de toevoeging als bestanddeel is erin gelegen dat sommige delictsomschrijvingen zien op gedrag dat ook geregeld plaatsvindt zonder dat dit wederrechtelijk wordt geacht. De toevoeging van ‘wederrechtelijk’ als bestanddeel voorkomt dan dat onder het onrechtstype van de delictsomschrijving ook (veelvoorkomende) gedragingen worden gebracht die daar niet thuishoren.2 Zo maakt een politieagent die een verdachte (op wettelijke gronden en op de juiste wijze) vasthoudt op het politiebureau zich niet schuldig aan wederrechtelijke vrijheidsberoving als in art. 282 Sr. Ook bij een aantal klachtdelicten maakt de term ‘wederrechtelijk’ onderdeel uit van de delictsomschrijving.3 Dit geeft aanleiding te bezien of het al dan niet bestaan van een klacht relevant is voor het vervullen van dit bestanddeel bij die klachtdelicten.
Eerst dient te worden vastgesteld wat de wederrechtelijkheid als bestanddeel inhoudt. In de literatuur is de nodige aandacht uitgegaan naar de betekenis van dit begrip op bestanddeelniveau. Riphagen en Van Veen betoogden dat de term per strafbepaling een specifieke invulling moet krijgen, waarbij aandacht uitgaat naar de bedoeling die de wetgever heeft met de strafbaarstelling.4 Van Veen introduceerde in dit verband de term “facetwederrechtelijkheid”. Een belangrijk kritiekpunt op deze benadering is de onduidelijkheid die gepaard gaat met de acceptatie van een uiteenlopende uitleg van hetzelfde bestanddeel bij verschillende strafbepalingen. Het is ook wetssystematisch ongemakkelijk, omdat het bestanddeel ‘schuld’ wel uniform wordt uitgelegd. Een andere veel verdedigde invulling van het bestanddeel betreft ‘in strijd met het objectieve recht’.5 Deze uitleg brengt met zich dat alle geschreven en ongeschreven rechtsregels van belang zijn voor het vervullen van het bestanddeel, waardoor het nauw aansluit op de wederrechtelijkheid als element. De Hoge Raad lijkt te opteren voor deze algemene en ruime invulling van de wederrechtelijkheid als bestanddeel.6 Dit betekent overigens niet dat van een delict-specifieke benadering zoals voorgestaan door Riphaven en Van Veen niets meer overblijft. De zinsnede ‘in strijd met het objectieve recht’ behoeft immers steeds nadere (feitelijke) invulling, waardoor uiteindelijk toch belang toekomt aan de inhoud en achtergrond van de strafbepaling en de context waarin de gedraging heeft plaatsgehad. In het vervolg zal het bestanddeel wederrechtelijk bij de verschillende klachtdelicten dan ook worden uitgelegd als ‘in strijd met het objectieve recht’, waarbij dit criterium mede invulling krijgt door het doel en de strekking van de specifieke strafbepalingen en de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgehad.
Er zijn twee groepen klachtdelicten waarin de term wederrechtelijk op bestanddeelniveau op verschillende wijze een rol vervult. De eerste groep betreft vermogensdelicten waarvoor een oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening of bevoordeling is vereist. 7De klacht speelt bij deze delicten geen rol van betekenis bij het al dan niet vervullen van de wederrechtelijkheid op bestanddeelniveau. Het bestanddeel ziet in deze gevallen immers op de bedoeling die de dader had bij het verrichten van de gedraging en die bedoeling van de dader staat los van het oordeel dat het slachtoffer achteraf heeft ten aanzien van die gedraging. Hetgeen het slachtoffer achteraf al dan niet via een klacht kenbaar maakt, raakt niet aan het oogmerk dat de dader had ten tijde van zijn handelen. De tweede categorie klachtdelicten waarin de wederrechtelijkheid op bestanddeelniveau een rol speelt betreft de klachtdelicten waarbij in de delictsomschrijving concreet een wederrechtelijke gedraging is beschreven. Bij deze strafbare feiten is er in beginsel ruimte voor de klacht om een rol van betekenis te spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van strafwaardig – en dus wederrechtelijk – handelen.
Deze tweede categorie bestaat uit een klein aantal klachtdelicten in het huidige Wetboek van Strafrecht. Zo dient bij belaging als in art. 285b Sr sprake te zijn van het wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op andermans levenssfeer. Bij de verschillende vormen van verduistering (in art. 321-323 Sr ) dient sprake te zijn van wederrechtelijke toe-eigening.8 Daarnaast kan de delictsomschrijving van art. 337 Sr betreffende bedrog met merken en handelsnamen onder meer worden vervuld door gebruik te maken van wederrechtelijk vervaardigde merken. Tot slot is bij de meeste klachtdelicten in titel XXVII betreffende vernieling en beschadiging de wederrechtelijkheid op bestanddeelniveau verwerkt. Daarbij verdient opmerking dat belaging het enige absolute klachtdelict in deze groep betreft. De overige delicten zijn slechts klachtdelicten voor zover tussen dader en slachtoffer de in art. 316 lid 2 Sr beschreven familiaire relatie bestaat.
De vraag die voorligt is of het al dan niet bestaan van een klacht van invloed is op het vervullen van het wederrechtelijkheidsbestanddeel bij de hierboven beschreven strafbepalingen. Mijns inziens is dat niet het geval. Alle hierboven beschreven klachtdelicten zijn immers geënt op het oorspronkelijke grondbeginsel voor klachtdelicten zoals dat is omschreven in de memorie van toelichting en dat inhoudt dat voorrang wordt verleend aan persoonlijke belangen van het slachtoffer boven het publieke belang dat bestaat bij vervolging.9 In paragraaf 2.3.1 is uiteengezet dat deze redengeving voor het klachtvereiste met zich brengt dat het al dan niet indienen van een klacht irrelevant is voor de strafwaardigheid van een gedraging die de delictsomschrijving van het klachtdelict vervult. Het ontbreken van een klacht tast het normoverschrijdende karakter van de gedraging niet aan. Het afwezig zijn van een klacht bij een dergelijk klachtdelict leidt dan ook niet tot de vaststelling dat het handelen niet in strijd zou zijn met het recht. Het uitblijven van een klacht heeft bij deze feiten slechts tot gevolg dat ten faveure van de persoonlijke belangen van het slachtoffer de mogelijkheid tot vervolging is uitgesloten. Tegen deze achtergrond bezien bestaat bij de hierboven beschreven klachtdelicten geen aanleiding om het al dan niet bestaan van een klacht een rol toe te bedelen bij de waardering van de wederrechtelijkheid op bestanddeelniveau. Het ontbreken van een klacht is op dit moment dus irrelevant voor het al dan niet vervullen van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ in de Nederlandse rechtspleging.
Dit betekent overigens niet dat de klacht in de toekomst geen rol kan gaan spelen bij het al dan niet vervullen van het bestanddeel wederrechtelijk, indien op andere gronden een klachtvereiste aan (nieuwe) strafbepalingen worden toegevoegd. In het geval dat een klachtvereiste aan een strafbepaling wordt toegevoegd om een scheidslijn te trekken tussen strafwaardig en acceptabel gedrag (zoals in het verleden bijvoorbeeld is gebeurd bij art. 247 Sr ) en de wederrechtelijkheid als bestanddeel onderdeel uitmaakt van dat klachtdelict, dan is het verdedigbaar dat dit bestanddeel niet is vervuld als een klacht ontbreekt. Bij gebreke van een klacht is de gedraging immers niet normoverschrijdend en is dus niet in strijd met het recht gehandeld.
Zoals Kelk en De Jong signaleerden brengt de toevoeging van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ met zich dat de wederrechtelijkheid strafprocessueel relevant wordt bij een andere vraag van art. 350 Sv.10 De wederrechtelijkheid speelt dan niet slechts een rol bij de derde hoofdvraag betreffende de strafbaarheid van de verdachte, maar komt reeds aan de orde bij de eerste hoofdvraag die ziet op de bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Bij feiten met dit bestanddeel leidt het ontbreken van wederrechtelijkheid tot het niet vervuld raken van de delictsomschrijving, waardoor vrijspraak moet volgen. Daarbij verdient opmerking dat dit een theoretisch onderscheid betreft tussen de rol die de klacht kan vervullen in relatie tot de wederrechtelijkheid als element en op bestanddeelniveau, omdat bij gebreke van een klacht opsporing en vervolging achterwege blijven, althans de vervolging van dergelijke klachtdelicten zal stranden bij de door art. 348 Sv voorgeschreven voorvraag die ziet op de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. In de rechtspraktijk komt men dus niet toe aan de vraag of het ontbreken van een klacht ertoe leidt dat het bestanddeel wederrechtelijk niet is vervuld.