Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/II.A.6.1
II.A.6.1 Drie 'partijen', drie willen
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS410503:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
En als dat nog niet helpt, men leze art. 3:56 BW: 'Voor de toepassing van de artikelen 50-55 gelden mede als partij:a. in geval van eenzijdige tot een of meer bepaalde personen gerichte rechtshandelingen: die personen.b. in geval van andere rechtshandelingen: zij die onmiddellijk belanghebbenden zijn bij de instandhouding van die handeling.' (Curs. BS)
Denk aan legaten, de legitieme portie, testamentaire lasten en andere wettelijke rechten. Ten onrechte worden de erfrechtelijke wetenschappers dan ook als een enclave binnen het algemene vermogensrecht gezien of zien zijzich (ten onrechte) zelf zo?
In de woorden van de wetgever: 'de benoeming van een of meer executeurs staat geheel ter discretie van de erflater.', Parl. Gesch.Vast Boek 4, p. 844.
CAROLINE CAUFFMAN, De verbindende eenzijdige belofte (diss. Leuven 2004), Antwerpen/Oxford: Intersentia 2005: 'erflater of de auteur van de rechtshandeling.' Deze door haar gehanteerde term geeft mijns inziens perfect aan dat het vertrekpunt voor het ontstaan van de verbintenis erflater is en niet de erfgenamen. Deze volgen erflater slechts op.Vergelijk art. 6:249 BW
§ 517 en 518 ZGB.
Aan de 'contantenverklaring' in de zin van art. 4:63 lid 3 BW wordt in beginsel niet toegekomen, omdat een verkrijging onder executele in beginsel geen inferieure verkrijging oplevert, art. 4:72 BWen 4:73 BW
Ondanks het feit dat een executeur benoemd wordt bij een eenzijdige rechtshandeling, een uiterste wilsbeschikking (element e, par. A.1), kan ik me niet losmaken van de gedachte dat er elementen aan een executeurbenoeming zitten die doen denken aan een overeenkomst. Een 'overeenkomst', waar drie 'partijen' of drie categorieen personen bij betrokken zijn: erflater, de erfgenamen, en de executeur.
Wie dogmatisch moeite heeft met het begrip 'partij bij eenzijdige rechtshandelingen, leze: 'quasi-partij'.1 In plaats van quasi-overeenkomst zou men ook kunnen spreken van een erfrechtelijke verbintenis.De bron van de verbintenis is niet de overeenkomst, doch het erfrecht. Een bron waar vele verbintenissen uit voort (kunnen) spruiten en die zich ten onrechte in de algemeen vermogensrechtelijke dogmatiek nog wel eens laat buitensluiten dan wel zich zelfbuitensluit.2
Drie 'partijen', betekent feitelijk drie willen. Uiteindelijk zal dit, althans in juridische zin, een wil dienen te worden, de wil van erflater. Hij deelt immers de 'opdracht' uit, althans doet het aanboddaartoe. Een aanboddat echter nog door de opdrachtnemer, te weten de executeur, aanvaard dient te worden, zij het pas, zoals gezien, na overlijden. Wellicht een aanbod tegen de zin van erfgenamen, doch daarmee krijgt een executeur ook bevoegdheden die hij tegen de wil van de erfgenamen kan uitoefenen, zelfs al is hij hun vertegenwoordiger.
De drie willen smelten desondanks uiteindelijk samen tot een wil, aangezien de wil van de executeur (lees: de erflater) uiteindelijk toegerekend wordt aan de erfgenamen. Ontbreekt de goede wil bij de erfgenamen, dan heeft de executeur in beginsel de mogelijkheid om tegen hun wil en indachtig de wil van erflater te opereren.
Terzijde merk ik op dat indien men het heeft over de 'wil' van de erflater, er mijns inziens ook van een wil uitgegaan kan worden als op de vererving het versterferfrecht3 van toepassing is. Ook dan zal een nalatenschap in de ogen van erflater zo soepel mogelijk afgewikkeld dienen te worden. En zelfs al verwijst een erflater in zijn benoeming slechts naar de wet of spreekt hij slechts van executeur zonder nadere invulling aan dit begrip te geven, dan nog is er sprake van een wil. Eenvoudshalve verklaart hij het standaardpakket op de afwikkeling van toepassing. Hij verwijst als het ware naar de 'gemiddelde' wil van de Nederlandse erflaters. Ook al zijn de rechten en verplichtingen van de executeurs nader in de wet uitgewerkt, het vertrekpunt blijft de wil van erflater. Erflater roept in beginsel de bron waaruit de verbintenissen ontstaan (bij zijn overlijden) 'in het leven', de wetgever werkt ze (zo nodig) nader uit. Anders gezegd: erflater is de 'auteur'4 van de rechtshandeling. Zeer sprekend vindik in deze dan ook de Zwitserse benaming5 voor de executeur. NietTes-tamentsvollstrecker, doch 'Willens'vollstrecker.
Het devies voor de erfgenaam luidt: 'graag of niet'. De erfgenaam kan zich in beginsel slechts verzetten tegen de wil van erflater, en daarmee de wil van de executeur, door verwerping6van de nalatenschap.
Resumerend: het invullen van de 'rechten en verplichtingen' van het aanbod tot opdracht gaat uit van erflater. Dit aanbod zal, om (onvoorwaardelijk) te kunnen 'werken', vervolgens na het overlijden van erflater, door de executeur aanvaarddienen te worden.