Intellectuele eigendom in het conflictenrecht
Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/5.3.1.b.iii:5.3.1.b.iii Travaux préparatoires
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/5.3.1.b.iii
5.3.1.b.iii Travaux préparatoires
Documentgegevens:
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS468804:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
646. Berner Conventie. Met name in de travaux préparatoires van de Berner conferenties zijn enkele aanwijzingen te vinden waaruit blijkt dat de verdragsopstellers in termen van formele territorialiteit dachten. Zo werd tijdens de Berner conferentie van 1884 opgemerkt dat het beginsel van nationale behandeling het voordeel heeft dat de rechter geen vreemde wet hoeft toe te passen: "le système du traitement national (...) dispensant le juge de connaltre les lois de tous les pays étrangers." 1 En in haar rapport schreef de Commissie van de Berner conferentie van 1885 over de oude 'pendant l'existence'-bepaling2: "Or, un tel système aurait le grave inconvénient d'exiger soit des tribunaux, soit des éditeurs, une connaissance approfondie de toutes les législations particulières, et serait ainsi contraire à la notion même de l'Union qu'on veut créer." 3
647. Vreemdelingenrechtelijke context. Wij moeten deze beide opmerkingen echter wel in de juiste context zien. Zij hebben beide betrekking op een materiëlereciprociteitstoets, op grond waarvan het materiële resultaat onder de toepasselijke wet van het land van import moet worden bijgesteld naar een eventueel inferieur resultaat onder de lex originis — daarvoor moet deze lex originis worden 'toegepast'. Tegen die toepassing keerde men zich in beide voormelde citaten. Deze opmerkingen staan dus in een vreemdelingenrechtelijke context, maar dat neemt niet weg dat het geuite bezwaar natuurlijk ook uitstraalt naar het conflictenrecht, en dat het niet alleen is beperkt tot de lex originis. Toch is deze vreemdelingen-rechtelijke context niet geheel zonder belang. Zij stelt ons in staat dóór de desbetreffende opmerkingen heen te kijken. Wat is immers het geval? Deze opmerkingen zijn primair ingegeven door de wens om materiële reciprociteit zo ver mogelijk terug te dringen. Materiële reciprociteit werd immers gebruikt en misbruikt om de bescherming van vreemde werken en auteurs in te korten — dáárvoor werd de vreemde wet (de lex originis) `toegepast'; het is die vreemdelingenrechtelijke toepassing van de vreemde wet die wilde men terugdringen. Nu zijn dergelijke argumenten weinig diplomatiek, zij leggen het achterliggende egoïsme pijnlijk bloot. Wellicht heeft men op de diplomatieke conferenties in Bern het daarom, uit tactisch oogpunt, alleen over de boeg van een 'positief' argument (gemak) willen gooien: de rechter hoeft alleen zijn eigen recht toe te passen. Dit valt natuurlijk niet met bewijs te onderbouwen, maar het lijkt wel veel aannemelijker dan de oppervlakkige waarneming dat men was begaan met het lot van de rechter en andere betrokkenen die vreemd recht moeten toepassen. Dit relativeert de conflicten-rechtelijke waarde van deze opmerkingen in de travaux préparatoires enigszins. Maar hoe dan ook, de geciteerde opmerkingen maken wel duidelijk dat de verdragsopstellers in termen van formele territorialiteit dachten — een andere conflictenrechtelijk toepasselijke wet kwam in hun gedachten immers kennelijk niet op —, en dat zij toepassing van alleen het eigen intellectuele-eigendomsrecht wel zo gemakkelijk vonden.
648. Conclusie. Zo komt uit de travaux préparatoires het beeld naar voren dat de keuze van de verdragsopstellers voor formele territorialiteit grotendeels een onbewuste keuze was — voorthobbelend op de traditie —, en dat zij in dit verband meer oog hadden voor praktische overwegingen dan voor principiële.