Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie
Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/3.4.4.1:3.4.4.1 Alternatieve wegen
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/3.4.4.1
3.4.4.1 Alternatieve wegen
Documentgegevens:
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS508624:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 mei 1991, NJ 1993/112 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1992/290 m.nt. F.H. van der Burg (Van Gog/Nederweert).
Anders dan in HR 17 december 1999, NJ 2000/87 m.nt. A.R. Bloembergen onder NJ 2000/88, AB 2000/89 m.nt. P.J.J. van Buuren (Groningen/Raatgever) werd aangenomen met betrekking tot een zuiver schadebesluit.
HR 2 februari 1990, NJ 1993/635 m.nt. M. Scheltema, AB 1990/223 m.nt. G.P. Kleijn (Staat/Bolsius).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de voornoemde arresten kan een aantal lessen worden getrokken. Ten eerste heeft de burger keuzevrijheid. Onjuiste of onvolledige informatieverstrekking kan zowel aan de orde worden gesteld in het kader van een beroep op het vertrouwensbeginsel bij de bestuursrechter als in het kader van een schadevergoedingsvordering ex artikel 6:162 BW. Hiermee staan twee alternatieve rechtsgangen open: het bestuursrechtelijke vernietigingsberoep en de dagvaardingsprocedure bij de burgerlijke rechter dan wel de verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter (zie paragraaf 3.3.1). De Hoge Raad wijst er in het arrest Staat/Bolsius terecht op dat de beide wegen tot een verschillend resultaat leiden. Een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Indien een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt en het bestreden besluit wordt vernietigd, dient het bestuursorgaan veelal opnieuw te besluiten (als de bestuursrechter niet zelf in de zaak voorziet op de voet van artikel 8:72 Awb). Een positieve of toewijzende beslissing in de verlengde besluitvorming leidt er enerzijds toe dat het beoogde resultaat – het realiseren van de materieelrechtelijke aanspraak – langs bestuursrechtelijke weg wordt bereikt. Anderzijds zijn de onrechtmatigheid en de toerekening van het vernietigde besluit gegeven met de vernietiging van het bestreden besluit (paragraaf 3.4.5.1).1 De schade die in causaal verband staat tot het besluit kan langs die weg voor vergoeding in aanmerking komen. De burger die een schadevergoedingsvordering uit onjuiste of onvolledige informatieverstrekking aanhangig maakt zonder eerst (succesvol) beroep te hebben ingesteld tegen een schadeveroorzakend besluit, heeft dit voordeel niet. Enkel voor zover het verstrekken van onjuiste inlichtingen in strijd was met de wet of de maatschappelijke zorgvuldigheid, hetgeen de burgerlijke rechter in beginsel zelfstandig beoordeelt, komt de schade voor vergoeding in aanmerking die in causaal verband staat tot het verstrekken van die inlichtingen.
Nu het verschaffen van inlichtingen feitelijk handelen is, ligt het voor de hand dat de burgerlijke rechter aanvullende rechtsbescherming biedt (zie paragraaf 3.4.2). De bevoegdheidsverdeling die wordt beoogd met de leer van de formele rechtskracht wordt daarmee geen geweld aangedaan, omdat de bestuursrechter en de burgerlijke rechter verschillende (rechts)vragen hebben te beantwoorden. De bestuursrechter stelt zich de vraag of het vertrouwensbeginsel ertoe noopt om alsnog overeenkomstig het opgewekte gerechtvaardigde vertrouwen te beslissen. De burgerlijke rechter stelt zich daarentegen de vraag of het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen onrechtmatig is, en vervolgens of dit schade heeft veroorzaakt die voor vergoeding in aanmerking komt.
De burger die – gebruikmakend van zijn keuzevrijheid – is opgekomen tegen het besluit en in dat kader een beroep heeft gedaan op vertrouwen dat is opgewekt door informatieverstrekking, kan niet in alle gevallen worden tegengeworpen dat hij geen vernietiging heeft bewerkstelligd wanneer hij daarna een vordering uit onrechtmatige daad instelt. Volgens de Hoge Raad belet het falen van een beroep op vertrouwen dat is opgewekt door onjuiste of onvolledige inlichtingen de burgerlijke rechter niet zonder meer te oordelen dat het geven van die inlichtingen onzorgvuldig was en verplicht tot vergoeden van de daardoor veroorzaakte schade.2 De vordering moet dan wel zijn gebaseerd op de onrechtmatigheid van het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, en niet (mede) op de onrechtmatigheid van het besluit. In dit verband kan worden gewezen op de opvatting van Scheltema, die in zijn NJ-noot bij het arrest Staat/Bolsius opmerkt dat deze zaak zich daardoor kenmerkt dat de inlichtingen ook los van de latere beschikking betekenis hadden, en daarom zelfstandig als onrechtmatig handelen konden worden beschouwd.3 Hij wijst daarbij op artikel 6:3 Awb, op grond waarvan een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar is voor bezwaar of beroep. Dergelijke beslissingen moeten aan de bestuursrechter worden voorgelegd in het kader van het beroep tegen het ‘eindbesluit’, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.