Art. 80sexies is gewijzigd bij de Wet van 27 juni 2018 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de verbetering en versterking van de opsporing en vervolging van computercriminaliteit (computercriminaliteit III) (Stb. 2018, 322; inwerkingtredingsbesluit Stb. 2019, 67). De sinds 1 maart 2019 geldende bepaling luidt: “Onder geautomatiseerd werk wordt verstaan een apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch computergegevens verwerken.”
HR, 01-04-2025, nr. 23/01461
ECLI:NL:HR:2025:501
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-04-2025
- Zaaknummer
23/01461
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Politierecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:501, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑04‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:183
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:2968, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2025:183, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:501
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0122
Uitspraak 01‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Computervredebreuk door als politieagent politiesystemen voor privédoeleinden te raadplegen, meermalen gepleegd (art. 138ab.2 Sr). Kon hof oordelen dat verdachte is binnengedrongen in servers van politie? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2013:BY9718 en HR:2011:BN9287 over begrip ‘geautomatiseerd werk’ a.b.i. art. 80sexies (oud) Sr. Blijkens bewijsvoering heeft hof vastgesteld dat verdachte, door in te loggen met een aan hem als politieambtenaar verstrekte account, zich toegang heeft verschaft tot politiesystemen en politiewerkomgeving. In die digitale werkomgeving heeft verdachte vervolgens personen, voertuigen (kentekens) en/of adressen bevraagd, waarna hij verkregen gegevens heeft geëxporteerd en geprint. ‘s Hofs op die vaststellingen gebaseerde oordeel dat verdachte “in één of meer geautomatiseerde werken, namelijk in één of meer servers van politie” is binnengedrongen, getuigt (in licht van wat is vooropgesteld) niet van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over precieze manier waarop concreet aangeduide server door verdachte is binnengedrongen. Naar hof kennelijk in aanmerking heeft genomen brengt inloggen in, en raadplegen van, digitale werkomgeving of digitaal systeem als hier aan de orde, met zich dat toegang wordt verworven tot één of meer servers die deze werkomgeving of dat systeem in stand houden en daarmee (al dan niet in verbinding met andere apparaten) bestemd zijn om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01461
Datum 1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 april 2023, nummer 22-004979-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring voor zover die inhoudt dat de verdachte “in één of meer geautomatiseerde werken, namelijk in één of meer servers van de politie” is binnengedrongen.
2.2.1
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2015 t/m 13 juni 2017 te ’s-Gravenhage, telkens opzettelijk en wederrechtelijk in één of meer geautomatiseerde werken, namelijk in één of meer servers van de politie, is binnen gedrongen met behulp van één of meer valse sleutels, namelijk door onbevoegd gebruik te maken van een gebruikersnaam en wachtwoord en door zich met een gebruikersnaam en wachtwoord toegang te verschaffen tot de server(s) van de politie met een ander doel dan waarvoor hem die gebruikersnaam en dat wachtwoord ter beschikking stonden en/of waarvoor hem die toegang was toegestaan en (vervolgens) gegevens die waren opgeslagen en/of verwerkt en/of overgedragen door middel van die geautomatiseerde werken waarin hij zich wederrechtelijk bevond, voor zichzelf heeft overgenomen, namelijk door (telkens) (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen) uit een of meer politiesystemen te exporteren en/of te printen.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2023 verklaard - zakelijk weergegeven -:
U vraagt mij of het toeval was dat ik mensen heb opgezocht die allemaal om [betrokkene 1] heen stonden. Als ik met hem was en mensen groetten hem, dan kreeg ik een prikkel en dan controleerde ik die mensen.
(...)
Als ik met [betrokkene 1] was en iemand kwam hem groeten en diegene zei iets wat mij triggerde, dan luisterde ik om info over die persoon te verzamelen zoals namen en kentekens. Ik heb ook wel brieven of blaadjes gezien in zijn woning waarop adressen stonden. Met die informatie kon ik dan gegevens over die persoon controleren.
2. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 27 augustus 2019 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Het klopt dat ik de bevragingen in de politiesystemen heb gedaan. Ik heb [betrokkene 1] gecontroleerd omdat hij zei dat hij een strafblad had.
U houdt mij voor dat als ik inlog in het systeem, een waarschuwing in beeld komt dat er alleen bevraagd mag worden als er een relatie is met het werk. Ik zeg u dat het klopt dat er een waarschuwing in beeld komt en die heb ik ook gezien.
U houdt me voor dat ik bij het doen van bevragingen de informatie uitprintte en dan weer weggooide. U vraagt me waarom ik de informatie dan uitprintte. Ik zeg u dat ik dat heb gedaan vanuit een bepaald gevoel, ik printte het uit, las het nog eens na en dan gooide ik het weg.
U zegt mij dat er geen enkele mutatie is opgemaakt en geen informatie is verzameld en gedeeld met collega’s om er eens naar te kijken. Ik zeg u dat dat klopt. Ik deed er helemaal niets mee.
U vraagt mij of er in mijn optiek wel een onderscheid is tussen werkgerelateerde bevragingen en privébevragingen. Ik zeg u dat ik denk dat er wel een onderscheid is.
U houdt me voor dat ik ook mijn eigen vriendin heb bevraagd. Ik zeg dat dat was in het kader van AIVD-informatie die ik moest aandragen. U zegt me dat ik heb verklaard dat ik wilde weten of ik met een foute dame te maken had. U zegt me voorts dat dit niets te maken heeft met AIVD-informatie. Ik antwoord u dat dat juist is.
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 mei 2017 van de Rijksrecherche met nr. 1704041550.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 71 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Uit de verstrekte logging gegevens afkomstig uit BVI-IB van één van de hoofdverdachten uit het onderzoek “Zeeprik” bleek dat er een aantal personen hadden gelogd, waarbij in het systeem geen mutaties te vinden waren, waarin zij de hen bevraagde gegevens hadden verwerkt. Eén van deze personen die op de hoofdverdachte had gezocht betrof de hoofdagent van politie genaamd [verdachte] , werkzaam op het politiebureau [a-straat] te [plaats] , gebruikmakend van het politieaccount [0001] . Binnen het onderzoek “Zeeprik” zijn de historische logging gegevens van [verdachte] verstrekt over de periode 1 januari 2015 tot en met 24 december 2016.
Hieronder wordt beschreven dat [verdachte] middels zijn politieaccount [0001] in de politiesystemen van de periode van 1 januari 2015 tot en met heden met enige regelmaat [betrokkene 1] , maar ook aan [betrokkene 1] gelieerde personen, voertuigen en/of adressen bevraagt. De kenosleutel behorende bij [betrokkene 1] betreft [code 1] .
Op 30 mei 2016 is het de eerste maal dat [verdachte] de kenosleutel behorende bij [betrokkene 1] bevraagt. [verdachte] selecteert de kenosleutel van [betrokkene 1] in korte tijd 2 maal.
Op 31 mei 2016 bevraagt [verdachte] de kenosleutel van [betrokkene 1] voor de tweede maal en selecteert hij enkele registraties. Uit de logging gegevens blijkt dat [verdachte] genoemde kenosleutel bevraagt op 27 augustus 2016.
Op 27 augustus 2016 selecteert [verdachte] de kenosleutel van [betrokkene 1] in het systeem van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), Bluespot en Verwijzingsindex Personen (Huidig SKDB). Blijkens de verstrekte gegevens omtrent de diensttijden van [verdachte] tijdens de bevraging op 27 augustus 2016 blijkt [verdachte] geen dienst te hebben.
Uit onderzoek is gebleken dat [betrokkene 1] gebruik maakt van een personenauto, merk BMW, voorzien van het kenteken [kenteken] . Uit verstrekte logging gegevens is gebleken dat [verdachte] het voertuig in gebruik bij [betrokkene 1] meerdere malen bevraagt in de politiesystemen.
Uit de logging gegevens blijkt dat [verdachte] het kenteken [kenteken] op 15 oktober 2015 voor de eerste maal bevraagt. Op deze datum bevraagt [verdachte] het kenteken tweemaal kort achter elkaar.
Uit de logging gegevens blijkt dat [verdachte] het kenteken [kenteken] op 19 oktober 2015 voor de tweede maal bevraagt. Op 19 oktober 2015 bevraagt [verdachte] de kenosleutel [code 2] . Deze kenosleutel hoort toe aan [betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971. Uit onderzoek blijkt genoemde [betrokkene 2] voor te komen op de historische verkeersgegevens van een telefoonnummer in gebruik bij [betrokkene 1] .
Vervolgens bevraagt [verdachte] wederom het kenteken [kenteken] in gebruik bij [betrokkene 1] en selecteert wederom de registratie die hij op 15 oktober 2015 heeft bekeken.
Uit de logging gegevens blijkt dat [verdachte] het kenteken [kenteken] op 2 februari 2016 voor de derde maal bevraagt.
Uit de logging gegevens blijkt dat [verdachte] het kenteken [kenteken] op 9 februari 2016 voor de vierde maal bevraagt.
Uit de logging gegevens blijkt dat [verdachte] het kenteken [kenteken] op 8 maart 2017 voor de vijfde maal bevraagt.
4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2017 van de Rijksrecherche met nr. 1704121417.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 76 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
De onderstaande bevragingen, op 19 januari 2016 gedaan vanaf de aan [verdachte] toegekende politiewerkomgeving, kunnen gerelateerd worden aan [betrokkene 3] .
De onderstaande bevragingen, op 25 januari 2016 gedaan vanaf de aan [verdachte] toegekende politiewerkomgeving, kunnen gerelateerd worden aan [betrokkene 3] .
De onderstaande bevragingen, op 18 mei 2016 gedaan vanaf de aan [verdachte] toegekende politiewerkomgeving, kunnen gerelateerd worden aan [betrokkene 3] .
De onderstaande bevragingen, op 24 juli 2016 gedaan vanaf de aan [verdachte] toegekende politiewerkomgeving, kunnen gerelateerd worden aan [betrokkene 3] .
De onderstaande bevragingen, op 26 november 2016 gedaan vanaf de aan [verdachte] toegekende politiewerkomgeving, kunnen gerelateerd worden aan [betrokkene 3] .
De onderstaande bevragingen, op 29 maart 2017 gedaan vanaf de aan [verdachte] toegekende politiewerkomgeving, kunnen gerelateerd worden aan [betrokkene 3] .
[betrokkene 3] is blijkens een politiecontrole op 15 maart 2017 bestuurder van een voertuig (...) waarvan de tenaamgestelde [A] BV is. Eén van de bestuurders van deze BV is [betrokkene 4] , een contactpersoon van [betrokkene 1] op wie [verdachte] ook bevragingen doet.
5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 juni 2017 van de Rijksrecherche met nr. 1706140933. [...] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 237 e.v.):
als de op 14 juni 2017 afgelegde verklaring van de verdachte:
V: Wij zien dat met de aan u toegekende accounts meerdere keren in de politiesystemen gezocht wordt naar de KENO code [code 3] (op 6 april 2016 en 12 december 2016). Wat kunt u hierover verklaren?
A: Dat is mijn broertje [betrokkene 6] . Ook puur voor mijzelf heb ik gekeken.
V: Wij zien dat met de aan u toegekende accounts meerdere keren in de politiesystemen gezocht wordt naar de KENO code [code 4] en [betrokkene 5] , 1990-5-8 (op 8 november 2015 en 6 april 2016). Wie is dit en waarom bevraagt u haar?
A: Dat is mijn vriendin en ik moest de postcode weten van haar huisadres. Voor de sollicitatie voor het DBB moest ik de postcode weten. Die eerste keer dat ik haar had opgezocht, had ik haar net ontmoet en ik wilde weten of ik niet met één of andere foute dame in zee ging. Dat was puur ter bescherming van mijzelf. Ook dat heb ik niet gedeeld met haar.
6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juli 2017 van de Rijksrecherche met nr. 1707031317.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 140 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
In de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017 werd met de aan [verdachte] toegekende politiewerkomgeving het volgende aantal bevragingen en exports gedaan:
Bevragingen Exports
Binnen diensttijd 739 (57, 4%) 46 (32,6%)
Buiten diensttijd 548 (42,6%) 95 (67,4%)
Totaal 1287 (100%) 141 (100%)
Van 11 juli 2016 tot en met 26 februari 2017 volgde [verdachte] een opleiding bij de DBB. In deze periode werd met de aan hem toegekende politiewerkomgeving het volgende aantal bevragingen en exports gedaan:
Bevragingen Exports
Binnen diensttijd 36 (14,18) 1 (1,8%)
Buiten diensttijd 219 (85,9%) 55 (98,2%)
Totaal 255 (100%) 56 (100%)
Op 27 februari 2017 werd [verdachte] met bijzonder verlof gestuurd. In de periode van 27 februari 2017 tot en met 31 mei 2017 werd met de aan hem toegekende politiewerkomgeving het volgende aantal bevragingen en exports gedaan:
Bevragingen Exports
Binnen diensttijd 0 (0%) 0 (0%)
Buiten diensttijd 66 (100%) 14 (100%)
Totaal 66 (100%) 14 (100%)
7. Een proces-verbaal van relaas d.d. 16 augustus 2017 van de Rijksrecherche met nr. 1703300951.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 8):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Met exporteren van vertrouwelijke informatie uit de politiesystemen wordt bedoeld dat de bevraagde informatie:
- Geprint is
- Als PDF bestand is geëxporteerd is, en vervolgens;
- Opgeslagen is in de netwerkomgeving van de gebruiker, of;
- Op een externe datadrager (USB), of;
- Verzonden is naar een (intern/extern) e-mail adres.
(...)
10. Een proces-verbaal van relaas d.d. 16 augustus 2017 van de Rijksrecherche met nr. 1703300951.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 5):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
De medewerkers van de Nationale Politie worden, voordat zij politiesystemen kunnen raadplegen, diverse malen gewezen op het vertrouwelijke karakter daarvan en dat misbruik zal worden vervolgd dan wel wordt gestraft. Tijdens het raadplegen wordt regelmatig de volgende tekst weergegeven:
“Het bevragen van een persoon zonder gegronde reden e/o noodzaak voor uw taak is niet toegestaan. Ongeautoriseerde toegang tot dit informatiesysteem is strafbaar als een misdrijf. Uw handelingen op dit systeem worden vastgelegd! Indien u bent geautoriseerd verklaart u, door het gebruikmaken van die toegang, expliciet de geldende wet- en regelgeving en de korpsvoorschriften zowel naar de letter als naar de intentie na te leven. U bent zich bewust van de consequenties, mogelijk zelfs strafrechtelijk, indien de informatie en bedrijfsmiddelen op andere wijze gebruikt worden dan omschreven. Informatie mag alleen opgevraagd en gebruikt worden in directe relatie tot uw werkzaamheden voor het korps.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“De verdachte wordt verweten dat hij computervredebreuk heeft gepleegd door onbevoegd de politiesystemen waartoe hij vanwege zijn functie toegang had, te bevragen.
(...)
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft tijdens de tenlastegelegde periode de politiesystemen veelvuldig, zowel binnen als buiten diensttijd, bevraagd. Hij maakte daarbij gebruik van zijn politieaccount, door daarop in te loggen met zijn gebruikersnaam en wachtwoord. Dit account had hij vanwege zijn functie als politieman.
Hij heeft bevragingen gedaan op onder meer personen, adressen en voertuigen gelieerd aan [betrokkene 1] , maar ook op zijn eigen broer en vriendin. Deze bevragingen zijn geregistreerd en geëxporteerd (geprint, opgeslagen of verzonden).
De verdachte heeft verklaard dat hij dit deed, omdat hij mogelijk zakelijke activiteiten met [betrokkene 1] wilde gaan ontplooien. Hij had contact met [betrokkene 1] , had afspraken met hem en ontmoette daarbij ook personen die [betrokkene 1] kende. Over die personen, hun adres of de auto’s waar die personen in reden, bevroeg hij dan de systemen die via zijn politieaccount beschikbaar waren.
Het hof is van oordeel dat de genoemde bevragingen door de verdachte zijn gedaan ten behoeve van privédoeleinden die geen enkele relatie hadden met zijn werk als politieman. Daarbij betrekt het hof dat door de verdachte geen mutaties zijn gemaakt van de genoemde bevragingen, zoals dat wel gebruikelijk is binnen het politiewerk. Dat de verdachte zich kennelijk elke dag en op elk moment van de dag politieman voelde doet daar niet aan af. Integendeel, juist van een politieambtenaar wordt en mag worden verwacht dat hij of zij niet alleen bij de uitvoering van het politiewerk handelt in overeenstemming met de wettelijke regelgeving, maar zich daarvan ook bewust is buiten diensttijd.
Door het raadplegen van informatie die de verdachte uitsluitend ter beschikking staat voor de uitvoering van de politietaak is het hof van oordeel dat de verdachte de grenzen van de aan hem verleende autorisatie om de politiesystemen te gebruiken, te buiten is gegaan. De verdachte wist immers dat hij de bevragingen niet deed in het kader van enig politieonderzoek. Bovendien komt bij het starten van of inloggen op het door de verdachte geraadpleegde politiesysteem de melding in beeld dat het systeem alleen mag worden geraadpleegd met gegronde reden en/of noodzaak.
Door de bevragingen desondanks toch te doen is de verdachte een geautomatiseerd werk wederrechtelijk binnengedrongen met gebruikmaking van zijn systeemautorisatie, in casu daardoor aan te merken als een valse sleutel.
Door de verdediging is ook bepleit dat er geen sprake is van een ‘server’ zoals tenlastegelegd. Naar het oordeel van het hof kan een server deel uitmaken van een apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch computergegevens verwerken. Aldus maakt de server deel uit van een geautomatiseerd werk.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 80sexies (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zoals dat luidde tijdens het bewezenverklaarde feit:
“Onder geautomatiseerd werk wordt verstaan een inrichting die bestemd is om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen.”
- artikel 138ab leden 1 en 2 Sr zoals dat gold vanaf 1 oktober 2010 – en dat voor zover hier van belang niet verschilt van de nu geldende bepaling – luidde tijdens het bewezenverklaarde feit:
“1. Met gevangenisstraf (...) wordt, als schuldig aan computervredebreuk, gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan. Van binnendringen is in ieder geval sprake indien de toegang tot het werk wordt verworven:
a. door het doorbreken van een beveiliging,
b. door een technische ingreep,
c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, of
d. door het aannemen van een valse hoedanigheid.
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk, indien de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, aftapt of opneemt.”
2.4
De tenlastelegging onder 2 is toegesneden op artikel 138ab in samenhang met artikel 80sexies (oud) Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip ‘geautomatiseerd werk’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepalingen.
2.5
Een inrichting kan alleen als een ‘geautomatiseerd werk’ in de zin van artikel 80sexies (oud) Sr worden aangemerkt als zij geschikt is om drie functies te vervullen, te weten opslag, verwerking en overdracht van gegevens. Het begrip ‘geautomatiseerd werk’ in de zin van artikel 80sexies (oud) Sr is echter niet beperkt tot apparaten die zelfstandig aan deze drievoudige eis voldoen. Ook netwerken die bestaan uit computers die door middel van via het internet verspreide software met elkaar zijn verbonden en/of telecommunicatievoorzieningen vallen onder dat begrip, evenals delen van zulke geautomatiseerde werken. (Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9718 en, over het in artikel 161sexies (oud) Sr voorkomende begrip ‘geautomatiseerd werk’, HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9287.)
2.6
Blijkens de bewijsvoering heeft het hof vastgesteld dat de verdachte, door in te loggen met het aan hem als politieambtenaar verstrekte account, zich de toegang heeft verschaft tot de politiesystemen en de politiewerkomgeving. In die digitale werkomgeving heeft de verdachte vervolgens personen, voertuigen (kentekens) en/of adressen bevraagd, waarna hij de verkregen gegevens heeft geëxporteerd en geprint. Het op die vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte “in één of meer geautomatiseerde werken, namelijk in één of meer servers van de politie” is binnengedrongen getuigt – in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld – niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Anders dan in de toelichting op het cassatiemiddel is betoogd, doet daaraan niet af dat het hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over de precieze manier waarop een concreet aangeduide server door de verdachte is binnengedrongen. Naar het hof kennelijk in aanmerking heeft genomen brengt het inloggen in, en raadplegen van, een digitale werkomgeving of digitaal systeem als hier aan de orde, met zich dat toegang wordt verworven tot één of meer servers die deze werkomgeving of dat systeem in stand houden en daarmee – al dan niet in verbinding met andere apparaten – bestemd zijn om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen.
2.7
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.
Conclusie 11‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Computervredebreuk (art. 138ab Sr). Middel klaagt dat het hof ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat verdachte (opzettelijk en wederrechtelijk) in “één of meer servers van de politie” is binnengedrongen en faalt, omdat uit bewijsvoering blijkt dat verdachte zonder werkgerelateerd doel is ingelogd in politiesystemen en via een softwareapplicatie bevragingen heeft gedaan. Hierin ligt besloten dat verdachte telkens (in ieder geval) een server van de politie waarop deze applicatie is geplaatst, is binnengedrongen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01461
Zitting 11 februari 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Bij arrest van 4 april 2023 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte wegens “computervredebreuk, meermalen gepleegd” veroordeeld zonder oplegging van een straf of maatregel.
1.2
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte (opzettelijk en wederrechtelijk) in “één of meer servers van de politie” is binnengedrongen.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2015 t/m 13 juni 2017 te ’s-Gravenhage, telkens opzettelijk en wederrechtelijk in één of meer geautomatiseerde werken, namelijk in één of meer servers van de politie, is binnen gedrongen met behulp van één of meer valse sleutels, namelijk door onbevoegd gebruik te maken van een gebruikersnaam en wachtwoord en door zich met een gebruikersnaam en wachtwoord toegang te verschaffen tot de server(s) van de politie met een ander doel dan waarvoor hem die gebruikersnaam en dat wachtwoord ter beschikking stonden en/of waarvoor hem die toegang was toegestaan en (vervolgens) gegevens die waren opgeslagen en/of verwerkt en/of overgedragen door middel van die geautomatiseerde werken waarin hij zich wederrechtelijk bevond, voor zichzelf heeft overgenomen namelijk door (telkens) (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen) uit een of meer politiesystemen te exporteren en/of te printen.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen naar dossierpagina’s):
“2 .
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 27 augustus 2019 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Het klopt dat ik de bevragingen in de politiesystemen heb gedaan. Ik heb [betrokkene 1] gecontroleerd omdat hij zei dat hij een strafblad had.
U houdt mij voor dat als ik inlog in het systeem, een waarschuwing in beeld komt dat er alleen bevraagd mag worden als er een relatie is met het werk. Ik zeg u dat het klopt dat er een waarschuwing in beeld komt en die heb ik ook gezien.
U houdt me voor dat ik bij het doen van bevragingen de informatie uitprintte en dan weer weggooide. U vraagt me waarom ik de informatie dan uitprintte. Ik zeg u dat ik dat heb gedaan vanuit een bepaald gevoel, ik printte het uit, las het nog eens na en dan gooide ik het weg.
U zegt mij dat er geen enkele mutatie is opgemaakt en geen informatie is verzameld en gedeeld met collega's om er eens naar te kijken. Ik zeg u dat dat klopt. Ik deed er helemaal niets mee.
U vraagt mij of er in mijn optiek wel een onderscheid is tussen werkgerelateerde bevragingen en privébevragingen. Ik zeg u dat ik denk dat er wel een onderscheid is.
U houdt me voor dat ik ook mijn eigen vriendin heb bevraagd. Ik zeg dat dat was in het kader van AIVD informatie die ik moest aandragen. U zegt me dat ik heb verklaard dat ik wilde weten of ik met een foute dame te maken had. U zegt me voorts dat dit niets te maken heeft met AIVD-informatie. Ik antwoord u dat dat juist is.
3.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 mei 2017 van de Rijksrecherche met. nr. 1704041550.AMB. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - […]:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Uit de verstrekte logging gegevens afkomstig uit BVI-IB van één van de hoofdverdachten uit het onderzoek "Zeeprik" bleek dat er een aantal personen hadden gelogd, waarbij in het systeem geen mutaties te vinden waren, waarin zij de hen bevraagde gegevens hadden verwerkt. Een van deze personen die op de hoofdverdachte had gezocht betrof de hoofdagent van politie genaamd [verdachte] , werkzaam op het politiebureau [a-straat] te [plaats] , gebruikmakend van het politieaccount [0001] . Binnen het onderzoek "Zeeprik" zijn de historische logging gegevens van [verdachte] verstrekt over de periode 1 januari 2015 tot en met 24 december 2016.
Hieronder wordt beschreven dat [verdachte] middels zijn politieaccount [0001] in de politiesystemen van de periode van 1 januari 2015 tot en met heden met enige regelmaat [betrokkene 1] , maar ook aan [betrokkene 1] gelieerde personen, voertuigen en/of adressen bevraagt. De kenosleutel behorende bij [betrokkene 1] betreft [code 1] .
Op 30 mei 2016 is het de eerste maal dat [verdachte] de kenosleutel behorende bij [betrokkene 1] bevraagt. [verdachte] selecteert de kenosleutel van [betrokkene 1] in korte tijd 2 maal. Op 31 mei 2016 bevraagt [verdachte] de kenosleutel van [betrokkene 1] voor de tweede maal en selecteert hij enkele registraties.
Uit de logging gegevens blijkt dat [verdachte] genoemde kenosleutel bevraagt op 27 augustus 2016.
Op 27 augustus 2016 selecteert [verdachte] de kenosleutel van [betrokkene 1] in het systeem van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), Bluespot en Verwijzingsindex Personen (Huidig SKDB). Blijkens de verstrekte gegevens omtrent, de diensttijden van [verdachte] tijdens de bevraging op 27 augustus 2016 blijkt [verdachte] geen dienst te hebben.
Uit onderzoek is gebleken dat [betrokkene 1] gebruik maakt van een personenauto, merk BMW, voorzien van het kenteken [kenteken 1] . Uit verstrekte logging gegevens is gebleken dat [verdachte] het voertuig in gebruik bij [betrokkene 1] meerdere malen bevraagd in de politiesystemen. Uit de logging gegevens blijkt dat [verdachte] het kenteken [kenteken 1] op 15 oktober 2015 voor de eerste maal bevraagt. Op deze datum bevraagd [verdachte] het kenteken tweemaal kort achter elkaar.
Uit de logging gegevens blijkt dat [verdachte] het kenteken [kenteken 1] op 19 oktober 2015 voor de tweede maal bevraagt.
Op 19 oktober 2015 bevraagt [verdachte] de kenosleutel [code 2] . Deze kenosleutel hoort toe aan [betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971. Uit onderzoek blijkt genoemde [betrokkene 2] voor te komen op de historische verkeersgegevens van een telefoonnummer in gebruik bij [betrokkene 1] .
Vervolgens bevraagd [verdachte] wederom het kenteken [kenteken 1] in gebruik bij [betrokkene 1] en selecteert wederom de registratie die hij op 15 oktober 2015 heeft bekeken.
Uit de logging gegevens blijkt dat [verdachte] het kenteken [kenteken 1] op 2 februari 2016 voor de derde maal bevraagt.
Uit de logging gegevens blijkt dat [verdachte] het kenteken [kenteken 1] op 9 februari 2016 voor de vierde maal bevraagt.
Uit de logging gegevens blijkt dat [verdachte] het kenteken [kenteken 1] op 8 maart 2017 voor de vijfde maal bevraagt.
[…]
8.
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 juli 2017 van de politie Rijksrecherche met nr. 1707051456.HUIJA60. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 5 juli 2017 afgelegde verklaring van [getuige 1] :
O: Wij hebben geconstateerd dat [verdachte] voor zijn bevragingen eigenlijk uitsluitend gebruik maakte van zijn [...] account, zijn [...] account. Tevens hebben wij gekeken naar zijn ingeplande diensten. We zien dan dat [verdachte] 36% van zijn bevragingen binnen diensttijd doet en de rest, dus 64%, buiten diensttijd.
V: In hoeverre is het gebruikelijk dat je buiten je ingeplande diensttijd nog zoveel aan het bevragen bent.
A: Dat is niet gebruikelijk.
De geschriften zijn in samenhang met de overige bewijsmiddelen gebruikt.
[…]
10.
.
Een proces-verbaal van relaas d.d. 16 augustus 2017 van de Rijksrecherche met nr. 1703300951.AMB. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
De medewerkers van de Nationale Politie worden, voordat zij politiesystemen kunnen raadplegen, diverse malen gewezen op het vertrouwelijke karakter daarvan en dat misbruik zal worden vervolgd danwel wordt gestraft. Tijdens het raadplegen wordt regelmatig de volgende tekst weergegeven:
“Het bevragen van een persoon zonder gegronde reden e/o noodzaak voor uw taak is niet toegestaan. Ongeautoriseerde toegang tot dit informatiesysteem is strafbaar als een misdrijf. Uw handelingen op dit systeem worden vastgelegd! Indien u bent geautoriseerd verklaart u, door het gebruikmaken van die toegang, expliciet de geldende wet- en regelgeving en de korpsvoorschriften zowel naar de letter als naar de intentie na te leven. U bent zich bewust van de consequenties, mogelijk zelfs strafrechtelijk, indien de informatie en bedrijfsmiddelen op andere wijze gebruikt worden dan omschreven. Informatie mag alleen opgevraagd en gebruikt worden in directe relatie tot uw werkzaamheden voor het korps. (…).”
2.4
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“De verdachte wordt verweten dat hij computervredebreuk heeft gepleegd door onbevoegd de politiesystemen waartoe hij vanwege zijn functie toegang had, te bevragen.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte zich 24 uur per dag, zeven dagen in de week, politieman voelde. Hij heeft de bevragingen in het systeem - die hij niet ontkent te hebben gedaan - dan ook gedaan in het kader van de uitvoering van zijn politietaak.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft tijdens de tenlastegelegde periode de politiesystemen veelvuldig, zowel binnen als buiten diensttijd, bevraagd. Hij maakte daarbij gebruik van zijn politieaccount, door daarop in te loggen met zijn gebruikersnaam en wachtwoord. Dit account had hij vanwege zijn functie als politieman.
Hij heeft bevragingen gedaan op onder meer personen, adressen en voertuigen gelieerd aan [betrokkene 1] , maar ook op zijn eigen broer en vriendin. Deze bevragingen zijn geregistreerd en geëxporteerd (geprint, opgeslagen of verzonden).
De verdachte heeft verklaard dat hij dit deed, omdat hij mogelijk zakelijke activiteiten met [betrokkene 1] wilde gaan ontplooien. Hij had contact met [betrokkene 1] , had afspraken met hem en ontmoette daarbij ook personen die [betrokkene 1] kende. Over die personen, hun adres of de auto’s waar die personen in reden, bevroeg hij dan de systemen die via zijn politieaccount beschikbaar waren.
Het hof is van oordeel dat de genoemde bevragingen door de verdachte zijn gedaan ten behoeve van privédoeleinden die geen enkele relatie hadden met zijn werk als politieman. Daarbij betrekt het hof dat door de verdachte geen mutaties zijn gemaakt van de genoemde bevragingen, zoals dat wel gebruikelijk is binnen het politiewerk. Dat de verdachte zich kennelijk elke dag en op elk moment van de dag politieman voelde doet daar niet aan af. Integendeel, juist van een politieambtenaar wordt en mag worden verwacht dat hij of zij niet alleen bij de uitvoering van het politiewerk handelt in overeenstemming met de wettelijke regelgeving, maar zich daarvan ook bewust is buiten diensttijd.
Door het raadplegen van informatie die de verdachte uitsluitend ter beschikking staat voor de uitvoering van de politietaak is het hof van oordeel dat de verdachte de grenzen van de aan hem verleende autorisatie om de politiesystemen te gebruiken, te buiten is gegaan.
De verdachte wist immers dat hij de bevragingen niet deed in het kader van enig politieonderzoek. Bovendien komt bij het starten van of inloggen op het door de verdachte geraadpleegde politiesysteem de melding in beeld dat het systeem alleen mag worden geraadpleegd met gegronde reden en/of noodzaak. Door de bevragingen desondanks toch te doen is de verdachte een geautomatiseerd werk wederrechtelijk binnengedrongen met gebruikmaking van zijn systeemautorisatie, in casu daardoor aan te merken als een valse sleutel.
Door de verdediging is ook bepleit dat er geen sprake is van een ‘server’ zoals tenlastegelegd. Naar het oordeel van het hof kan een server deel uitmaken van een apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch computergegevens verwerken. Aldus maakt de server deel uit van een geautomatiseerd werk.
Het hof verwerpt de verweren en komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.”
Bespreking van het middel
2.5
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk, meermalen gepleegd. Gelet op art. 138ab lid 1 Sr is daarvoor vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte telkens opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan. Het delictsbestanddeel ‘geautomatiseerd werk’ werd in art. 80sexies (oud) Sr, zoals dat luidde tijdens de tenlastegelegde periode, omschreven als “een inrichting die bestemd is om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen”.1.Van ‘binnendringen’ is op grond van art. 138ab lid 1 Sr in ieder geval sprake indien de toegang tot het werk wordt verworven:
a. door het doorbreken van een beveiliging,
b. door een technische ingreep,
c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, of
d. door het aannemen van een valse hoedanigheid.
2.6
De Hoge Raad heeft uit de wetsgeschiedenis afgeleid dat het bij een geautomatiseerd werk moet gaan om een inrichting die “geschikt is om drie functies te vervullen, te weten opslag, verwerking en overdracht van gegevens”.2.Het begrip ‘geautomatiseerd werk’ in de zin van art. 80sexies (oud) Sr is echter niet beperkt tot apparaten die zelfstandig aan deze drievoudige eis voldoen. “Ook netwerken die bestaan uit computers die door middel van via het internet verspreide software met elkaar zijn verbonden en/of telecommunicatievoorzieningen vallen onder dat begrip, evenals delen van zulke geautomatiseerde werken”.3.Zo kan bijvoorbeeld het binnendringen van een router worden aangemerkt als het binnendringen van (een deel van) een geautomatiseerd werk, bestaande uit deze router, een computer en de internetverbinding die met het gebruik van deze twee apparaten tot stand kan worden gebracht, zelfs als geen toegang is verkregen tot de gegevens op de computer.4.
2.7
In de voorliggende zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte tijdens de tenlastegelegde periode de politiesystemen veelvuldig, zowel binnen als buiten diensttijd, heeft bevraagd en daarbij gebruik maakte van zijn politieaccount door daarop in te loggen met zijn gebruikersnaam en wachtwoord, terwijl de bevragingen zijn gedaan ten behoeve van privédoeleinden die geen enkele relatie hadden met zijn werk als politieman. Het hof komt tot het oordeel dat de verdachte daarbij steeds een deel van een geautomatiseerd werk, de server van de politie, wederrechtelijk is binnengedrongen met gebruikmaking van zijn systeemautorisatie, die daardoor is aan te merken als een valse sleutel.
2.8
Een soortgelijke zaak kwam eerder bij de Hoge Raad terecht. In de zogenoemde zaak ‘politiemol’5.had het hof vastgesteld dat de verdachte buiten zijn taak als politieambtenaar zijn autorisatie voor toegang tot het beveiligde politiesysteem Blue View had misbruikt door via dit systeem gegevens op te vragen over personen zonder dat daarvoor in de uitoefening van zijn politietaak enige aanleiding bestond. Het oordeel van het hof dat de verdachte, gezien dit misbruik van de autorisatie, met behulp van een ‘valse sleutel’ als bedoeld in art. 138ab lid 1 onder c Sr een (deel van een) geautomatiseerd werk wederrechtelijk is binnengedrongen, achtte de Hoge Raad mede in het licht van de wetsgeschiedenis niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte “in een of meer (delen van) servers van de politie” was binnengedrongen, zoals het hof had bewezenverklaard, werd – anders dan in de nu voorliggende zaak – in cassatie niet betwist.
2.9
In de onderhavige zaak is ten laste gelegd en bewezenverklaard dat de verdachte een geautomatiseerd werk, namelijk “één of meer servers van de politie”, is binnengedrongen met behulp van “één of meer valse sleutels”. Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte zonder werkgerelateerd doel is ingelogd op het politiesysteem BVI-IB (dit betreft, zo blijkt uit openbare bronnen, de “Basisvoorziening Informatie-Integrale Bevraging, een software-applicatie die politiemedewerkers in staat stelt om met één bevraging informatie uit verschillende (inter-)nationale en regionale bronregisters te genereren”6.) en bevragingen heeft gedaan met gebruik van zogenaamde kenosleutels (zie bewijsmiddel 3). Een Kenosleutel bestaat, zo begrijp ik, “uit de vier beginletters van de achternaam van de persoon, eerste voorletter van de eerste voornaam, gevolgd door geboortejaar, geboortemaand en geboortedag”.7.De verdachte heeft zijn bevragingen vervolgens geëxporteerd, hetgeen volgens het hof inhoudt dat hij deze heeft geprint, opgeslagen of verzonden.
2.10
De stellers van het middel voeren aan dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat onder een geautomatiseerd werk steeds een (onderdeel van) een fysiek apparaat is begrepen, maar dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer blijkt dat de verdachte is binnengedrongen “in een of meer servers van de politie”. Dat politiesystemen zijn geraadpleegd door middel van een softwareapplicatie, betekent immers nog niet dat in servers is binnengedrongen.
2.11
Wat mij betreft, faalt het middel. Dat de verdachte een of meer servers van de politie is binnengedrongen, ligt immers in de bewijsvoering besloten. Uit de bewijsmiddelen volgt dat een bevraging via het politiesysteem waarop is ingelogd slechts is toegestaan als er een relatie is met het werk, terwijl de verdachte met gebruik van zijn politieaccount en de softwareapplicatie BVI-IB bevragingen heeft gedaan zonder dat deze relatie bestond. Het gebruik van deze softwareapplicatie via het politiesysteem brengt dan mee dat de verdachte telkens (in ieder geval) een server van de politie waarop deze (voor de politie ontwikkelde) applicatie is geplaatst, is binnengedrongen.
3. Slotsom
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2025
HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9718, NJ 2013/468 m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.5..
HR 19 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:455, NJ 2024/167 m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.5. Met verwijzing naar HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9718, NJ 2013/468 m.nt. J.M. Reijntjes. Zie ook HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1973, NJ 2021/152 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 3.5.2.
Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9718, NJ 2013/468 m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.6.
HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1691, NJ 2022/54 m.nt. J.M. ten Voorde.
Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken van 31 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1107, onder 4.2, punt ii.