Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/4.3.1
4.3.1 Historie
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434196:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 111999/00, 26 855, nr. 1-2.
Aanknoping bij de gewone verblijfplaats van de verzoeker vond de wetgever niet bezwaarlijk. Zie Kamerstukken 111999/00, 26 855, nr. 3, p. 31 (MvT): 'Na de rechtsmachttoets komt nog de toetsing aan het beginsel «point d'intérêt, point d'action». Bovendien kan een verzoek met betrekking tot minderjarigen volgens Nederlands recht onder meer worden afgewezen omdat het gevraagde niet in het belang van het kind is. Indien een in Nederland wonende verzoeker bijvoorbeeld van de Nederlandse rechter een beslissing vraagt met betrekking tot een kind dat zich in Japan bevindt, zal de discussie daarover moeten plaatsvinden in het materieelrechtelijke vlak. Het materiële recht hoeft niet per se Nederlands recht te zijn. Men kan het ook zo formuleren: de rechtsmacht is de kapstok waaraan een positieve of negatieve beslissing kan worden opgehangen. Vooral in familierechtelijke zaken heeft de rechter vaak een meer discretionaire bevoegdheid.'
Kamerstukken II 2000/01, 27 824, nr. 3, p. 22 (MvT); Staatscommissie IPR, Advies Brussel '[- verordening/ art. 1.1.4. ontwerp Rv, 14 mei 2001, p. 9 en p. 11.
P. Vlas & F. Ibili, WPNR (2003) 6527, p. 317-318; G. Schmidt, IVIPR 2003, p. 130-131.
P. Vlas & F. Ibili, WPNR (2003) 6527, p. 317-318; Strikwerda (2005), nr. 224.
Kamerstukken /72000/01, 27 824, nr. 3, p. 22 (MvT), vermeldt hierover het volgende: 'De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht als het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. In uitzonderlijke gevallen moet de rechter evenwel de mogelijkheid hebben om bevoegdheid af te wijzen, indien hij zich, in verband met de internationale aspecten van de zaak, niet voldoende in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. Als voorbeeld kan genoemd worden het geval waarin ondertoezichtstelling wordt gevraagd van een kind dat na de indiening van het verzoek naar het buitenland is vertrokken. Hoewel in de praktijk (nog) geen gevallen bekend zijn waarin de rechter van het treffen van een voorziening heeft afgezien terwijl het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, verdient het toch de voorkeur daartoe een exceptie op te nemen. Het belang van het kind moet onder alle omstandigheden het zwaarst kunnen wegen. Vergelijk artikel 8 HKV 1996.'
In deze zin G. Schmidt, IVIPR 2003, p. 130 en 132.
In het oorspronkelijke wetsvoorstel tot herziening van het burgerlijke procesrecht was niet voorzien in een aparte rechtsmachtbepaling voor zelfstandige procedures inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, zodat deze procedures zouden vallen onder de algemene regeling in art. 3 Rv (art. 1.1.3 ontwerp).1 Rechtsmacht zou dus gebaseerd kunnen worden op bijvoorbeeld de woonplaats of gewone verblijfplaats van een der ouders (verzoeker) of van een andere belanghebbende in Nederland.2 Bij nader inzien leek het de wetgever, met de Staatscommissie 1PR, toch dat art. 3 Rv (art. 1.1.3 ontwerp) niet op adequate wijze zou voorzien in rechtsmacht voor deze zelfstandige procedures; de gewone verblijfplaats van het kind zou een geschiktere aanknopingsfactor zijn.3 Daarom is er uiteindelijk voor gekozen om een aparte bevoegdheidsregel in het leven te roepen voor zelfstandige zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid. Dat is gebeurd in art. 5 Rv. Bij het opstellen van art. 5 Rv is aansluiting gezocht bij de Haagse Kinderbeschermingsverdragen van 1961 (art. 1) en 1996 (art. 5), in welke verdragen primair wordt aangeknoopt bij de gewone verblijfplaats van het kind. Geïnspireerd door deze verdragen formuleerde de wetgever art. 5 Rv als volgt:
`De Nederlandse rechter heeft, onverminderd artikel 1, in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen rechtsmacht indien het kind in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft, tenzij hij zich, in een uitzonderlijk geval, wegens onvoldoende verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, niet in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen.'
In de literatuur is dit artikel terecht bekritiseerd, omdat het in het licht van art. 1 HKbV 1961 geen rechtsmachtscheppende functie had.4Art. 5 Rv knoopte voor de rechtsmacht evenals art. 1 HKbV 1961 aan bij de gewone verblijfplaats van het kind. In materieel opzicht was art. 5 Rv, voorzover ik kan zien, niet ruimer dan het HKbV 1961. Art. 5 Rv zag op 'zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen' terwijl het verdrag ziet op 'maatregelen (...) die strekken tot bescherming van zijn persoon of goed.' Zodra de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland was gelegen, had de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van art. 1 HKbV 1961 — of na 1 maart 2005 op grond van art. 8 lid 1 Vo-BIIbis — en kwam hij aan art. 5 Rv niet toe. Aan art. 5 Rv werd niet zo zeer een rechtsmacht-scheppende, maar een rechtsmachtbeperkende functie toegeschreven. Art. 5 Rv zou in commune gevallen het signaal afgeven dat de Nederlandse rechter forum non conveniens is wanneer het kind zijn gewone verblijfplaats in het buitenland heeft.5
Nu de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in voorkomende gevallen reeds gebaseerd kon worden op art. 1 HKbV 1961 (of, na 1 maart 2005, op art. 8 lid 1 VoBILIbis), speelde de eerste bevoegdheidscheppende zinsnede van art. 5 Rv geen rol van betekenis. Bijgevolg kwam men ook niet toe aan de toepassing van de forum non conveniens-restrictie in de tweede zinsnede van art. 5 Rv.6 Art. 5 Rv schiep geen rechtsmacht, zodat deze ook niet via forum non conveniens beperkt of gecorrigeerd kon worden. Het is mijns inziens niet juist om te menen dat de forum non conveniens-restrictie in de tweede zinsnede van art. 5 Rv gebruikt kon worden in gevallen die bestreken werden door de Verordening Brussel II of HKbV 1961,7 omdat deze regelingen nu eenmaal zelf geen mogelijkheid tot een forum non conveniens kennen.