Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/10.2
10.2 De definiëring van het groepskenmerk ‘godsdienst of levensovertuiging’ door de wetgever
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452790:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 19 juli 1934, Stb. 405.
Handelingen I 1933/34, 85, p. 655.
Wet van 18 februari 1971, Stb. 1971, 96.
Handelingen II 1969/70, 93, p. 4349.
Handelingen I 1970/71, 20, p. 556.
Kamerstukken II 1967/68, 9724, nr. 3, p. 5. Later wijzigt de regering deze formulering, wegens zorgen over mogelijk foutieve interpretaties. Sommige Kamerleden dachten bij ‘grondslag van levensovertuiging’ abusievelijk aan het godsbegrip, het geloof of de Bijbel, terwijl de terminologie juist betrekking had op niet-godsdienstige groepen. Uiteindelijk koos de wetgever voor de huidige terminologie ‘wegens hun godsdienst of levensovertuiging’.
Kamerstukken I 1970/71, 9724, 22a (Eindverslag, Memorie van Antwoord), p. 4.
Handelingen I 1970/71, 20, p. 556.
Declaration on the Elimination of All Forms of Intolerance and of Discrimination Based on Religion or Belief, 25 November 1981, A/RES/36/55.
Zie ook Sackers, TBS&H 2017/2, p. 70; Sackers 2011, p. 309-328.
Artikel 137c stamt uit 1934. Strafbaar was gesteld:
‘Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk in beleedigenden vorm uitlaat over eene groep van de bevolking of over eene ten deele tot de bevolking behoorende groep van personen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden‘ (artikel 137c oud Sr).1
In deze bepaling was ‘godsdienst of levensovertuiging’ geen bestanddeel. De wetgever had een christelijk en ethisch motief met deze bepaling. Indiener van het voorstel minister van Justitie Van Schaik stelde:
‘Het zonder aanleiding naar beneden halen van bepaalde groepen van de bevolking is in strijd met de Christelijke naastenliefde. Het is ethisch te eenenmale verwerpelijk; het gaat in tegen de oudste vaderlandsche tradities; het brengt het saamhoorigheidsgevoel tusschen de deelen van de natie in gevaar.’2
Daarnaast lag aan de bepaling een openbare orde-motief ten grondslag. Van Schaik:
‘De uitlatingen vormen trouwens een rechtstreeksche bedreiging van de openbare orde. Het stelselmatig krenken en kwetsen van een deel van de bevolking moet op den duur tot ordeverstoring en relletjes leiden en heeft ook reeds plaatselijk tot verstoring van de orde gevoerd.3
Artikel 137c beschermde primair de joodse bevolking. Het antisemitisme vormde in die tijd een groeiend probleem. De minister besefte echter dat ook niet-joodse bevolkingsgroepen onderwerp konden worden van belediging, haat en discriminatie:
‘Ik geef toe, dat de bedoeling oorspronkelijk is geweest, speciaal een bepaalde groep van de bevolking te beschermen, nl. de Joden. Om dit te bereiken, kon ik niet een uitzonderingsbepaling maken; om ons land te vrijwaren voor bedenkelijk antisemitisme, zooals het zich elders heeft geopenbaard, kon ik geen Jodenbepaling opnemen. Dat wilde ik ook niet doen, omdat wie een beetje kan vooruitzien, beseft, dat in de toekomst heel andere, groepen van de bevolking voorwerp kunnen zijn van verguizing en openbare beleediging. Ik heb in de stukken verschillende categorieën genoemd. Het zijn: de predikanten, de geestelijken, de vluchtelingen, enz. Elke groep kan in de toekomst op een gegeven oogenblik het voorwerp uitmaken van een gruwelijke Hetze en campagne. Het Wetboek van Strafrecht zal nu bij voorbaat het wapen bieden om tegen dergelijke groepsbeleediging op te kunnen treden.’4
We kunnen uit dit citaat van de minister in de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer opmaken dat de wetgever niet bepaalde groepen in de maatschappij van bescherming heeft willen uitsluiten. Dit blijkt ook uit de Memorie van Toelichting waarin Van Schaik stelt dat de strafbepaling ‘(…) betrekking [heeft] op alle groepen van de bevolking zonder onderscheid (…)’.5
In 1971 wijzigde de wetgever na implementatie van het Verdrag van New York van 7 maart 1966 (inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie) echter de redactie van deze bepaling:
‘Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van [tienduizend gulden].’6
In plaats van enkel de algemene strafbaarstelling van het beledigend uitlaten over een groep, formuleerde de regering de concrete kenmerken ‘ras’, ‘godsdienst’ en de ‘levensovertuiging’ (de overige groepskenmerken zoals die staan opgenomen in het huidige artikel 137c Sr zijn er nog weer later bij gekomen). De beperking van de bescherming van dit artikel tot drie kenmerken beoogde enerzijds verdragsverplichtingen na te komen en anderzijds het voorkomen van misbruik van het oude artikel. Zo stelt minister van Justitie Polak ten aanzien van dit laatste punt:
‘Ik ben dus van mening dat onder de bescherming van die artikelen thans te veel groepen zijn gebracht. Deze artikelen zijn dan ook wel eens gebruikt in de politieke strijd, als iemand een politieke groep beledigde. Als men iets kwaads zou zeggen van bij voorbeeld de communisten zou men daardoor een hele groep kunnen beledigen. Vandaar dat wij het hebben beperkt tot drie groepen: die, gekenmerkt door ras, geloof of levensovertuiging.’ 7
Het motief om het kenmerk ras op te nemen was de goedkeuring van het bovengenoemde Verdrag. Het motief om de kenmerken ‘godsdienst’ en ‘levensovertuiging’ op te nemen was een ophanden zijnde VN-verdrag. Polak stelt:
‘De staat zal volgens dat verdrag ook maatregelen moeten nemen tegen beledigingen wegens het geloof. Al op 31 oktober 1968 is trouwens in de Raad van Europa door het Comité van Ministers een resolutie aangenomen, waarbij de Staten wordt aanbevolen te zorgen voor effectieve maatregelen niet alleen tegen rassendiscriminatie, maar ook tegen de daarmee verbonden onverdraagzaamheid en de discriminatie gebaseerd op geloof of overtuiging.’8
De wetswijziging van artikel 137c gaf uitvoering aan bovenstaande motieven.
Voor wat betreft de discriminatiegrond ‘levensovertuiging’ blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de regering bij de indiening van het wetsvoorstel ervan uitging dat levensbeschouwelijke groepen een gelijke aanspraak moeten kunnen maken op bescherming als groepen die gekenmerkt worden door een gemeenschappelijke godsdienst. Aanhangers van een levensovertuiging zouden in dezelfde mate moeten worden beschermd als gelovigen.9 Zo zou volgens de regering ‘opzettelijke belediging van atheïsten als groep onder de werking van de strafwet behoren te vallen’. Verder stelde de regering dat:
‘Teneinde te doen uitkomen, dat de bescherming zich slechts uitstrekt tot groepen mensen die fundamentele opvattingen gemeen hebben, en niet tot iedere groep die een ideëel doel nastreeft, de woorden “of de grondslag van hun levensbeschouwing” zijn gekozen.’10
Op grond van de wetsgeschiedenis kunnen we stellen dat voor wat betreft de groepskenmerken ‘godsdienst en levensovertuiging’ de wetgever niet alleen gedacht heeft aan de op dat moment grote in Nederland gevestigde religieuze tradities zoals het christen- en jodendom, maar aan alle godsdiensten en levensovertuigingen. Ten eerste omdat we gezien de eenheid van de wet ervan uit kunnen gaan dat de wetgever voor het begrip godsdienst impliciet aansluiting heeft gezocht bij de betekenis van de wettelijke term godsdienst zoals die naar voren komt in de Grondwet en het EVRM. Zoals eerder gesteld is deze betekenis niet welomschreven en lijken de Grondwetgever en de opstellers van het EVRM een subjectiverende uitleg van de term godsdienst voor te staan. Nergens in de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever van 1971 hiervan heeft willen afwijken.
Ten tweede omdat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever (van 1971) de woorden ‘godsdienst’ en ‘levensovertuiging’ niet beperkt tot één specifieke godsdienst of levensovertuiging maar juist oog heeft voor pluriformiteit. Zo stelt minister Polak:
‘Zij [de regering, JV] heeft daarbij mede overwogen, dat het van belang is in de tegenwoordige, wereldbeschouwelijk en godsdienstig zo gedifferentieerde Nederlandse samenleving de norm van verdraagzaamheid. ook op het gebied van godsdienst en levensovertuiging, nadrukkelijk te blijven stellen.’11
Ook stelt hij:
‘Ik meen, dat ook in ons strafrecht de norm van tolerantie, die ook ten aanzien van het geloof en de levensovertuiging zo’n typisch Nederlands kenmerk is, op bescheiden wijze tot uitdrukking moet komen.’12
Ten derde ligt het gezien de grote reikwijdte van het oude artikel 137c Sr niet voor de hand dat de wetgever van 1971 met het groepskenmerk ‘godsdienst en levensovertuiging’ minder godsdienstige en levensbeschouwelijke groepen zou hebben willen beschermen dan voorheen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dit in ieder geval niet. Ten slotte onderschrijven ook de verwijzingen van de wetgever naar de concept VN-verklaring inzake de uitbanning van elke vorm van godsdienstige onverdraagzaamheid en discriminatie de conclusie dat de wetgever bij de termen ‘godsdienst’ en ‘levensovertuiging’ aan alle godsdiensten en levensovertuigingen heeft gedacht. Deze verklaring roept staten op elke vorm van discriminatie vanwege godsdienst of levensovertuiging uit te bannen. Het begrip godsdienst wordt in de verklaring niet gedefinieerd maar omdat zij rept van ‘religion or belief of his choice’, kunnen we ervan uitgaan dat dit begrip meerdere godsdiensten en levensovertuigingen omvat.13
Gesteld kan worden dat de wetgever met de discriminatiedelicten een ruim begrip van de termen ‘godsdienst en levensovertuiging’ op het oog had.14 Dit is niet vreemd aangezien deze strafbepalingen zuiver dienen om groepen te beschermen tegen belediging, discriminatie en haat. Anders gezegd: op grond van deze bepalingen wordt enkel voorzien in de minimale behoefte van groepen om beschermd te worden. Om die reden zal de wetgever weinig problemen hebben met het accommoderen van de bescherming van een grote diversiteit van godsdiensten en levensovertuigingen. De wetgever geeft echter geen criteria voor de vraag wanneer een groep godsdienstig is. De wetgever heeft beoogd, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, alle aanhangers van godsdiensten en levensovertuigingen te beschermen. De wetgever laat principieel ruimte voor verschillende godsdiensten. We kunnen daarom concluderen dat de wetgever de discriminatiegrond ‘godsdienst en levensovertuiging’ subjectief heeft gedefinieerd. De wetgever houdt in zijn definitie van het begrip godsdienst (door het begrip niet af te bakenen of te fixeren) rekening met de zelfdefinitie van religieuze groepen. Vanuit het motief van christelijke naastenliefde wilde hij zonder uitzondering alle groepen in de samenleving beschermen tegen discriminatie. Een dergelijke benadering past in een accommodationistisch ideaaltype waarin groepen mensen met verschillende kenmerken (waaronder religie) met elkaar samenleven.