Waarde en erfrecht
Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/9.1:9.1. Inleiding
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/9.1
9.1. Inleiding
Documentgegevens:
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS621655:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk zal ik het in de vorige hoofdstukken verrichte onderzoek voor zover het de waarde en de tegenprestatie (prijs) van een onderneming in het erfrecht betreft, afsluiten. Het onderhavige hoofdstuk bevat een compilatie van hetgeen in het voorafgaande met betrekking tot deze begrippen is waargenomen, geconcludeerd en/of opgemerkt alsmede een weerslag van mijn bevindingen in hoofdstuk 8 met betrekking tot de rechtseenheid in de begripsvorming. Een en ander zal, anders dan in het voorafgaande uitsluitend toegespitst worden op de onderneming, waaronder ik tevens de deelneming in een voor het erfrecht vereenzelvigde N.V./B.V. zal begrijpen.1 Dit hoofdstuk heeft een min of meer concluderend karakter, waarbij ik voortborduur op mijn standpunten en/of onderbouwingen daarvan in de vorige hoofdstukken. Ik zal bij de desbetreffende onderdelen aangeven waar deze ‘bouwstenen’ in de proeve te vinden zijn. De benadering in dit hoofdstuk is ten opzichte van het voorafgaande integraler van aard hetgeen tot uitdrukking kan komen in de ordening van mijn bevindingen, waarin elementen uit verschillende hoofdstukken en paragrafen thans bij elkaar zijn gebracht.
De enige conclusie die – zoals reeds eerder aangegeven – getrokken kan worden is, dat dé waarde en dé tegenprestatie (prijs) van een onderneming in het erfrecht niet bestaan.2 De afsluiting van het hiervoor bedoelde onderzoek zal dan ook niet resulteren in een definitie, een omschrijving en/of eenduidige invulling van deze begrippen, maar in een nadere concretisering daarvan, mede aan de hand van toepasbare waarderingsmaatstaven en/of relevante waarderingsfactoren.
Het onderzoek heeft mijns inziens uitgewezen dat het begrip waarde naar haar plaats in het erfrecht van een invulling dient te worden voorzien; de inhoud daarvan wordt primair bepaald door het erfrechtelijke sub-rechtsgebied ten behoeve waarvan zij moet worden bepaald. De in de Aanwijzingen voor de regelgeving aan de wetgever verstrekte instructie om dezelfde term, in casu waarde, niet voor verschillende begrippen te gebruiken is dan ook niet met succes tot uitvoering gebracht.3 Dat lijkt voor deze ‘open’ term, evenals bijvoorbeeld voor redelijkheid en billijkheid, echter een onmogelijke opgave.
Met de resultaten en conclusies van het onderhavige onderzoek, kan de ‘grip’ op de inhoud van bedoelde begrippen naar mijn mening worden vergroot. Tussen de mede op basis van deze resultaten en conclusies gevormde ‘theorie’ en de ‘praktijk’, waarin men tot een waarde van een onderneming dient te komen, ontbreken naar mijn mening nog ten minste twee stappen.
Ten eerste de ‘objectvraag’. In het voorafgaande is steeds – in abstracte zin – gesproken over de onderneming, het beroep, het bedrijf en over de aandelen in een N.V./B.V. De vraag waarván de waarde moet worden bepaald, wát het object van een erfrechtelijke waardering is of kan zijn, is niet aan de orde geweest. Ik zal daarop hierna in hoofdstuk 10 ingaan.
Ten tweede de waardering. Tot dusver is over waarde en waardering slechts in abstracte termen gesproken. Rechtsverhoudingen in het algemeen, en zeker in het huidige erfrecht, worden veelal in geld uitgedrukt. De ontbrekende schakel tussen het ‘juridische waarde-oordeel’ en de in geld gemeten concretisering van een bepaalde rechtsverhouding wordt geleverd door de waarderingsdeskundige, oftewel de actuaris, register valuator, de makelaar etcetera. De civilist is niet de aangewezen deskundige om de – in geld gemeten – waarde te bepalen. Hij dient mijns inziens echter, voor zover mogelijk, de contouren aan te geven waarbinnen de waardering dient plaats te vinden. Daarin kan voor de huidige rechtspraktijk een uitdaging gevonden worden. Niet zelden worden bedoelde waarderingsdeskundigen immers door civilisten aan hun ‘lot’ overgelaten, hetgeen dan ook kan resulteren in bijvoorbeeld een fiscale of een bedrijfseconomische waarde zonder daarin de voor de waardebepaling wezenlijke civielrechtelijke rechtsverhoudingen te betrekken of van invloed te laten zijn. De civilist dient mijns inziens mede aan de hand van deze rechtsverhoudingen voor zoveel mogelijk richtlijnen te formuleren aan de hand waarvan waarderingsdeskundigen een in geld gemeten waarde kunnen schatten. Dat kan soms door het aangeven van een enkele waarderingsmaatstaf, zoals bijvoorbeeld de (successierechtelijke) waarde in het economische verkeer, maar soms ook door een beschrijving van de mogelijk relevante waarderingsfactoren.
De opbouw van dit hoofdstuk ziet er ten slotte in grote lijnen als volgt uit. In de volgende twee paragrafen zal ik – kort – terugblikken op hetgeen de vorige hoofdstukken voor het onderzoek naar bedoelde begrippen in het erfrecht heeft gebracht. In de daaropvolgende paragrafen zal ik mijn betoog toespitsen op de waarde van de onderneming, onderscheiden naar de economische waarde en de verdelingswaarde van een onderneming. Ik leid dit hoofdstuk uit met enkele bespiegelingen over het verband tussen de waarde van een onderneming en de bedrijfsopvolging.