Open normen in het huurrecht
Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/5.2.1:5.2.1 Rol van de wetgever
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/5.2.1
5.2.1 Rol van de wetgever
Documentgegevens:
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS501086:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1997-2001, 26089, vastgesteld bij wet van 21 november 2002, Stb. 2002, 587.
Kamerstukken II 1997/98, 26089, 3, p. 23 (toelichting bij artikel 7:213 BW).
De Waal, in: GS Huurrecht, artikel 7:213 BW, aantekening 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 2.3.1 en 2.3.2.1 is deregulering als doel van het codificeren van open normen besproken. De wetgever laat gedetailleerde regels achterwege en poogt de omvang van de wetgeving te beperken door middel van een norm die per geval ingevuld kan worden. ‘Goed huurderschap’ is een dergelijke norm en al sinds 1838 (toen het Burgerlijk Wetboek in Nederland werd ingevoerd) terug te vinden in de wet:
“1596. De huurder is tot twee hoofdverpligtingen gehouden:
1°. Om het gehuurde als een goed huisvader te gebruiken […]
1597. Indien de huurder het gehuurde tot een ander gebruik bezigt dan waartoe het bestemd is, of tot een zoodanig gebruik waardoor aan den verhuurder eenig nadeel kan veroorzaakt worden, kan deze, naar gelang de omstandigheden, de huur doen vernietigen.”
In 1971 luidde de beëindigingsgrond ten aanzien van de verhuur van bedrijfsruimte als volgt:
“1628. De rechter verklaart de opzegging gedaan door de verhuurder nietig, tenzij:
[…]
b. De huurder zich niet heeft gedragen zoals een goed huurder betaamt.
[…]”
In 1972 kwam de beëindigingsgrond ten aanzien van woonruimte hetzelfde te luiden:
“1623e. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af:
[…]
2°. Indien de huurder zich niet heeft gedragen zoals een goed huurder betaamt;
[…]”
Bij het invoeren van het nieuwe Burgerlijk Wetboek is het goed huurderschap per 1 augustus 2003 als artikel 7:213 opgenomen in het Burgerlijk Wetboek1. Het artikel had directe werking en uit de wetsgeschiedenis blijkt dat er geen wijziging is beoogd ten aanzien van de inhoud en werking van het ‘oude’ artikel. Ter toelichting van de betekenis van het goed huurderschap geeft de wetsgeschiedenis aan2:
“1. Omtrent het gebruiken van de zaak – en dus ook omtrent de zorg daarvoor – wordt de algemene verplichting vooropgesteld zich ‘als een goed huurder’ te gedragen. Deze wending sluit aan bij terminologie van de art. 6:27 (‘een zorgvuldig schuldenaar’), 7:401 (‘de zorg van een goed opdrachtnemer’), 7:602 (‘de zorg van een goed bewaarder’), 7:611 (‘als een goed werknemer en goed werkgever’) en 25 Pachtwet (‘als een goed pachter’).
2. Deze wending drukt enigszins verkort uit dat de huurder zich heeft te gedragen zoals een behoorlijke mens zich als huurder gedraagt. Tevens houdt deze wending er rekening mee dat wat hier van de huurder wordt geëist, afhangt van de omstandigheden. Zo zal een woning een andere zorg eisen dan een fabriekshal of een gehuurde fiets. Zoals een schuldeiser niet gehouden is van zijn rechten gebruik te maken, is ook de huurder dit niet. Maar een verplichting daartoe kan uit het onderhavige artikel voortvloeien, in het bijzonder wanneer de waarde van de zaak bij niet gebruik achteruit gaat. Men denke aan huur van een winkel die aldus goodwill verliest of aan huur van een paard dat dient te worden bereden, wil het in goede conditie blijven.”
De tekst die ziet op de opzeggingsgrond (het in strijd handelen met goed huurderschap) is gelijk gebleven.
Omdat geen wijziging is beoogd ten opzichte van het onder het oude recht geldende artikel 7A:1596 lid 1 (oud) BW, kan voor de invulling van de betekenis en reikwijdte van het artikel ook gekeken worden naar de jurisprudentie van voor 2003. Kanttekening daarbij is wel dat (zoals eerder naar voren gebracht onder verwijzing naar De Waal3), ook al is in 2003 geen wijziging beoogd ten aanzien van de betekenis van goed huurderschap, dit niet wil zeggen dat het goed huurderschap thans op precies dezelfde wijze wordt ingevuld als bijvoorbeeld vijftig jaar geleden. De invulling van wat een goed huurder is, wordt mede gekenmerkt door de tijdsgeest. Zo bekeken heeft de wetgever het doel ‘deregulering’ behaald. Er heeft immers geen specifieke wettelijke invulling en geen wijziging van de open norm door de jaren heen plaats hoeven vinden. De rechter heeft de vrijheid de norm (onder meer indachtig de tijdsgeest) in te vullen.
Ter herinnering: goed huurderschap wordt onder meer gezien als het naleven van wettelijke en contractuele regels. In dat geval gaat het om de gedragsnorm ‘goed huurderschap’. Van de open norm ‘goed huurderschap’ is sprake als een bepaald gedrag van de huurder geëist kan worden zonder dat er een concrete wettelijke of contractuele verplichting is.