Recht, plicht, remedie
Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/3.5:3.5 Conclusie
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/3.5
3.5 Conclusie
Documentgegevens:
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657527:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In een normcentrisch en relationeel remedierecht is het bevel de centrale remedie. Om praktische redenen zal het doorgaans niet de meest gevorderde remedie zijn – vaak heeft men pas door dat een onrechtmatige daad gepleegd wordt nadat schade is geleden – maar in theoretisch opzicht is het de primaire remedie. Het strookt met die gedachte dat naar Nederlands recht ook een aanspraak op veroordeling bestaat; dat past bij de idee dat ernaar gestreefd wordt de eiser zoveel mogelijk te geven waar hij recht op heeft, namelijk naleving van de relationele norm.
Dat recht kent evenwel duidelijke grenzen. De eiser zal weliswaar altijd moeten krijgen waar hij recht op heeft, de gedaagde moet ook niet tot meer worden verplicht dan waartoe hij op basis van het materiële recht verplicht was. Het feit dat hij zijn plichten in de toekomst dreigt te schenden verplicht hem niet ineens tot meer. Het procesrecht biedt voldoende dwangmiddelen om naleving te verzekeren; een verdere inperking van de vrijheid door de gedaagde tot veel meer te verplichten dan het materiële recht doet past daar niet bij. Vandaar dat een belangrijke aanvullende regel is dat het bevel steeds in overeenstemming moet worden gebracht met de materiële plicht die op gedaagde rust.
Zorgvuldige toepassing van die overeenstemmingseis zorgt ervoor dat het toegewezen bevel of verbod is afgestemd op de rechtsplichten die uit het materiële recht volgen. Het negeren daarvan leidt ertoe dat van het uiteindelijke bevel of verbod soms niet gezegd kan worden dat het de gedaagde tot handelingen verplicht waartoe hij op grond van het materiële recht gehouden was. Dat is allereerst problematisch omdat daarmee de normatieve rechtvaardiging aan de remedie ontvalt, terwijl dat toch het doel van de juridische redenering moet zijn. Ten tweede kan het de rechtszekerheid beknellen omdat partijen in het partijdebat minder goed kunnen inschatten op grond waarvan de omvang bepaald wordt. Het vervangen van de door het recht gedreven analyse van het materiële recht door een discretionaire belangenafweging maakt het lastig voor partijen om tijdens het partijdebat hun pijlen te richten op de omvang van de remedie. En dat is behalve onnodig verwarrend ook in strijd met de structuur van het remedierecht. De remedie volgt de rechten en plichten van partijen – niet andersom.