Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/14.1
14.1 Inleiding
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366527:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Law Commission (2001), p. 6.
Peters, Zimmerman (1981), geciteerd in Begr. RegE, p. 101. Zie in vergelijkbare zin Spiro (1986), p. 618.
Art. 1:403 BW.
Art. 3:15 lid 5 BW en 3:51 leden 1 en 2 BW
Art. 6:140 leden 1 en 4 BW.
Art. 6:191 BW.
Art. 6:268 BW.
Art. 611g Rv.
Art. 7:23, 7:28 en 7:44 jo. 7:39 BW.
Art. 7:412 BW.
Art. 7:444, 7:439 en 7:440.
In titel 20 van boek 8 een uitvoerige eigen regeling.
Een reeks bepalingen in boek 7, waaronder art. 7:621 lid 3 en 7:631 lid 8.
Art. 7:942 lid 1 BW.
Art. 10 WAM.
Art. 611g Rv.
Vgl. Staudinger-Peters (2004), § 195 Rnr 43 'Das Vertragsrecht darf den deliktischen Rechtsschutz nicht verkürzen (...)'; BGHZ 116, 297, 300.
Zo stond in HR 15 juni 2007, NJ 2007, 621 ter beoordeling of in geval van aanvaring de bijzondere tweejarige vervoersrechtelijke verjaringstermijn van toepassing is (art. 8:1793) of de algemene vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW; in HR 6 februari 1998, NJ 1998, 351 of op een vordering uit niet-genoten ATV-dagen de bijzondere korte arbeidsrechtelijke termijnen van toepassing zijn en in HR 12 november 1999, NJ 2000, 67 of op een overeenkomst van geldlening het algemene art. 3:313 BW (dat bevat een algemene bepaling over het aanvangsmoment van verjaring) van toepassing is of het bijzondere art. 3:307 BW (dat bevat een bijzonder aanvangsmoment voor de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst). Er is ook rechtspraak uit feitelijke instanties. Zo stond in Hof Amsterdam, 28 december 1995, KG 1996, 330 ter beoordeling of de verbintenis uit een in een notariële akte neergelegde geldlening valt onder de art. 3:307 en 3:308 BW met hun vijfjaarstermijn of onder art. 3:324 BW met zijn twintigjaarstermijn en in Hof Amsterdam 28 juni 2001, NJ 2001, 673 of de vordering uit overbedeling na boedelverdeling valt onder art. 3:306 BW met zijn twintigjaarstermijn of onder art. 3:307 BW met zijn vijfjaarstermijn.
Van Eck, Arbeidsrecht 2003.
Andriessen, Arbeidsrecht 2005.
NJ 2000, 16 (kindermishandeling).
Zie bijvoorbeeld HR 24 november 2006, NJ2006, 643, waarin het ging om de vraag of de bijzondere objectieve termijn voor milieuschade van art. 3:310 lid 2BW van toepassing was (dertig jaar), of de algemene objectieve termijn van 3:310 lid 1BW (twintig jaar). De Hoge Raad beslist terecht, in afwijking van wat feitelijk rechtspraak (zie de Conclusie A-G), dat in dat geval de bijzondere termijn niet geldt. Terecht, om de reden die de Hoge Raad zelf noemt: de bijzondere termijn is met name in het leven geroepen om de veroorzakers van vervuiling te kunnen aanpakken. Degene die niet zelf hebben verontreinigd maar het verontreinigde slechts in het verkeer brengen, behoren niet tot die doelgroep.
Tjittes, WPNR 2002, p. 63.
De vorige paragraaf had een enge blik op de structuur van het verjaringsrecht. Gekeken werd uitsluitend naar de vraag of het verstandig was een twintigjarige termijn als hoofdregel te kiezen, die de facto de hoofdregel niet is. De vragen die daarover rezen, lagen na wat eerder in dit boek was geschreven over de fundamenten van de verjaring voor de hand, en de twijfel werd versterkt door de rechtsvergelijking.
Ik wil in deze paragraaf een punt aan de orde stellen dat ook gaat over de structuur van het verjaringsrecht, maar dat niet beperkt is tot de `kenwerjaringsregels'. Dat onderwerp komt op, niet zozeer vanuit eigen inhoudelijke twijfels, maar in overwegende mate door kennisname van wat er in de landen om ons heen in de loop der tijd met het verjaringsrecht is gebeurd. Ik heb het over het gevaar dat het verjaringsrecht aan complexiteit en een toenemende verbrokkeling ten onder gaat. In Duitsland en Engeland namelijk, leidden de "needless complexity",1 en de "'last barock zo nenende Formenreichtum'2 der unterschiedlichen Verjhrungsfristen" tot het breed gedragen oordeel dat het verjaringsrecht niet meer voldeed en moest worden herzien.
Met een door die buitenlandse ervaringen gescherpte blik naar ons recht kijkend, blijkt dat wij niet helemaal gerustgesteld kunnen zijn; ook bij ons is verbrokkeling zichtbaar. Ten eerste is er het in de vorige paragraaf genoemde punt dat de formele hoofdregel de materiële hoofdregel niet is; ik merkte al op dat daardoor de kern van ons verjaringsrecht sterker gedifferentieerd lijkt te zijn dan strikt noodzakelijk is. Maar daar blijft het niet bij. Men kan in ons verjaringsrecht nog twee andere breukvlakken ontwaren.
In de eerste plaats kan men zich zorgen maken over de hoeveelheid bijzondere bepalingen. Er zijn de regels van de art. 3:307 — 3:311, die elk een eigen verjaringsregel geven voor een specifiek type vordering. De praktijkjurist moet steeds kiezen door welk van die bepalingen de voorliggende vordering wordt beheerst, en die keuze is niet steeds vanzelfsprekend. Zo kan, bijvoorbeeld, de vordering uit onverschuldigde betaling (art. 3:309 BW) zeer wel samenlopen met de vordering tot schadevergoeding (art. 3:310 BW).
Bij de bijzondere bepalingen van titel 3:11 blijft het niet. Ook buiten de kernbepalingen 3:306 tot en met 3:326 is nog een aanzienlijk aantal andere bijzondere regels geformuleerd. Het gaat om uiteenlopende terreinen: de alimentatie,3 vernietiging van besluiten en rechtshandelingen,4 de rekening courant,5 het klagen over een gebrek,6 de productenaansprakelijkheid,7 ontbinding,8 de dwangsom9 alsook om regelingen in het kader van de bijzondere overeenkomsten koop,10 opdracht,11 agentuur,12 vervoer,13 arbeid,14 verzekering,15 de WAM16 en de dwangsom.17
Een voorbeeld van de problemen waartoe die diversiteit aanleiding kan geven biedt HR 21 april 2006.18 De koper ageert uit wanprestatie (non-conforme levering) dan wel onrechtmatige daad (bewuste misleiding door de gemeente omtrent de verontreiniging). De vordering uit wanprestatie wordt ingevolge art. 7:23 lid 2 BW beheerst door een verjaringstermijn van twee jaar, de vordering uit onrechtmatige daad wordt ingevolge art. 3:310 lid 1 BW beheerst door een termijn van vijf jaar. De Hoge Raad oordeelt dat art. 7:23 lid 2 BW van toepassing is en art. 3:310 lid 1 BW niet. Verdedigbaar is ook de tegengestelde opvatting: waarom zou iemand die onrechtmatig handelt in het kader van een overeenkomst sterker verjaringsrechtelijk beschermd worden dan iemand die sec onrechtmatig handelt?19 Was het verjaringsrecht uniform geweest, dan had deze kwestie zich niet voorgedaan. Er zijn meer voorbeelden.20
Het tweede punt met betrekking tot de structuur van ons verjaringsrecht doet ook de kwalificatieprobleem toenemen, maar is breder in die zin dat het ook gaat over de begrijpelijkheid en consistentie van ons verjaringsrecht in het algemeen. De aspecten die ik hiervoor noemde, hebben van meet af aan in het nieuwe verjaringsrecht besloten gelegen. Maar de rechtsontwikkeling heeft niet stil gestaan. Verjaringsregels zijn vaak weer genuanceerd, aangevuld of van uitzonderingen voorzien. Om een aantal voorbeelden te noemen: aan het oorspronkelijk uit één lid bestaande artikel over de verjaring van de vorderingen tot schadevergoeding, art. 3:310 BW, zijn ter 'reparatie' nog vier bijzondere leden toegevoegd. Het tweede vestigt een apart regime voor 'milieuschade', het vierde voor seksueel misbruik en het vijfde voor personenschade. Ook het functioneel nauw verwante nieuwe verzekeringsrecht voorziet in een eigen verjaringsregeling, met een eigen stuitingsregime bovendien. Het arbeidsrecht spant misschien de kroon: Van Eck schreef in 2000 een overzichtsartikel over verjarings- en vervaltermijnen in het arbeidsrecht. In 2003 moest er een uitgebreide geactualiseerde versie komen21 wegens het inwerkingtreden van een aantal nieuwe wetten en in 2005 schreef Andriessen alweer een 'nieuwe actualisering' ;22 het bijgevoegde termijnenoverzicht beslaat 3 pagina's.
Deze ontwikkeling lijkt een toenemende mate van verbrokkeling van het verjaringsrecht tot gevolg te hebben. Bepaald niet gezegd is immers dat wat gebeurt op het ene front, zich naar behoren verhoudt tot wat gebeurt op het andere. Zo bepaalt bijvoorbeeld de WAM dat onderhandelingen stuitende werking hebben, maar bepaalt HR 1 februari 200223 dat onderhandelingen buiten de WAM geen stuitende werking hebben. Of: art. 3:310 lid 3 BW bepaalt dat de verjaring bij schade door "gevaarlijke stoffen" in geval van een voortdurend feit aanvangt na afloop van dat aanhoudende feit, maar HR 25 juni 199924 bepaalt dat die regel niet geldt buiten schade door gevaarlijke stoffen. Dat onderscheid doet het belang van de kwalificatievraag weer toenemen,25 maar daar gaat het mij hier niet om. De vraag die ik hier stel is of de consistentie van ons verjaringsrecht met dit soort beslissingen niet in gevaar komt, bij gebreke van een inhoudelijke rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid.
De twee voornoemde punten — het flinke aantal bijzondere termijnen en de rechtsontwikkeling — maken de eenvoudige toepasbaarheid en de consistentie van het verjaringsrecht tot een punt van zorg. Iets is daarover ook in de literatuur al wel opgemerkt. Tjittes schrijft bijvoorbeeld: "Door alle lap- en stopwerk is de consistentie in het verjaringshuis zoek. Een fundamentele heroverweging van ons verjaringsrecht (...) verdient aanbeveling."26 Maar als gezegd, wat mij betreft wordt het punt met name onder onze aandacht gebracht door de ontwikkelingen in Duitsland en Engeland. Daarom zal ik beginnen met een weergave van de problemen en oplossingen van die jurisdicties.